ImageHet Westen is niet groot geworden dankzij de ideologie van vrije handel. Het voldeed zelf nooit aan de eisen die het anderen tegenwoordig opdringt. De Koreaanse Cambridge-econoom Ha-Joon Chang biedt een tegengeluid.

Deze recensie van Peer Vries verscheen oorspronkelijk in De Academische Boekengids . Met toestemming van auteur en Boekengids gereproduceerd. Copyrights blijven natuurlijk bij hen.

In de huidige botsing der beschavingen presenteert het Westen zich graag aan de rest van de wereld als de kampioen van democratie, Verlichting en vrijheid. Daar blijft het niet bij. Veel westerlingen beschouwen deze waarden als 'van hen' en zien het als een plicht deze uit te dragen en te verbreiden. Die missie pakt niet onverdeeld gelukkig uit en is tamelijk arrogant. De geschiedenis kent ook een andere kant: tot voor kort waren er nog maar weinig democratieën in het Westen.

Het valt niet te ontkennen dat de Verlichting haar oorsprong vond in westerse tradities. Maar het valt evenmin te ontkennen dat het verlichte denken lange tijd niet toonaangevend was en nooit een monopolie heeft verworven. Het ontbrak verlichte denkers in Europa nimmer aan tegenstanders. Ook die kunnen uit Europese tradities putten. Bovendien, op het conto van de Verlichting kan ook zeer veel onverdraagzaamheid worden geschreven. Vrijheid en redelijkheid vormen inderdaad al enige eeuwen vaste bestanddelen van de westerse ideologie. Toch is dat geen reden om te vergeten dat religieus fanatisme, slavernij, racisme, militarisme, achterstelling van vrouwen, nationalisme en imperialisme lange tijd vaste bestanddelen waren van de westerse praktijk. Wie zoekt naar de meest in het oog springende feitelijke bijdrage van Europa aan de geschiedenis van de twintigste eeuw zou wel eens bij twee wereldoorlogen, Auschwitz en de Gulag, en de dekolonisatie kunnen uitkomen.

Economen hebben even zelfverzekerd en met evenveel aplomb ooit geheel andere opvattingen rondgebazuind.

Belangrijk bestanddeel van de 'liberale' visie op het Westen is het benadrukken van het liberale karakter van de westerse economie. Onze rijkdom is te danken aan de vrije markt, zo is de gedachte. Westerse economen die niet in die heilzame werking van de markt geloven, vinden nauwelijks meer enig gehoor bij politici en beleidsmakers. Die hebben thans vrijwel zonder uitzondering de mond vol van marktwerking en privatisering. Maar omdat zij rekening moeten houden met hun kiezers, komt daarvan vaak weinig terecht. Die kiezers eisen immers doorgaans dat de overheid ingrijpt als blijkt dat de vrije markt ook in hun nadeel kan werken.

Ontwikkelingslanden hebben nauwelijks een stem in de wereldpolitiek. Het establishment van de internationale ontwikkelingsorganisaties confronteert hen doorgaans simpelweg met een pakket eisen waaraan zij moeten voldoen om voor steun in aanmerking te komen. Enkele eisen keren steeds terug, bijvoorbeeld de liberalisering van internationale handel en investeringen. Wat de interne economische situatie betreft, scoren liberalisering, privatisering en een restrictief macro-economisch beleid hoog. Het beslag van de overheid op het nationaal inkomen mag niet te groot zijn. Wel moet zij alles doen opdat de markt optimaal kan werken. Volgens de huidige liberale canon is dat het geval in een situatie van vrije en volledige mededinging. Ook aan het gedrag van de overheid worden voorwaarden verbonden. De Wereldbank stelt dat overheden capabel, doelgericht en betrouwbaar moeten zijn. Idealiter fungeren ze als facilitaire instelling en betrouwbare partner voor de privé-sector, verschaffen ze de samenleving een juridisch fundament, voeren ze een helder en consequent beleid met het oog op economische stabiliteit, investeren ze in de basale infrastructuur en beschermen ze de zwakken en het milieu. Staatsbedrijven en een eigen industrie-, handels- en technologiebeleid worden niet gewaardeerd. Wat instituties betreft wordt met name gehamerd op goed omschreven en gewaarborgde eigendomsrechten, democratie, een efficiënte bureaucratie en 'transparantie'.

Deze eisen gelden als redelijk. Wie zich eraan houdt, mag groei verwachten. In pleidooien voor internationale vrijhandel wordt bij voorkeur verwezen naar de wet van de comparatieve kostenverschillen en nadere uitwerkingen daarvan. De gedachte is dat vrijhandel uiteindelijk aan alle betrokkenen ten goede komt en zelfs de inkomensverschillen tussen hen op termijn verkleint. Wanneer ontwikkelingslanden zich tenminste specialiseren in die goederen en diensten waarin zij relatief het meest efficiënt zijn. Voor de interne markt gelden vrije en volledige mededinging als sleutel tot groei. De 'invisible hand' van Adam Smith kan de rationele keuzes van individuen alleen bij volledige mededinging omzetten in een algehele stijging van de welvaart. Van rationele keuzes kan in deze context alleen sprake zijn wanneer de klassiek-liberale grondrechten worden gewaarborgd. Dat impliceert dat de overheid vrije ondernemingsgewijze productie stimuleert en alles in het werk stelt om het marktmechanisme zo efficiënt en transparant mogelijk te laten opereren. Daarbij zijn eigendomsrechten en minimale transactiekosten van groot belang, zoals onlangs weer door Hernando de Soto en Nobelprijswinnaar Douglass North uitvoerig is toegelicht.

Met de geschiedenis van het eigen vakgebied lijken de meeste huidige economen en beleidsmakers niet al te bekend.

De zelfverzekerdheid en het aplomb waarmee economen thans de vrije markt als panacee aanprijzen, is opvallend. Eens gerespecteerde beoefenaren van 'de enig echte sociale wetenschap' hebben ze lange tijd, met evenveel aplomb, heel andere opvattingen rondgebazuind. Dat lijkt nu volledig vergeten.

De wet van de comparatieve kostenverschillen is niet door alle economen omarmd. De belangrijkste en invloedrijkste groep tegenstanders staat bekend als de 'historische school'. Die was invloedrijk in Duitsland, Japan en de Verenigde Staten. De Amerikaan Hamilton was waarschijnlijk de eerste die de stelling verdedigde dat 'infant industries' het vaak niet kunnen stellen zonder protectie. Een land dat welvarend én sterk wil worden, doet er goed aan niet te specialiseren in die producten en sectoren waar, gezien de aanwezige productiefactoren, zijn comparatieve kostenvoordelen liggen. Het moet mikken op producten en sectoren die veel toekomst en 'spin-off' hebben. Dat betekent dat de regering niet kan zonder een uitgekiend beleid voor de ontwikkeling van industrie, handel en techniek. De economisch historicus Gerschenkron wees er al in de jaren zestig van de vorige eeuw op dat overheidsingrijpen en sturing inderdaad een prominente rol speelden in landen die na Groot-Brittannië industrialiseerden.

Pleidooien voor vrije marktwerking zijn zo oud als de economische wetenschap en vonden altijd al veel gehoor. Maar dat gold tot voor kort ook voor pleidooien om de markt juist af te schaffen of in elk geval te koppelen aan een sterke en actieve staat. Nog maar amper vijfentwintig jaar geleden was een meerderheid van de westerse economen keynesiaan. Zij legden ons, uiteraard even 'wetenschappelijk verantwoord', de zegeningen van de verzorgingsstaat uit en van niet-sluitende begrotingen. Er zijn diverse belangrijke economen geweest, zoals Schumpeter en Chandler, die wezen op het bestaan en de voordelen van monopolistische en oligopolistische vormen van concurrentie.

Met de geschiedenis van het eigen vakgebied lijken de meeste huidige economen en beleidsmakers niet al te bekend. Ze beweren desalniettemin graag dat ze naast de economische wetenschap ook 'de geschiedenis' aan hun kant hebben. Niemand kan toch ontkennen, zo is de gedachte, dat pogingen een echte planeconomie in te voeren volledig zijn mislukt en dat de verzorgingsstaat onbetaalbaar is geworden en slecht is voor de concurrentiepositie. De superioriteit van het kapitalisme en de vrije markt is toch telkens weer gebleken? In de negentiende eeuw werd Groot-Brittannië de werkplaats van de wereld. Het was een fel pleitbezorger van vrijhandel en had een parlementair en liberaal bestuur. Geldt hetzelfde niet ook voor de Verenigde Staten, de economische supermacht van de twintigste eeuw? Vielen perioden van vrijhandel en liberalisering niet doorgaans samen met perioden van welvaart en groei?

Deze liberale duiding van de economische geschiedenis vindt bij diverse historici bijval. Dat hoeft uiteraard niet te betekenen dat zij die in al haar implicaties onderschrijven. Historicus Piet Emmer benadrukte onlangs in een krantenartikel dat alleen de markt duurzame ontwikkeling in gang kan zetten. Hij voegde eraan toe: 'Hoe zijn de rijke landen van nu ooit economisch gegroeid zonder hulp? Hun grote sprong voorwaarts vond plaats in de negentiende eeuw en het vrij circuleren van goederen en migranten speelde daarbij een essentiële rol. De elementen die Europa toen groot hebben gemaakt, moeten we ook toegankelijk maken voor de rest van de wereld.' Wanneer het erom gaat te verklaren 'wat Europa groot heeft gemaakt' wijst David Landes, emeritus hoogleraar economische geschiedenis te Harvard, op de vrije ondernemingsgewijze productie en de werking van de markt. De eerdergenoemde econoom en economisch historicus Douglass North wijst op doelmatige regelingen op het gebied van eigendomsrechten. Economisch historicus en winnaar van de Spinoza-prijs Jan Luiten van Zanden verwees in een interview naar de democratische traditie als belangrijkste verklaring van Europa's grootheid.

Het boek van Ha-Joon Chang laat op systematische en toegankelijke wijze zien dat deze 'liberale' interpretatie van de economische geschiedenis zeer eenzijdig is. Chang stelt zichzelf de vraag: 'Hebben de rijke, ontwikkelde landen zelf gehandeld overeenkomstig de voorschriften die ze thans de arme, onderontwikkelde landen voorhouden?' Zijn antwoord luidt vrijwel volmondig 'Nee'.

De suggestie dat arme landen er verstandig aan doen zich aan de eisen van allerlei ontwikkelingsorganisaties te conformeren omdat zij dan op dezelfde wijze als het Westen rijk kunnen worden, is faliekant onjuist.
Neem Groot-Brittannië, 'the first industrial nation'. In de aanloop tot zijn industrialisatie was het onverhuld mercantilistisch. Zijn interne markt was waarschijnlijk inderdaad een van de meest vrije ter wereld. Van grote staatsbedrijven was geen sprake. Maar in de internationale handel was de situatie geheel anders. De Britse centrale overheid steunde en beschermde nijverheid en handel op alle mogelijke manieren en bleef dat doen tot ver in de negentiende eeuw. Pas in de tweede helft van die eeuw, met het afschaffen van de bekende Navigation Acts in 1849, werd Groot-Brittannië een echte vrijhandelsnatie. Voordien kende het zeer hoge importheffingen. Tussen 1820 en 1850 bedroegen die gemiddeld bijna veertig procent van de waarde van de geïmporteerde goederen. De Corn Laws, ingevoerd in 1815 en opgeheven in 1846, zijn slechts de bekendste van een reeks wetten bedoeld om importen te bemoeilijken. Verder waren allerlei zaken lang simpelweg verboden. Het was niet toegestaan bepaalde machines te exporteren, of als geschoold werkman het land te verlaten. Bepaalde producten mochten niet in de kolonies worden vervaardigd. Dan waren er nog de vruchten die Groot-Brittannië, en vrijwel alle andere westerse landen, direct en indirect plukten van slavenhandel, slavernij en van hun overzeese imperium.

In Duitsland, dat in de tweede helft van de negentiende eeuw snel industrialiseerde en Groot-Brittannië ging overvleugelen, bestond een lange traditie van overheidsinterventie en, anders dan in Groot-Brittannië, ook van het opzetten van staatsbedrijven. Ook hier ontbraken protectionistische maatregelen niet. Maar over het algemeen nam de steun van de overheid voor de eigen economie vooral de vorm aan van een uitgebreid industriebeleid. Overheid, industrie en banken waren nauw verweven en de overheid gedoogde en stimuleerde kartelvorming. De Verenigde Staten waren het intellectuele moederland van het protectionisme. Van vrijhandel was daar pas sprake na 1945. Voordien werd de Amerikaanse economie steeds afgeschermd door hoge tariefmuren.

Het optreden van de meeste westerse overheden zou ook in andere opzichten niet veel waardering oogsten van de huidige ontwikkelingsorganisaties. Groot-Brittannië had ten tijde van zijn take-off de hoogste belastingen ter wereld en een immense staatsschuld. Net na de napoleontische oorlogen was die bijna twee keer zo hoog als het gehele bruto nationaal product. Zij daalde daarna slechts langzaam. Het land was zeker niet democratisch. In 1832 had dertien procent van de volwassen mannen stemrecht, in 1869 was dat nog steeds slechts 36 procent. Bescherming van de zwakken en het milieu was een luxe die men zich pas na decennia van industrialisering veroorloofde. In de rest van het Westen was het niet veel anders. Wie zou Duitsland of de Verenigde Staten in de tweede helft van de negentiende eeuw democratieën met een transparant bestuur willen noemen? Chang laat ook zien dat allerlei instituties op het gebied van recht, financiën en bestuur, die volgens het huidige ontwikkelingsestablishment noodzakelijke voorwaarden voor industrialisatie vormen, in het Westen ten tijde van zijn industrialisatie afwezig waren, of pas gaandeweg ontstonden.

Chang gaat er niet uitvoerig op in, maar die gebieden buiten het Westen die wél met succes de overgang naar een moderne industriële economie wisten te maken, zondigden al evenzeer aan de lopende band tegen de regels van het IMF en de Wereldbank. Japan was de eerste industriële natie in Azië. Het is nog steeds de grootste. Alleen iemand die niet openstaat voor feiten kan Japan ten tijde van zijn take-off onder de Meiji keizer (1868-1912) typeren als een liberale staat met een liberale economie. Van vrije en volledige mededinging was vaak geen sprake. Staatssteun en interventie waren aan de orde van de dag. Er was een groot aantal staatsbedrijven en een immens overheidsapparaat. Onder de Meiji constitutie had minder dan vijf procent van de volwassen mannen stemrecht. Overheid en economie waren allesbehalve transparant. Sociale wetgeving en zorg voor het milieu waren absoluut minimaal.

Ook het recente succes van landen als Taiwan, Korea en Singapore, of van een stad als Hongkong, kan toch moeilijk worden gezien als bevestiging van de juistheid van de liberale visie. Dat geldt ook voor de gang van zaken in de grootste groeier van dit moment: China. De wisselkoers van de yuan wordt kunstmatig laag gehouden, de overheid verstrekt exportsubsidies. Ik neem niet aan dat iemand zou willen beweren dat China een democratie is die transparant wordt bestuurd.

In de studieprogramma's van de meeste opleidingen economie is er nog altijd slechts marginale aandacht voor de concrete historische realiteit.

Kortom, het Westen voldeed niet aan de eisen die het nu anderen opdringt. Sterker, wanneer het beter uitkomt, lapt men die eisen nog steeds aan de laars. De Verenigde Staten hebben een staatsschuld van meer dan 500 miljard dollar en een tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans in dezelfde orde van grootte. Ook zijn er allerlei protectionistische maatregelen van kracht. Zo ontvangen ongeveer 25.000 katoenboeren jaarlijks in totaal ongeveer drie miljard dollar subsidie. Van verschillende kanten worden vraagtekens geplaatst bij het democratisch gehalte van het land. Na de recente schandalen bij Enron en WorldCom geldt dat ook voor de transparantie van de Amerikaanse economie.

In de rest van de rijke landen is het niet beter. In de Europese Unie wordt per jaar 913 euro subsidie per melkkoe verstrekt. Die koe 'verdient' zo per jaar ongeveer drie keer zoveel als de gemiddelde Nigeriaan. Het subsidiebedrag dat wordt uitgetrokken om Duitse mijnwerkers aan het werk te houden bedraagt 175.000 euro per kompel per jaar. In Japan bedraagt de subsidie op rijst tegenwoordig zeven keer de productiekosten. Per inwoner wordt in Europa, de Verenigde Staten en Japan ongeveer 1000 dollar aan landbouwsubsidie verstrekt. Tussen 1815 en 1932 konden meer dan 60 miljoen Europeanen zich elders in de wereld vestigen, met alle positieve effecten van dien voor de welvaart van de achterblijvers. Nu doet Europa zijn uiterste best immigranten van elders te weren.

Waarom in 's hemelsnaam worden allerlei strategieën enthousiast aangeprezen en opgedrongen waar geen van de grote rijke landen zich zelf ooit aan heeft gehouden, en waar ze zich, als het nationaal belang dat vereist, nog steeds niet aan houden? Een verklaring die helaas veel plausibeler is dan zij in eerste instantie lijkt, is dat veel economen en beleidsmakers niet beter weten. Ook Chang wijst daarop. Zij hebben eenvoudigweg geen enkel benul van wat er in de werkelijkheid loos is. Van de studenten economie van de beste 'graduate programmes' in de Verenigde Staten vond eind jaren tachtig slechts 3,6 procent grondige kennis van het economisch leven van belang voor wie een succesvol econoom wil worden. Kennis van wiskunde en economische theorie scoorde veel hoger. Ook wat dit betreft zetten de Verenigde Staten de toon. Het geeft in elk geval hoop dat critici als Chang en Easterly zelf deel hebben uitgemaakt van het 'establishment', net als de bekendste 'rebel within', Joseph Stiglitz. Maar in de studie- en onderzoekprogramma's van de meeste opleidingen economie is er nog altijd slechts marginale aandacht voor de concrete historische of contemporaine realiteit. Modellen bouwen geldt nu eenmaal als veel wetenschappelijker dan de werkelijkheid analyseren en interpreteren.

Chang wijst ook op een andere verklaring: men ziet in zijn verwijzingen naar de feiten gevolgen aan voor oorzaken. Groot-Brittannië was inderdaad een fervent pleitbezorger van vrijhandel met een open economie. Dat geldt ook voor de Verenigde Staten. Maar in beide gevallen werd vrijhandel pas omarmd nadat de eigen economie zich achter tolmuren had kunnen ontwikkelen. Chang attendeert daarbij overigens fijntjes op de volgende twee, door liberalen graag over het hoofd geziene fenomenen. In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw zetten de keynesianen de toon, de verzorgingsstaat beleefde zijn hoogtijdagen. De economische groei was toen desalniettemin hoger dan in de decennia erna, toen de markt het roer overnam. Erg veel heil heeft die markt sinds ze Oost-Europa van de vermaledijde planeconomie verloste, nog niet gebracht. Het gaat daar in veel landen slechter in plaats van beter.

Bepaalde instituties zijn inderdaad vaak beter ontwikkeld in rijke landen dan in arme. Maar ook dat is vaak eerder een gevolg van hun rijkdom dan een oorzaak. Dat geldt waarschijnlijk ook voor democratie. Voor het merendeel van de bevolking is industrialisatie doorgaans een dusdanig moeizaam proces dat ze in een referendum waarschijnlijk tegen zouden stemmen. Voor een langdurige continuering van groei is democratie waarschijnlijk onontbeerlijk, hoewel ook daarover, getuige het werk van bijvoorbeeld Olson en Barrow, enige twijfel kan bestaan. Het opzetten van een goed ambtenarenapparaat kost veel geld. Zorg voor milieu en bescherming van de zwakkeren in de samenleving: wanneer zijn wij daar eigenlijk aan begonnen? Door aan ontwikkelingslanden eisen te stellen waaraan we zelf pas voldeden toen we al ontwikkeld waren, maken we hen het 'opklimmen' onmogelijk. Vandaar de titel van Changs boek.

Het is uiteraard ook niet uitgesloten dat economen zich voor een ideologisch karretje laten spannen. Sommige standpunten betalen beter dan andere. Waarom zouden mensen die hun leven wijden aan de studie van de homo economicus zelf ongevoelig zijn voor geld en status? Veel economische wetenschap en met name veel beleid behelst niet meer dan het met cijfers en formules omkleden van ideologie.

De ware gelovige zal door de uitkomsten van Changs onderzoek niet van zijn geloof vallen. Gesteld dat veel landen rijk zijn geworden hoewel ze zondigden tegen de leer: als ze dat niet hadden gedaan, zo redeneert hij, zouden zij - en iedereen - er nog beter aan toe zijn geweest. Een dergelijke 'counterfactual' valt moeilijk te weerleggen. Maar hij valt ook moeilijk te bewijzen. Vaststaat dat het liberale paradigma in theorie en praktijk veel zwakker is dan de aanhoudende propaganda voor de markt doet voorkomen. Wie de wereld analyseert zoals zij tot op heden functioneert, kan slechts concluderen dat geen van de rijke landen rijk werd enkel door te vertrouwen op de vrije markt. Dat lijkt me op zijn minst aanleiding om de ontwikkelingslanden veel minder arrogant, uit de hoogte en drammerig te benaderen en meer open te staan voor alternatieven. In elk geval lijkt het mij een goed idee wanneer economen en beleidsmakers regelmatig een boek ter hand nemen. Een boek dat handelt over de concrete realiteit en niet slechts over de gewenste theorie. De keuze voor Ha-Joon Changs boek is dan een rationele keuze.

Peer Vries is als universitair docent verbonden aan de Opleiding Geschiedenis van de Universiteit Leiden en is tevens bijzonder hoogleraar vergelijkende wereldgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Besproken boek:

Kicking away the ladder. Development strategy in historical perspective door Ha-Joon Chang.

Anthem Press. London 2002. 187 pag., € 25,58

Literatuur:

-A.H. Amsden, The rise of the "rest". Challenges to the West from late-industrializing economies (Oxford 2001)

-R.J. Barrow, Determinants of economic growth (Cambridge en Londen 1997)

-W. Easterly, The elusive quest for growth. Economists' adventures and misadventures in the tropics (Harvard 2002)

-A. Gerschenkron, Economic backwardness in historical perspective (Cambridge Mass. 1962)

-A. Klamer en D. Colander, The making of an economist (Boulder 1990)

-D.S. Landes, The wealth and poverty of nations. Why some are so rich and some so poor (Londen 1998)

-D.C. North, Structure and change in economic history (New York 1981)

-D.C. North, Institutions, institutional change and economic performance (Cambridge 1990)

-D.C. North en R. Thomas, The rise of the Western world. A new economic history (Cambridge 1973)

-M.C. Olson, The rise and decline of nations (New Heaven 1982)

-H. de Soto, The mystery of capital. Why capitalism triumphed in the West and fails everywhere else (New York 2000)

-J.E. Stiglitz, Globalization and its discontents (New York 2003)

-G. Vanthemsche, De paradoxen van de staat. Staat en markt in historisch perspectief (Brussel 1998)

-L. Weiss en J.M. Hobson, States and economic development. A comparative historical analysis (Cambridge 1995)

-M. Woo-Cummings (ed.), The developmental state (Ithaca en Londen 1999)