Het boek van de Schotse filosoof John Oswald, getiteld Le gouvernement du peuple, Plan de constitution pour la République universelle, heeft een baard. De eerste editie is van 1793 en de laatste is van 1996. Maar je blijft met stomheid geslagen, zoveel helder inzicht vind je erin terug. Kijk, dat regeerders het niet willen begrijpen, kan ik mij voorstellen. Zij zijn uit op macht. Dat bedrijven zij openlijk (dictatuur) of verhuld (parlementarisme). Dat kon je toen en je kan dat nu nog steeds op je vingers natellen en we komen het dan ook dagelijks tegen.

(Door Thom Holterman, oorspronkelijk verschenen op Libertaire Orde, illustratie Cry of Nature van wikimedia)

John Oswald (1755/1760-1793) trok naar Parijs zodra de Franse Revolutie uitbrak. Hij zou daarin een actieve rol spelen. Hij is tevens de auteur van essays en artikelen die zelden heruitgegeven zijn. Voor het Nederlandstalige Webtijdschrift Athene schreef Roger Jacobs een informatief artikel over leven en denken van John Oswald, onder de titel ‘John Oswald: De eerste theoreticus van de directe democratie?’. En kort geleden herinnerde Bibliothèque Fahrenheit 451  ons met een korte impressie van het boek aan John Oswald. Ik vertaal die impressie. Ze geeft in om opnieuw te overdenken waarom we zo stom zijn om te pikken wat machthebbers ons opleggen.

Jongleurs grondwetgevende vergadering

Volgens Oswald kan er geen sprake zijn van een rechtvaardige overheid als deze niet wordt gereduceerd tot het uitvoeren van de wil van het volk. Een natie die zich niet bewust verzamelt, kan niet worden beschouwd als “tot samenleving gevormd” (‘en état de société’) [de tekst tussen “…” is van Oswald]. Politici reduceren de soevereiniteit van het volk tot het recht om te stemmen. Langs die weg maken zij zich meester van die soevereiniteit, aangezien een natie alleen kan beraadslagen via het orgaan van haar vertegenwoordigers [het vormt een overhevelingsmechanisme, zoals sommigen dat heden in groter verband zien: de soevereiniteit van een nationale staat komt terecht bij ‘Brussel’; thh]. Oswald: “Ik geef toe dat ik nooit in staat ben geweest om na te denken over dit systeem van representatie zonder me te verbazen over de goedgelovigheid, ik zou bijna zeggen de domheid waarmee de menselijke geest de meest tastbare absurditeiten slikt. Als een politicus serieus voorstelde dat de natie bij volmacht zou pissen, zou hij krankzinnig worden genoemd; en toch is het denken bij volmacht een voorstel dat men hoort, wat niet met stomme verbazing wordt weggehoond, maar dat men juist met enthousiasme ontvangt”. “In één woord, representatie is de sluier die in de schaduw van alle vormen van despotisme is binnengeslopen en waaronder alle politieke oplichterij wordt geconsumeerd”.

In Frankrijk hebben “de jongleurs van de grondwetgevende vergadering” een “regeringspoppenkast namens het volk georganiseerd, waarnaar het volk alleen zou kunnen kijken”. Dit gaat door onder de naam van representatieve regering. De jongleurs erkenden de soevereiniteit van het volk zonder problemen, op voorwaarde dat de uitoefening ervan aan hen werd toevertrouwd. John Oswald stelde integendeel voor om primaire vergaderingen te organiseren waarin het volk beraadslaagt en beslist [de rotonde-democratie van de Franse Gele Hesjes nu; thh]. Hij legt uit hoe die primaire vergaderingen zouden kunnen functioneren en hoe vervolgens de regering de besluiten zou hebben uit te voeren. Hij gaat in op de belangrijkste algemene bezwaren waarna hij besluit: “Laten we hopen dat in de nieuwe vooruitgang van de revolutie de collectieve wijsheid van de mensen eindelijk het ijzeren juk van het eigendom zal breken en onze kinderen zal teruggeven het geluk van de gouden eeuw, de gemeenschappelijke erfenis van de aarde, de onbegrensde gemeenschap van genot!”.

De lange inleiding van Yves Blavier, bij de uitgave van 1996, laat ons kennismaken met deze Schotse activist die betrokken was bij de Franse Revolutie, die het ontluikende parlementaire systeem veroordeelde en pleitte voor directe democratie met economische gelijkheid als uitvloeisel. Zijn gedurfde politieke engagementen, vooral tegen de kolonisatie en de beroepslegers, maken hem tot de voorvader van de anti-autoritaire denkers van de 19e eeuw. Blavier: ‘Sommige individuen gaan door de geschiedenis als meteoren. De maatschappij besluit soms om ze te vergeten, alsof ze zich wil beschermen tegen de angsten die door hun werk of hun lot worden veroorzaakt. John Oswald is zo’n individu’. Tot zover de impressie van Fahrenheit 451.

Ook Roger Jacobs besluit zijn artikel in deze sfeer en ik citeer hem door het slot ervan over te nemen: ‘Oswalds naam geraakte onmiddellijk in de vergetelheid. De redenen laten zich niet moeilijk raden. Hij was niet geliefd in eigen land en een arme buitenlander in een toene­mend xenofoob Frank­rijk waar de contrarevolutie niet lang meer op zich zal laten wachten (Thermidor, juli 1794). Bovendien was hij een ‘radicaal’ die op verschillende vlakken zijn tijd verrassend ver vooruit was. En juist dat maakt hem waard tegenwoordig herontdekt te worden. De actualiteit van de zaken die hem meer dan twee eeuwen geleden ter harte gingen, is er ondertussen alleen maar groter op geworden: directe democratie (versus parlementaire democra­tie); een sociale revolutie (versus de toenemende kloof tussen arm en rijk); een wereldregering van onder op (versus de kapitalistische globa­lisering); dierenwelzijn (versus de algemene ecologisch ver­loedering)!’.      [ThH]

Oswald, John, Le gouvernement du people, Plan de constitution pour la République universelle, eerste druk 1793 (de drukkerij van de Révolutions de Paris), Éditions de la Passion, Paris, 1996, 130 blz., met een inleiding en noten van Yves Blavier.

[Impressie integraal te vinden op Fahrenheit 451; vertaald door Thom Holterman.]