Hoe kijken vakbonden terug op de voorbije vijf jaar Europees beleid, welke lessen trekken ze daaruit, wat zijn hun verwachtingen en plannen? We kijken meer bepaald naar de vakbondsstructuur die zich in het bijzonder met de EU bezighoudt, het Europees Vakverbond.

(Door Herman Michiel, oorspronkelijk verschenen op Ander Europa)

Vakbonden onder vuur

Vakbonden in Europa  werden de afgelopen jaren zwaar aangepakt via regeringsmaatregelen, die steeds de impliciete maar vaak ook de expliciete steun van de Europese Unie hebben. Bekend is de Spaanse ‘muilkorfwet’ (Ley Mordaza) van 2015, die het sociaal protest via monsterboetes probeerde aan banden te leggen, wat ook voor het stakingsrecht een zware bedreiging betekent. Met de Trade Union Act (2016) verstrengden de Tories onder Cameron nog de al zeer beperkende voorwaarden voor stakingen in Groot-Brittannië.  In Hongarije zorgt Orbans ‘slavenwet’ voor een ongehoorde uitbreiding van het overwerk, waarbij de betaling tot drie jaar kan uitgesteld worden. Frankrijk kende al zijn ‘Loi Travail’ (of ‘Wet El Khomri’), het eerste werk van Macron als president was daar nog een schep bovenop te doen. In België saboteert de regering met haar ‘loonnorm’ de onderhandelingspositie van de vakbonden, terwijl de Europese Commissie in haar ‘aanbevelingen’ niet nalaat de Belgische loonindexering als vijand van de tewerkstelling te doodverven. Diezelfde Commissie (DG ECFIN) trekt systematisch van leer tegen interprofessionele loononderhandelingen; ze wil die naar het bedrijfsvlak verlaagd zien, en het uiteindelijke streefdoel is het individuele niveau, de naakte contractuele verhouding tussen twee ‘gelijkwaardige’ contractanten, werkgever en werknemer. En wee de Europese lidstaat die in de klauwen van de Troika terechtkomt, want dan wordt de uitholling van de vakbondsrechten een standaard-onderdeel van het ‘hulppakket’. Enzovoort (*1).

Weerwerk?

Onder die omstandigheden, een gecoördineerde aanval door de EU op de arbeids- en vakbondsrechten, zou men kunnen verwachten dat ook de vakbonden gecoördineerd in de tegenaanval gaan. In principe bestaan ook de structuren daartoe: het Europees Vakverbond (European Trade Union Confederation, ETUC), een koepel van 90 bonden en 10 Europese vakbondsfederaties, goed voor 45 miljoen vakbondsleden in 38 landen (dus niet alleen in de EU). Af en toe organiseert het EVV ook wel eens een ‘Europese betoging’, meestal in Brussel, en ja, daar kunnen best een paar duizend veelkleurige en veeltalige vakbondsafgevaardigden bijeenkomen. Zo was er op 26 april nog een March for a fairer Europe for workers, met een oproep om bij de Europese verkiezingen voor kandidaten en partijen te stemmen “die zich zullen inzetten voor een Europa dat rechtvaardiger is voor werknemers”. Nog met het oog op die verkiezingen bracht het EVV een programma uit (*2) met een lange lijst van punten die de EU ‘moet’ uitvoeren. Een greep daaruit:

  • “De EU moet een Sociaal Vooruitgangsprotocol in het EU Verdrag insluiten dat sociale rechten voorrang geeft over economische vrijheden.”
  • “De EU moet zijn sociaal model terug opbouwen, met een volledige implementering van de ‘Europese Pijler van Sociale Rechten’ op Europees en nationaal niveau.”
  • “Het EU handels- en globaliseringsbeleid moet rechtvaardig zijn en voorrang geven aan sociale rechten, niet alleen de belangen van multinationale bedrijven dienen.”

Hoe moeten deze wensen werkelijkheid worden, en wat heeft het EVV op dit vlak al bereikt? Naar eigen zeggen “heeft het EVV veel druk uitgeoefend op de EU leiders om het beleid te veranderen en we zien al wat verbeteringen”. In werkelijkheid zal de EVV-druk de EU-leiders worst wezen, en in plaats van ‘verbetering’ worden werkers- en sociale rechten ieder jaar wat meer gekortwiekt. Het EVV speelt in de EU een marginale rol, in die mate zelfs dat veel vakbondsleden van het bestaan van deze organisatie niet eens op de hoogte zijn.

Wat doet het EVV (niet)?

Hoe is dit zeer negatief bilan te verklaren?
Bij het EVV kan men eigenlijk niet spreken van een mislukte strategie, maar van het ontbreken van enige strategie. Tenzij men het verspreiden van perscommuniqués en het opstellen van wensenbundels als een strategie beschouwt, tenzij men het lobbyen bij ‘bevriende’ (nogal vaak sociaaldemocratische) politici en het koesteren van ‘high level’ contacten als een valabel alternatief ziet voor het uitbouwen van krachtsverhoudingen door sociale mobilisatie. Geen enkele vakbondsverantwoordelijke zou in eigen land standhouden als hij/zij alleen beroep deed op de redelijkheid, het sociaal geweten van de politici; dat is nochtans wat het ‘Europees syndicalisme’ van het EVV inhoudt.

Het cultiveren van ‘high level’ contacten bleek bijvoorbeeld in 2013 bij de viering van 40 jaar EVV. Onder de topsprekers telde men Europees commissaris László Andor, Olli Rehn, supercommissaris voor financiële en monetaire orthodoxie, Martin Schulz (SPD, toen voorzitter van het Europees Parlement) en Fátima Báñez, Spaans minister van arbeid voor de Partido Popular.  Gelijkaardige keuzes bij het EVV-congres dat van 21 tot 24 mei a.s. in Wenen doorgaat. Daar spreekt Jean-Claude Juncker himself het congres toe, naast commissaris Thyssen en enkele Oostenrijkse sociaaldemocratische excellenties. Deze ‘high level’ contacten zullen zeker hun nut hebben voor het sociaal imago van de betrokken politici, maar of ze ooit iets hebben bijgedragen tot de werkersrechten is zeer de vraag. Ze hebben alleszins niet verhinderd dat de EU met de botte bijl op de Griekse werknemers inhakte, wat van EVV-zijde niet veel meer dan wat papieren protest voortbracht.

Stockholmsyndroom?

Het lijkt onwaarschijnlijk, maar mensen die gegijzeld worden ontwikkelen soms een bijna vriendschappelijke relatie met de gijzelnemers; het fenomeen is bekend als het ‘Stockholmsyndroom’. Men krijgt soms de indruk dat de leiders van het EVV aan een gelijkaardig syndroom lijden. Voor de EU, in het bijzonder het directoraat-generaal voor economie en financiën (DG ECFIN) zijn vakbonden het laatste obstakel voor het ongehinderd functioneren van de vrije markt; bonden liggen dan ook permanent onder Europees vuur. Maar wat doet het EVV? Het schurkt tegen zijn ‘gijzelnemers’ aan, nodigt ze uit als gastsprekers, looft hun ‘stappen in de goeie richting’ en vraagt ze vriendelijk een teken van goodwill te tonen. En vooral: onderneemt niets dat het neoliberaal Europees regime in verlegenheid zou kunnen brengen.

Hoe deze ‘tegennatuurlijke’ verhouding is kunnen ontstaan is onduidelijk, en er is ook niet veel informatie beschikbaar over de interne verhoudingen binnen het EVV, de verhoudingen tot de nationale federaties of tot de Europese autoriteiten. Men kan zich ook moeilijk voorstellen dat deze situatie zou blijven voortbestaan als de toonaangevende ledenorganisaties er zich niet op een of andere manier bij neerlegden. Men kan eigenlijk maar gissen naar de toedracht binnen het EVV. Wel verscheen in 2004 een interessante studie van de hand van Corinne Gobin, onderzoekster aan de Université Libre de Bruxelles Corinne Gobin, La Confédération européenne des syndicats, Courrier hebdomadaire du CRISP 2004/1-2 n° 1826-1827, pag. 1 – 55. Hier online beschikbaar. In die periode was er een conflict tussen de toenmalige EVV-leiding en het Belgische ABVV-FGTB, dat ervoor waarschuwde dat het EVV “op het verkeerde spoor zat”, en dat er “geen lobbying maar strijdsyndicalisme” nodig was. De Belgische bond stelde ook een verhoging van de bijdragen aan het EVV voor, maar dit werd afgezwakt door de Duitse, Nederlandse en Scandinavische bonden.

De bijdragen tot het ‘Europees syndicalisme’’ waren nochtans allesbehalve gigantisch: 0,14 € per lid per jaar, dus één euro per zeven jaar… Het gevolg was dat de werkingskosten van het EVV slechts voor 27% gedekt waren door eigen bijdragen, en de rest uit een subsidie van de Europese Commissie kwam. Het Stockholmsyndroom verliest hier al iets van zijn raadselachtigheid… Dat was begin jaren 2000, maar niets wijst erop dat de financiële afhankelijkheid is verminderd. Integendeel, toentertijd had het EVV nog meer dan 60 miljoen leden, nu zijn het er nog 45 miljoen.

Men moet geen spijkers op laag water zoeken om in deze financiële afhankelijkheid een zware hypotheek op het vrij handelen van de Europese vakbondskoepel te zien. De sociologe Gobin komt via een woordfrequentie-analyse van de resoluties van het EVV over de jaren heen tot de bevinding dat het vocabularium zich steeds meer richt op dat van de EU-instanties en steeds minder op dat van de vakbonden, en dit vanaf de periode dat het EVV financieel meer afhankelijk werd van de Europese Commissie. Wiens brood men eet …

Tot besluit

Vakbondstrijd tegen het neoliberaal beleid moet in de eerste plaats lokaal en nationaal georganiseerd worden. Dat is het niveau waar vakbonden het best hun slagkracht kunnen ontwikkelen. Maar die strijd zou in een verhoogde versnelling komen door coördinatie over de grenzen heen, door initiatieven op Europees vlak, door een echte Europese vakbondstrategie. Zolang het EVV zijn werking beperkt tot die van een lobbygroep kan het hierin niets bijdragen. Verandering moet men echter niet verwachten vanuit de EVV-bureaucratie zelf, maar van de verschillende bonden bij wiens gratie het EVV bestaat. Hier is een taak weggelegd voor elke vakbondsmilitant; misschien kan een eerste stap zijn dat elk lid per jaar een paar euro afdraagt aan een Europese stakingskas. Zijn de voorgangers ook niet zo begonnen?

Voetnoten

(*1) Zie Ander Europa, ‘Modernisering’ van het arbeidsrecht in Europa: terug naar de 19e eeuw voor een overzicht uit 2016. Voor een uitgebreide studie (2017) door het Europees Vakbondsinstituut, zie Rough waters – European trade unions in a time of crises (*2) EVV, Een meer rechtvaardig Europa voor de werknemers – EVV programma voor de Europese verkiezingen 2019