Zowat overal in Frankrijk werpen zich ‘burgerlijsten’ in de campagne van de gemeenteraadsverkiezingen van maart, waarbij ze zich laten inspireren door een politieke traditie die de maatschappij ‘van onderop’, vanaf het lokale niveau wil veranderen.

(Door Claire Legros, oorspronkelijk verschenen in Le Monde, 8 februari 2020, vertaling: Johny Lenaerts, kaart van website commonspolis.org met de meer dan 258 gemeentes met collectieve lijsten)

Het is een onafgelijnde, uiteenlopende en nog ongrijpbare beweging die als een deining door de Franse steden en dorpen trekt. Op enkele weken van de gemeenteraadsverkiezingen van 15 en 22 maart worden er zowat overal in Frankrijk ‘burgerlijsten’ of ‘participatieve lijsten’ samengesteld volgens constructies die in het electorale landschap zeldzaam zijn: verkiezingen zonder kandidaten, volgens loting, lijsten zonder uitgewerkt programma… Van Chambéry (Savoie) tot Saint-Dizier (Haute-Marne), van Saint-Médard-en-Jalles (Gironde) tot Sérifontaine (Oise) willen mannen en vrouwen zich wagen aan het experiment hun stad of dorp op een andere manier te besturen. Ze worden daarbij met name geïnspireerd door de gemeente Saillans (Drôme), waar men sedert 2014 een collegiaal en participatief bestuur uitprobeert.

Volgens het collectief Action commune, dat werkmiddelen levert en ervaringen helpt uitwisselen, is die electorale vitaliteit zowel aanwezig in dorpen als in steden, zowel in kleine als in grote, en is dit over heel het land verspreid. Tegenover de ongeveer 35.000 Franse gemeenten blijft dit fenomeen beperkt. Maar in een landschap dat getekend wordt door een steeds terugkerende electorale vermoeidheid – meer dan een kiezer op drie heeft bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 zich niet naar het stemlokaal begeven –, getuigt dit van een ongekende democratische gisting.

We zien ‘een diepgaande beweging van herpolitisering op lokaal niveau’, meent de onderzoeker Guillaume Gourgues, docent politieke wetenschappen aan de universiteit Lyon-II, die werkt op participatieve democratie, decentralisering en lokale politiek. De filosoof Pierre-Henri Tavoillot, auteur van Comment gouverner un peuple-roi? (Odile Jacob, 2019), spreekt van zijn kant van ‘een achtergrondgeruis waarin de bezorgdheid voor het milieu weerklinkt’.

Een woord duikt regelmatig in de discussies op: ‘municipalisme’, een begrip  dat in Frankrijk nog weinig bekend is maar waarvoor de afgelopen jaren een grote belangstelling bestaat en dat de fundamentele discussies doorkruist: volstaat het de vertegenwoordigingsprocessen te transformeren om de uitoefening van de macht te veranderen? Vormen de gemeenten het goede niveau om efficiënt te werken aan de oplossing van mondiale sociale en ecologische crisissen? Hoe dient men de vormen van directe en representatieve democratie te organiseren, alsook de verschillende machtniveaus?

Municipalisme? Dat is ‘op de eerste plaats een politieke organisatiewijze die de collectieve wedertoe-eigening van de lokale instellingen door de bewoners beoogt, waarbij diverse strategieën met elkaar gecombineerd worden, met name het gebruik van praktijken van radicale democratie’, stelt de in Quebec gevestigde filosoof Jonathan Durand Folco, hoogleraar aan de Ecole d’innovation sociale van de universiteit Saint-Paul van Ottawa en auteur van A nous la ville! Traité de municipalisme (Ecosociété, 2017). Het gaat erom dat men breekt met een al te dikwijls solitaire uitoefening van de macht van de burgemeester en dat men ‘het woord teruggeeft aan de bewoners’ en men ‘onze lokale democratieën openstelt voor méér directe democratie’, om ‘andere vormen van politieke praktijk, die méér gemeenschappelijk en participatief zijn, te ontwikkelen’, zo kan men lezen in principsverklaringen van reeds samengestelde lijsten.

Van de theorie naar de praktijk

Maar niet alles is een kwestie van methode. Het doel van het municipalisme ‘bestaat er wel degelijk in de maatschappij van onderuit te veranderen’, benadrukt Jonathan Durand Folco. De meeste lijsten refereren naar charters die ‘humanistische waarden delen met waarden van sociale rechtvaardigheid, van ecologie, van feminisering van de politiek, van transparantie, van gastvrijheid voor vluchtelingen, en het verlangen de instellingen dichter bij de burgers te brengen’, merkt Elisabeth Dau op, lid van de verenigingen Mouvement Utopia en CommonsPolis, en medeauteur van de online-cursus ‘La commune est à nous!’ (De gemeente is van ons!).

Van het antieke Griekenland tot de Commune van Parijs, via de Italiaanse middeleeuwse steden, is het municipalisme ingebed in de geschiedenis van de democratie en zijn verschillende verschijningsvormen ‘doorheen de instelling van de stad of de gemeente als lokaal zelfbeheer of als bewuste politieke gemeenschap’, merkt Jonathan Durand Folco op. De meest geslaagde theoretische uitdrukking werd in de tweede helft van de 20ste eeuw geleverd door de Amerikaanse filosoof en militant Murray Bookchin (1921-2006), die het idee van ‘libertair municipalisme’ introduceert, nauw verbonden met dat van ‘sociale ecologie’.

Bookchin heeft een merkwaardig parcours afgelegd. Deze voormalige arbeider uit de auto-industrie groeide op in een familie van Russische afkomst die naar de VS geëmigreerd was en heeft achtereenvolgens het communisme, het trotskisme en het anarchisme doorlopen, om hen uiteindelijk één na één te bekritiseren en een meer persoonlijke theorie uit te werken. Bookchin plaatst zonder veel omhaal zijn ‘sociale ecologie’ in een antikapitalistisch perspectief. Volgens hem mag de strijd voor het milieu niet losgekoppeld worden van de strijd tegen de sociale ongelijkheid. ‘Het idee van de overheersing van  de natuur vloeit voort uit het idee van de overheersing van de mens door de mens’, schrijft hij.

Volgens de filosoof loopt de oplossing via het lokaal niveau, dat van de wijk of de gemeente, waarin volksassemblees die alle bewoners groeperen volgens hem in staat zijn de maatschappoij te transformeren. Het municipalisme van Bookchin, dat ‘niet hiërarchisch en uitgesproken egalitair’ is, beoogt de directe burgerparticipatie van economische, sociale en ecologische uitdagingen, ‘zodanig dat elkeen kan deelnemen aan de besluitvorming van de regels waardoor ze bestuurd worden’, merkt Sixtine van Outryve op, onderzoekster in de rechtstheorie aan de Université catholique van Louvain-la-Neuve en auteur van een thesis over dit onderwerp.

Het werk van Bookchin was lange tijd enkel bekend bij een handjevol ingewijden maar heeft de afgelopen jaren een groter publiek bereikt. Verschillende van zijn werken – waarvan Au-delà de la rareté (Ecosociété, 2016) en Pouvoir de détruire, pouvoir de créer (L’Echappée, 2019) – werden vertaald in het Frans, tevens verschijnen er biografieën en essays: Murray Bookchin et l’écologie sociale libertaire, van Vincent Gerber en Floréal Romero (Le Passager clandestin, 2019), Agir ici et maintenant (éditions du Commun, 2019) van Floréal Romero.

‘Uitputting van de democratie’

Het collectieve werk Guide du municipalisme (Charles Léopold Mayer, 2019) inventariseert een vijftigtal burgerplatforms die zich, van Cadix (Spanje) tot Jackson (Mississipi, VS) via Frome (Verenigd Koninkrijk) beroepen op de municipalistische principes en hen trachten aan te passen aan het leven in de stad. Ze duiken dikwijls op in een context van crisis, in de plaats van of als aanvulling op de staat, die er niet in slaagt de problemen op te lossen. Het ‘liberatir municipalisme’ van Murray Bookchin heeft aldus in 2014 rechtstreeks de oprichting van autonome gemeenten in de kantons van Rojava (Syrisch Koerdistan) geïnspireeerd.

In Europa beroept zich ook het burgerplatform Barcalona en Comú op het municipalisme. Dat is een bondgenootschap van sociale bewegingen en linkse politieke partijen dat in 2015 in de Catalaanse stad de verkiezingen won. In juni 2017 heeft ze het netwerk Fearless Cities (Steden zonder vrees) gelanceerd, kort nadat Donald Trump aangekondigd had dat de VS zich zouden terugtrekken uit de akkoorden van Parijs. In het centrum van de bezorgdheid staat het beheer van openbare goederen (water, grond…): het gemeentebestuur is derhalve een krachtmeting aangegaan met de reus van het tijdelijk verhuur van appartementen Airbnb. Voor onderzoeker en activist Joan Subirats, lid van het platform en medeauteur van La Cité des communs (C&F, 2019), ‘bevindt de werkelijke macht zich momenteel in handen van steden die zich actief bekommeren om de behoeften van de bewoners en om hun levenskwaliteit. De staatsoverheden beantwoorden niet langer aan wat hun doelstelling zou moeten zijn: ten dienste staan van de gemeenschap.’

Hoe valt het te verklaren dat de belangstelling voor een lokale actie die de bewoners in het centrum van het besluitvormingsproces plaatst, blijft groeien? Volgens de filosoof Dominique Bourg is dit ‘een reactie op het verschijnsel dat de representatieve macht ingepalmd werd’. De verkozenen, zo meent hij, ‘beschikken niet langer over de middelen om de ongelijkheid te verminderen en evenmin om tegenover de globalisering de rijkdom te herverdelen, ze geven zelfs de indruk dat ze op één lijn gaan zitten met de internationale elites’. In dit opzicht is de opkomst van het municipalisme nauw verbonden met de ‘uitputting van de democratie’, zoals dat in december 2018 met betrekking tot de beweging van de ‘gele hesjes’ door de historicus Quentin Deluermoz beschreven werd.

De beweging duikt op gemeentelijk niveau op, terwijl de burgemeester  als verkozene relatief gespaard blijft van de crisis van de representatieve democratie, hij staat het dichtst bij de burger. Maar hij is ook iemand die zich beroofd voelt van zijn bevoegdheden, met name in landelijke gebieden, en hij stelt vast dat de lokale aangelegenheden meestal ‘elders’ beheerd worden, op intercommunaal niveau, waarvan de functionering ondoorzichtig blijft. Voor de filosoof Pierre-Henri Tavoillot valt het opduiken van de burgerlijsten te verklaren vanuit ‘een terugslag van de slinger nà een hele reeks bewegingen naar een grotere schaal – de hergroeperingen, de metropolisering, de constructie van “landstreken” –, waarvan het doel erin bestond de efficiëntie van het bestuur te verbeteren, maar dat ertoe geleid heeft dat de besluitvormingscentra zich van de bewoners verwijderd hebben’.

Terwijl het dagelijks leven van de gemeenten meer en meer afhangt van variabelen die op andere niveaus bepaald worden, ‘willen de bewoners eraan herinneren dat het beheer van de lokale aangelegenheden niet louter een technische kwestie is. Dat betekent dat er duidelijke keuzes moeten gemaakt worden, dat er sociale, ecologische standpunten moeten ingenomen worden,’ meent Guillaume Gourgues. Volgens hem is de opkomst van de burgerlijsten ingebed in een cyclus ‘als een nieuwe fase nà de golf van municipaal socialisme van het begin van de twintigste eeuw en de periode van de verovering van de gemeentebesturen door de communisten in de jaren 1970, met de vorming van de ring van voorsteden rond Parijs’.

De toepassing van praktijken van directe democratie, voetstuk van het municipalisme, is een onderwerp dat bediscussieerd blijft. De kwestie van de vertegenwoordiging staat centraal. Hoe kan men bepalen of de bewoners die op de assemblees aanwezig zijn ook representatief zijn voor de bevolking en hoe kan men verhinderen dat ‘de macht ingepalmd wordt door diegenen die tijd hebben of door diegenen die politiek actief zijn,’ volgens de uitdrukking van Pierre-Henri Tavoillot, die er een risico in ziet dat de democratische onteigening nog zou vergroot worden.

De ervaring van Saillans

Volgens de aanhangers van het municipalisme hangt de deelname van de bewoners niet af van een bevel dat ze daartoe zouden krijgen. Het vereist tijd en middelen ‘om het publiek debat te voeden en zich niet te beperken tot “ja” of “nee”,’ meent Elisabeth Dau, lid van de socio-wetenschappelijke raad van de vereniging CommonsPolis.

In Saillans, pioniersdorp met 1.300 inwoners en – tegen haar wil in – uitgeroepen tot laboratorium van de burgerparticipatie, hebben de bewoners in 2014 hun vertegenwoordigers gekozen op voorwaarde dat ze plaats zouden maken voor een collegiaal en participatief bestuur, nadat ze de inplanting van een warenhuis in hun dorp verhinderd hadden. De verkozenen hebben een indrukwekkende waaier van participatiemethodes ontwikkeld, die dikwijls ontleend werden aan bewegingen van volkseducatie, met als doel ‘de competentie van de mensen te bevorderen, werkmiddelen en informatie over wettelijke verplichtingen te verschaffen, alle elementen van het debat aan te dragen vooraleer men een beslissing neemt’. Dit heeft evenwel niet belet dat ‘een deel van de bewoners, na de eerste twee euforische jaren, afgehaakt hebben of ontmoedigd werden’, getuigt Fernand Karagiannis, verkozene en verantwoordelijk voor de economie en de lokale productie.

Een andere kwestie is tijdens de ambtsperiode opgedoken met betrekking tot de efficiëntie van het besluitvormingsproces, met name ten opzichte van de ecologische urgentie: de uitwerking van het lokale urbanisatieplan, dat gedurende twee jaar aangevoerd werd door een comité dat samengesteld was uit bewoners die via loting uitgekozen waren  en uit verkozenen, heeft geleid tot een compromis die bij velen frustratie oproept, ook bij Sabine Girard, de verkozene die voor de organisatie verantwoordelijk was. ‘Beslissingen die in het kader van een klassieke opstelling het gemeentebestuur had kunnen nemen, werden niet genomen omdat men de bevolking geraadpleegd had,’ verklaart ze. ‘Dat heeft bij mij grote ethische vragen opgeroepen, want persoonlijk denk ik dat we veel sneller moeten gaan. Maar ik blijf ervan overtuigd dat willen de veranderingen een draagvlak hebben, ze vanuit de basis moeten vertrekken en niet met dwang mogen opgelegd worden.’

Indien de municipalistische beweging door een gemeenschappelijk kenmerk geïnspireerd wordt, dan wil dat helemaal niet zeggen dat ze eenvormig zou zijn. ‘Ze kan zeer uiteenlopende politieke realiteiten omvatten,’ meent Sixtine van Outryve. Volgens de onderzoekster in de rechten slingert de beweging tussen twee grote stromingen: enerzijds een  reformistische en gematigde stroming, die soms ‘neomunicipalisme’ of ‘citoyennisme’ genoemd wordt en die voortvloeit uit ‘een overwegend sociaaldemocratisch politiek project en op lokaal niveau macht aan de burger wil teruggeven via participatieve middelen, maar zonder de politieke eenheid van de natiestaat, en dus het feit dat het gemeentebestuur haar politieke legitimiteit bezit op grond van deze staat, ter discussie te stellen.’

Anderzijds bestaat er een veel radicalere benadering – en die in feite dichter aanleunt bij de libertaire theorie van Bookchin -, ook ‘communalisme’ genoemd, die zich verzet tegen het staatsidee op zich en de staat ‘wil vervangen door een confederatie van vrije gemeenten in zelfbeheer. De bewoners organiseren zich op wijkniveau, in het kader van een directe en egalitaire democratie, en duiden vertegenwoordigers aan die onderworpen zijn aan een imperatief mandaat en elk moment afzetbaar zijn’.Tussen deze twee stromingen kent de municipalistische familie een groot assortiment van diverse schakeringen.

In Saillans heeft de gemeenteraad steeds haar beslissingsbevoegdheid behouden. ‘Wat de grote keuzes en de toekomstprojecten betreft, is het belangrijk dat men de burgers raadpleegt, dat men de transparantie en de collegialiteit versterkt,’ stelt Fernand Karagiannis vast. ‘Maar daarna moet men duidelijk zijn: een gemeente kan niet louter op participatieve wijze werken. Op een gegeven moment heb je een afvaardiging nodig.’

Enkele honderden kilometers verder, in Commercy (Meuse), hebben leden van de burgerlijst op 18 en 19 januari de ‘Commune van de communes’ georganiseerd, op dezelfde plaats waar in januari 2019 een ‘assemblee van assemblees’ van de ‘gele hesjes’ gehouden werd. Voor hen is de verkiezingsdatum in maart ‘slechts een middel, geen doel’. Gedurende twee volle dagen hebben meer dan 150 personen – groeperingen van ‘gele hesjes’, vertegenwoordigers van een tiental lijsten en van radicale ecologische bewegingen, vooral uit de departementen Meuse en Ile-de-France en uit de regio Auvergne-Rhône-Alpes – gediscussieerd over de strategieën die men bij de gemeenteraadsverkiezing dient toe te passen. ‘Het gaat er vooral om de macht aan de bewoners terug te geven, om te kunnen strijden tegen het kapitalistisch project, niet om een programma te verdedigen’, meent Steven Mathieu, een van de organisatoren van het evenement en lid van de burgerlijst van Commercy.

Het doel van de organisatie van de ‘Commune van communes’ bestaat erin ‘de toekomstige gemeenten in zelfbeheer te federeren, maar ook de coöperatieven en de collectieven, zoals de ZAD [zones à défendre]’, die ‘veeleer op het terrein willen ageren dan op institutioneel niveau’. Daarin knopen de militanten van Commercy aan bij een belangrijk gedeelte van de theorie van Murray Bookchin, die de autonomie van de lokale gemeenschappen wil vergroten maar hen ook wil federeren met als doel de staat te vervangen.

‘Berschermende instellingen’

Tussen Saillans en Commercy zijn de breuklijnen reëel. ‘De verzuchtingen zijn niet dezelfde naargelang de groeperingen, waarvan een gedeelte zich de vraag stelt van de radicaliteit’, constateert Guillaume Gourgues. Enerzijds ‘behoudt men de verkozenen maar men schrijft hen andere taken toe’, anderzijds ‘ondermijnt men de instellingen’. In december 2019 waarschuwde het tijdschrift Ballast voor het risico dat het werk van Bookchin zou kunnen ‘getemd’ worden door ‘over te schakelen van een oproep om het kapitalisme omver te werpen naar de citoyennistische integratie in de bestaande lokale en nationale orde.’

De discussies benadrukken indirect de hedendaagse onbekwaamheid van de staten om oplossingen voor de crisissen aan te dragen. Maar het lokale niveau kent ook haar grenzen, met name tegenover de urgentie van klimaatmaatregelen. ‘Het zou niet redelijk zijn te denken dat men tot een drastische vermindering van de broeikasgassen zou kunnen komen “van onderuit”, met behulp van lokale hefbomen, of ze nu institutioneel zijn of meer radicaal autonoom, van het type ZAD,’ merkt Pierre Charbonnier op, die in het municipalisme veeleer een manier ziet ‘om beschermende instellingen op te richten die los staan van de staat als deze zich niet langer bekommert om de actieve regulering van de sociale relaties en geen oog heeft voor de ecologische kenmerken van zijn grondgebied’.

Indien men ‘opnieuw macht moet geven aan de gemeenten’, besluit Dominique Bourg, dan ‘kunnen deze spijtiglijk maar een deel van hun weg afleggen. De openbare goederen zoals de atmosfeer of de diversiteit van de levende wezens vereisen een globaal bestuur dat zich moet baseren op een krachtenbundeling van de verschillende niveaus: lokaal, nationaal, supranationaal. En daar zijn we nog ver van verwijderd.’

Nota van de vertaler. –  Recentelijk verscheen een nieuwe vertaling van Murray Bookchin: ‘Paden naar een groene toekomst’, Utrecht: Kelderuitgeverij, 2020. (www.kelderuitgeverij. nl)