De sociale revoltes van de afgelopen jaren van Cairo over Athene en New York tot Istanbul, alsook de toenemende strijd voor woningen en vrijruimtes, hebben wereldwijd – opnieuw – de roep naar Het Recht Op De Stad doen weerklinken. Daarbij wordt dikwijls expliciet verwezen naar de Franse marxist, stadsonderzoeker en filosoof Henri Lefebvre, die aan de vooravond van de revolte van mei 68 onder de titel ‘Le droit à la ville’ een opmerkelijk essay gepubliceerd had. Wat kan zijn werk in de huidige tijd nog betekenen?

(Door Johny Lenaerts, Foto van metropolitiques)

 

Kritiek van het dagelijks leven

Een kernstuk van het werk van Lefebvre, dat in verband met het urbane en de stad van grote betekenis is, is zijn opvatting over het dagelijks leven, dat hij in 1947, 1962 en 1981 uitgewerkt heeft in het driedelige werk ‘Critique de la vie quotidienne’, en dat hij in 1968 aangevuld heeft met ‘La Vie dans le monde moderne’.(1) Tijdens de periode kort na 1945, in het hervonden optimisme na vijf lange oorlogsjaren, leek het dagelijks leven voor Lefebvre een ongekende rijkdom te bevatten die achter een schijnbare armoede verborgen ligt. De filosofie moest zich volgens hem niet langer boven het dagelijks leven verheven voelen maar uit het kader van het buiten-alledaagse uitbreken om zich heel concreet met dat dagelijks leven bezig te houden.

Henri Lefebvre breekt met het economisch determinisme. Enkel de verandering van de onderbouw (zoals bijvoorbeeld de collectivisering van de productiemiddelen) is niet voldoende om de mens te bevrijden, noch om de maatschappij te ontvoogden. De onderwerping van de mens is in wezen niet anders in New York dan in New Delhi of in Moskou. Er zijn nieuwe vormen van vervreemding opgetreden. Elk politiek project vereist bijgevolg een diepgaande analyse van de moderne maatschappij en van de vormen van vervreemding die zij veroorzaken. Het zwaartepunt van zijn theoretische analyse wordt dus verplaatst van de studie van economische factoren naar de kritiek van het dagelijks leven.

Terzelfder tijd beoogde deze kritiek de kritische theorie van de moderne wereld en van de opheffing van deze wereld te leveren. Aan de basis daarvan ligt de reflectie over de moderne wereld, die Henri Lefebvre vanaf 1945 de moderniteit genoemd heeft. De moderne wereld is er een van stijgende productie waarin de overvloed, als zij al niet een realiteit is, zich toch duidelijk aan de horizon aftekent. Des te schrijnender is het dan ook om vast te stellen dat het dagelijks leven ver achter zijn mogelijkheden blijft steken.

In het begin van de jaren 1960 merkt Henri Lefebvre op dat het dagelijks leven veranderd is, nièt naar een grotere rijkdom, maar in tegengestelde richting: verarming, manipulatie, passiviteit. Het kapitalisme is in deze periode bezig nieuwe sectoren te veroveren: de landbouw, die voordien voor een groot gedeelte prekapitalistisch gebleven was; de stad, die gerenoveerd wordt; de sociale ruimte, die uitgeleverd wordt aan het toerisme en de vrijetijdsindustrie; tenslotte de cultuur, die onderworpen wordt aan de groei van de cultuurindustrie; en uiteindelijk en op de eerste plaats, het dagelijks leven. Het tweede deel van ‘Critique de la vie quotidienne’ bevat een stelling die in samenwerking met de situationisten uitgewerkt werd: de kolonisering van het dagelijks leven (2).

Volgens deze theorie gaat de dekolonisatie van de derde wereld gepaard met een kolonisatie van het dagelijks leven in de metropolen. Niet in staat om het oude imperialistische rijk in stand te houden, en op zoek naar nieuwe afzetmarkten, richten de kapitalistische ondernemers zich op de binnenlandse markt. Zij verhandelen het dagelijks leven op dezelfde manier als zij eertijds tewerk gingen in de gekoloniseerde gebieden: één lange toonbank (de grootwarenhuizen en winkelcentra), absolute voorrang van de ruil over het gebruik, dubbele uitbuiting: als producent en als consument.

In dit boek probeerde Henri Lefebvre aan te tonen waarom en hoe het dagelijks leven op arglistige manier geprogrammeerd wordt door de media, door de reclame, door de pers. Lefebvre spreekt van de ‘bureaucratische maatschappij van gedirigeerde consumptie’, iets wat in de contestatiebeweging van de jaren 1960 gecondenseerd werd tot ‘consumptiemaatschappij’. Indringend en vol medeleven beschrijft hij de verstoring van de relatief autonome arbeid door de toenemende arbeidsdeling, de vervanging van het rijke symbolische niveau door teken- en signaalsystemen in de fabrieken en in de steden, het verbreken en versplinteren van de ‘ritmische tijden’ van de landbouwers door de rationele, lineaire tijd in de fabriek.

Zeker, zegt Henri Lefebvre, ook in vroeger tijden was er al sprake van een ‘dagelijks leven’: de herhaling van de dagelijkse handelingen, eten, drinken, slapen, werken. De meeste mensen moesten hard werken voor een leven dat nauwelijks méér was dan een. Maar dit leven van elke dag was ingebed in grote cycli en grote systemen: de maanden, de seizoenen, de jaren, het leven en de dood. Religie, het gevoel voor het sacrale, later voor de moraal, doordrongen dit leven en veranderden het. Momenteel, zo stelt Lefebvre vast, wordt het reële dagelijks leven opgedeeld in gescheiden, functionele, georganiseerde (gestructureerde) sectoren: de arbeid (in het bedrijf of kantoor), het privéleven (in het gezin, in de woonplaats), de vrije tijd. In de arbeid heerst er passiviteit, de gewillige aanvaarding van beslissingen die elders – hogerop – genomen worden; het privéleven wordt gedetermineerd door de diverse conditioneringen, de fabricatie van de consument door de fabricant van voorwerpen; de vrije tijd wordt overheerst door de beeldvorming en de spectacularisering van de ‘wereld’. Kortom, overal passiviteit, niet-participatie. Het dagelijks leven wordt aldus steeds meer gereduceerd tot de herhaling (dat niet langer meer de herhaling van de grote ritmes en van de kosmische cycli is, maar de lineaire tijd van mechanische handelingen en van door signalen gestuurde bewegingen). In de vrije tijd imiteren de individuen en groepen de modellen die hen via film en tv (vanuit de verte, als waren het abstracte voorwerpen) voorgeschoteld worden.

Maar het dagelijks leven roept nieuwe vragen op. Accepteren wij haar ? Ondergaan wij haar als was het ons lot, of kunnen en moeten wij de controle over het dagelijks leven nastreven, als een dimensie van de vrijheid, en moeten we de radicale omvorming van de mens beogen, een mens die in verregaande mate bepaald wordt door het dagelijks leven? Een project moet worden uitgewerkt, zo besluit Henri Lefebvre, een belangrijk woord moet uitgesproken worden.

 

De urbane revolutie

Vanuit de kritiek van het dagelijks leven komt Henri Lefebvre tot de problematiek van de stad. Uitgangspunt van deze verschuiving van zijn interesse was enerzijds de toenemende problematisering van praktische vragen in verband met de Franse stadsontwikkeling en anderzijds de door hem gemaakte analyse van de Commune van Parijs van 1871. Henri Lefebvre zag in de Commune een drastische verandering van het dagelijks leven en een grote stedelijke revolte (3). Deze opstand was voornamelijk van stedelijke aard omdat de oorzaken te vinden waren in de segregatie en de uitdrijving van de werkende bevolking uit het centrum van de stad in de tweede helft van de 19de eeuw. De marxistische interpretatie volgens dewelke de Commune een opstand van het stedelijk industrieproletariaat tegen de industrialisering zou geweest zijn, verwerpt Henri Lefebvre ten voordele van zijn stelling over de urbane revolutie. De Commune was volgens Lefebvre op de eerste plaats een groots feest van collectieve bevrijding en urbane toe-eigening, waarin de stad, de straten, de pleinen, de gebouwen en monumenten aan een onproductieve consumptie uitgeleverd werden, de vervreemding overwonnen en de ruilwaarde in gebruikswaarde omgezet werd.

Henri Lefebvre’s centrale geschriften over het urbane situeren zich tussen 1968 en 1974, waarbij hij zich vanaf het einde van de jaren 1950 voor de problematiek van de stad begon te interesseren en ook later steeds weer daarop terugkwam. Zijn ideeën over de stad zijn ingebed in een analyse van de revolte van 1968 in Frankrijk, waarin hij net als in de Parijse Commune van 1871 een grote urbane gebeurtenis zag. Belangrijk waren voor hem de vroege kritieken op de moderne stedenbouw zoals die met name door de situationisten geformuleerd werden (4).

Henri Lefebvre vat de stad op als een mediator tussen het alledaagse en de maatschappelijke orde. Hij knoopt aan bij bestaande werken over de stad uit de marxistische traditie en radicaliseert de reeds door Friedrich Engels gemaakte analyse van de stad. In ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’ uit 1845 gaat Engels intensief in op het probleem van de urbanisering en trachtte hij dit fenomeen in de context van de kapitalistische accumulatie aan bod te brengen. Bij Engels hebben de steden de eigenschap dat ze enerzijds ongelijkheid voortbrengen en anderzijds ook de plaats zijn waar de bevolking zich organiseert. Engels is volgens Henri Lefebvre één van de eersten die een verband legt tussen de dagelijkse levensrealiteit in het urbane, de politieke subjectivering en het revolutionair potentieel. Volgens Engels kan men onder de kapitalistische verhoudingen niet ontkomen aan de tendens tot centralisering, want ‘elke nieuwe fabriek… draagt de kiem van een fabrieksstad in zich’.

Volgens Henri Lefebvre heeft de urbane maatschappij de industriële maatschappij afgelost, zoals eertijds de industriële maatschappij de rurale maatschappij afgelost heeft. Lefebvre beschrijft een historische beweging van de natuur over de stad-platteland-tegenstelling naar de opheffing in het urbane, waarin daarmee ook stad en platteland als afzonderlijke, duidelijk afgetekende begrippen verloren gaan. Henri Lefebvre onderscheidt verschillende tijdperken van de stad. De rurale maatschappij betekent de overgang van een nomadisch bestaan naar de eerste nederzettingen en de daarmee verbonden nieuwe vormen van toe-eigening van de ruimte. Daarmee zou met het tijdperk van de steden, en in contrast daarmee de inrichting van het platteland, ook de tijd van de stad-platteland-tegenstelling aangebroken zijn. De primaire stedelijke functie zou aanvankelijk van politieke aard geweest zijn. In de 14de eeuw zou de handel zozeer aan belang gewonnen hebben, dat Henri Lefebvre spreekt van de overgang van de politieke stad naar de handelsstad. Karakteristiek voor deze tijd zou de overheersing van de stad door het platteland geweest zijn, waarbij de stad in het platteland iets exceptioneels was. Door de toenemende concentratie van mensen en productiemiddelen in de stedelijke ruimte heeft zich in de loop van de 16de eeuw de stad van zijn onderwerping losgemaakt en is hij op zijn beurt begonnen de landelijke ruimte aan zich te onderwerpen. Doordat de industrialisering de stad voor zijn doeleinden gebruikt en opnieuw ingericht had, zou er een nieuwe vorm van stad ontstaan zijn: de industriestad. Henri Lefebvre beschrijft deze overgang met het beeld van de implosie-explosie van de stad, dus enerzijds de massale concentratie van mensen, activiteiten, rijkdom en voorwerpen in de steden (implosie) en anderzijds het uit zijn voegen barsten van de stedelijke realiteit (explosie), waardoor de stad zijn karakter als maatschappelijke plaats verliest en in groeiende mate een zuivere ideologie wordt. Daarbij wijst hij erop dat, alhoewel de urbanisering vanaf het begin naar een totaliteit evolueert, totaliteit als eindtoestand nooit bereikt kan worden, omdat het urbane door zijn vluchtigheid en beweeglijkheid daar haaks op staat. De urbane maatschappij is dus niet alleen doel waarop de ontwikkeling naartoe neigt, maar ook virtualiteit, mogelijkheid; het is iets dat kan veranderd worden.

Crisis van de stad

Om zijn opvatting over de verandering van de stad in ruimte en tijd te verduidelijken grijpt Henri Lefebvre terug naar het marxistisch begrip van gebruiks- en ruilwaarde en stelt hij dat de stad in de loop der tijden van oeuvre en gebruikswaarde in toenemende mate tot een plaats van ruilwaarde getransformeerd werd. Voor Lefebvre is de stad in zijn historische vorm een oeuvre, een soort kunstwerk, en geen instrument voor economische verrijking. Steden zouden veeleer plaatsen van het sociale en politieke leven geweest zijn, plaatsen van collectieve productie en niet zozeer machts- of handelscentra. In het spoor van de industrialisering heeft evenwel de productie van waren de productie van oeuvres vervangen en daarmee de maatschappelijke verhoudingen die met de stad als oeuvre verbonden waren, opgelost.

De stad, die zich ooit als een specifieke maatschappelijke entiteit en in onderscheid met het platteland gevormd had, bestaat volgens Henri Lefebvre momenteel niet meer. De maatschappelijke verhoudingen zijn veranderd en vormen iets nieuws. Dit nieuwe tracht Lefebvre met het begrip van het urbane uit te drukken. De stad als geproduceerde ruimte wordt deel van de urbanisering.

De straat is voor Henri Lefebvre een plaats van ontmoeting. Ze is een smeltkroes, ze creëert het stadsleven, ze overwint de scheiding en de isolatie en zonder haar zou elk stedelijk leven verdwijnen. Op de straat wordt gespeeld, geleerd, op de straat heerst chaos en orde. Chaos betekent levendigheid, ze informeert en verrast en creëert daardoor een hogere orde. Waarmee de straat een specifieke ‘ruimte-tijd-verhouding’ in realiteit omzet. Terzelfder tijd is de straat voor Henri Lefebvre een plaats van louter oppervlakkige ontmoetingen. Ze nodigt niet uit er te blijven, er vormen zich geen groepen en zo kunnen er geen subjecten ontstaan. Daarbij komt dat de straat de plaats is waar de waar tentoongesteld wordt. Ruil en ruilwaarde zijn in de straat belangrijke elementen. Henri Lefebvre stelt evenwel dat precies uit deze tegenstrijdigheid tussen gebruiks- en ruilwaarde die zich in de straat manifesteert, het zowel een verbod als een gebod is om door de straat, de ruimte van communicatie, te lopen. De straat is weliswaar een plaats van consumptie en ruilwaarde, maar ze bevat tegelijkertijd ook de opheffing van dit op ruilwaarde afgestemde doel.

Bij de problematiek van het wonen, dat een gelijkaardig fenomeen is, liet Henri Lefebvre zich door Martin Heidegger inspireren. Wonen is daarbij voor Lefebvre de centrale component van de privésfeer en betekent een belangrijk element van het dagelijks leven. Zo meent hij dat ‘habiter’ (wonen) in toenemende mate door een vervreemdend ‘habitat’ (leefruimte) vervangen wordt. Terwijl ‘habiter’ verwijst naar een beweeglijke ruimte die door groepen en individuen die haar gebruiken zouden kunnen toegeëigend worden, verwijst ‘habitat’ naar een ruimte die het wonen als doel heeft maar die onderbezet blijft. De speelruimte voor toeëigening zou daarbij steeds kleiner worden. Het resultaat is dat het bewustzijn van de stad en de urbane realiteit afstompt en dat ze daardoor verdwijnt. De oorzaak voor deze verandering ziet Lefebvre in de staatsbureaucratie, wiens belangrijkste doel erin zou bestaan de stad in te richten naar de kapitalistische productiewijze en de ruimte te fragmenteren naar de vereisten van de markt. Dit wordt zichtbaar in de rationele stads- en woningbouw zoals ze door het ‘Congrès International d’Architecture Moderne’ (CIAM) op het congres van 1933 en in 1943 door Le Corbusier als ‘Charter van Amiens’ uitgewerkt werd (5). In dit Charter werd o.a. de functionele zone-indeling van de stad naar de principes wonen, werken, ontspanning en vervoer doorgevoerd en daarbij werd de woning als centrum van de stedenbouw gedefinieerd. Het gevolg van deze rationalistische stadsplanning is volgens Henri Lefebvre de toenemende segregatie. Dit is weliswaar niet als duidelijke en doelbewuste strategie van de heersers bedoeld, maar betekent niettemin een algemeen waarneembaar verschijnsel. Zo kan met Henri Lefebvre gezegd worden dat het ageren van private actoren op de grond- en woningmarkt uiteindelijk net zo segregerend werkt als het ageren van de staat, omdat de staat net als de privéondernemers ernaar streeft zich van de stedelijke eigenschappen meester te maken, ze over te nemen en het inherente potentieel van de stad op verandering door middel van segregatie te vernietigen.

De stad, zoals ze op het einde van de jaren 1960 door Henri Lefebvre geanalyseerd werd, wordt door onoplosbare conflictrijke processen doorkruist, die tot uitdrukking komen in de tegenstrijdigheden tussen industrialisering en urbanisering, tussen groei en ontwikkeling, tussen economische productie en sociaal leven. Henri Lefebvre ziet hoe hij voortdurend tot waar en consumptiegoed getransformeerd wordt en hoe hij in toenemende mate door het dubbele aspect plaats van consumptie en consumptie van plaats gekenmerkt wordt. Plaatsen waarin het ooit bestaande oeuvre nog zichtbaar is, worden, wegens wat ze eens waren, tot consumeerbare plaatsen, tot plaatsen voor het schoonheidsgevoel, het spektakel en het pittoreske. Tegelijkertijd zijn volgens Henri Lefebvre op vele van deze plaatsen waar er een luxueuze consumptie plaatsvindt ook winkelstraten ontstaan en rijen café’s waar toeristen in rondhangen. In de stad, die historisch als oeuvre ontstaan was, wordt vrijwel niet meer gewoond en hij wordt daarom praktisch niet meer begrepen. Hij verdwijnt, en wat overblijft, op een vervreemde en gefragmenteerde wijze, is het urbane. De ontwikkeling van dit geheel formuleert Henri Lefebvre in de hypothese van de volledige verstedelijking van de maatschappij, die hij als utopisch vertrekpunt in ‘La révolution urbaine’ (1970) neemt.

In Lefebvre’s opvattingen bevat het negatieve altijd ook het positieve en aldus bevat het urbane de vervanging van de ruilwaarde door de gebruikswaarde. Tegelijkertijd streeft hij met zijn pleidooi voor het urbane naar de wedertoe-eigening van ruimte en tijd.

 

Stedelijke sociale bewegingen

In zijn werken over de stad ontwikkelde Henri Lefebvre ook zijn concept van Het Recht Op De Stad. Dit recht is voor hem een politiek project, dat op basis van de analyse van het hier en nu als utopie ontwikkeld wordt.

In zijn analyses schrijft Henri Lefebvre in de context van de reproductie van de maatschappelijke verhoudingen aan de staat een centrale rol toe. Enerzijds omdat de staat ruimtes van onderdrukking en hiërarchie produceert, anderzijds zelf product van deze overheersingsverhoudingen is. Lefebvre vat de staat daarbij op als condensatie van maatschappelijke krachtsverhoudingen en als kolonisator van het dagelijks leven.

De door de staat geproduceerde ruimte wordt evenwel met vele vormen van verzet geconfronteerd. Vanaf de jaren 1960 zag Henri Lefebvre bewegingen ontstaan die de stad en de ruimte tot inzet hadden. ‘Deze bewegingen, die zowat overal ter wereld opduiken,’ zo zei hij in 1975 in een interview, ‘staan nog maar aan het begin, zijn gebaseerd op eisen betreffende de ruimte, met name de huisvesting, de buurt, de stad, de sociale voorzieningen, het vervoer. Deze bewegingen hebben nog niet de omvang bereikt van de eisenbewegingen die het werk en de fabriek tot inzet hebben, maar ze winnen aan belang. Overal waar de beweging rond de productie in de werkplaatsen een grote omvang aangenomen en de bovengrens bereikt heeft, versterkt zich de beweging rond het geheel van de ruimte, bijvoorbeeld in Noord-Italië, waar men onder de noemer “burgerlijke ongehoorzaamheid” actie voert met betrekking tot de huurprijs, prijsverhogingen van elektriciteit of verwarming, het vervoer, enz. In de moderne wereld heeft er zich een nieuw fenomeen voorgedaan: de uitbreiding van de klassenstrijd naar de ruimte. We hebben een eerste fenomeen gekend, het meest bekende, dat men tot het verleden rekent, als ik dat zo mag zeggen: de ontwikkeling van de klassenstrijd in het bedrijf en op de werkvloer, met kwalitatieve en kwantitatieve eisen, met de arbeid als inzet. Met de groeiende omvang van de strijd met betrekking tot de ruimte doet er zich momenteel een tweede fenomeen voor: er bestaan geen grenzen meer voor de klassenstrijd, alsof de ruimte van de arbeid het vaderland van de werkers zou vormen en dat de arbeidersklasse enkel in die plaatsen zou moeten actief zijn en zijn invloed zou moeten uitoefenen. De hele maatschappelijke ruimte wordt door deze wereldwijde bewegingen tot inzet van de strijd’ (‘Le temps des méprises’, 1975).

Wie neemt er deel aan deze urbane strijd? Henri Lefebvre: ‘Een zeer groot gedeelte van de bevolking: werkers (arbeiders) maar vooral vrouwen (de vrouwen van deze werkers, die zich dienen bezig te houden met het dagelijks leven, hetgeen een reusachtige taak is als het bovenop een professionele activiteit komt), de “witte boorden” en mensen van het lumpenproletariaat, werklozen, ouderen, maar ook mensen uit de middenklassen, soms “notabelen”. Zij verdedigen een bezit, namelijk de “levenskwaliteit”, een probleem waarvoor zij een oplossing zoeken, omdat ze geïnformeerd zijn. Deze zeer brede bewegingen hebben zeer uiteenlopende doelstellingen, die ze niet altijd bereiken. Het kan voorkomen dat ze van korte duur zijn, maar ook dat ze opduiken als golven van verzet en zich uitbreiden. Ze hebben enkele kenmerken van de spontaneïteit (maar gecultiveerd, geïnformeerd) en ze worden gedragen door oplettende mensen die soms “militeren”. Deze strijd is “klassenstrijd”, indien men deze term niet in een beperkte betekenis wil gebuiken. Ze is veel gevarieerder dan de “industriële” of de “culturele” strijd, ze kan moeilijk, zoals in het kader van het bedrijf, van het werk, of van de productieverhoudingen, tot een type, tot een bijzonderheid, tot een reeks eisen gereduceerd worden. Ze viseert de productiewijze. Ze brengt niet een “klassenbewustzijn” voort maar een bewustzijn van de hele maatschappij. Ze breidt de actiemogelijkheden uit’ (‘De l’Etat, 4’, 1978).

Henri Lefebvre had vanaf het midden van de jaren 1960 duidelijk ingezien dat wat hij ‘klassenstrijd’ noemt niet langer beperkt bleef tot het bedrijf en tot eisen met betrekking tot de arbeid, maar dat ze zich tot heel het maatschappelijk terrein uitgebreid had, met de ruimte tot inzet: huisvesting, vervoer, stadsvernieuwing, buurtleven… Met het begrip Recht Op De Stad wilde Henri Lefebvre deze bewegingen een politiek perspectief bieden.

 

Nieuwe burgerrechten

In een tekst die kort voor zijn dood gepubliceerd werd, pleit Henri Lefebvre ervoor de Rechten van de Mens uit te breiden en te specificeren (‘Du Contrat de citoyenneté’, 1990). Het burgerschap, als bron van verplichtingen (belastingen betalen, zijn bezittingen aangeven, de dienstplicht vervullen, enz.), heeft vanaf het begin haast niets anders teruggekregen dan het stemrecht, d.w.z. het recht om een vertegenwoordiger te kiezen. De hoedanigheid van burger (citoyen) impliceert niettemin andere rechten dan die welke we sedert twee eeuwen hebben zien opduiken (en soms ook weer hebben zien verdwijnen). Henri Lefebvre somt een aantal rechten op die men volgens hem in een nieuw maatschappelijk contract zou moeten neerschrijven, ten einde de vrijheid van de burgers tegenover een machtige overheid en een geldzuchtig bedrijfsleven te vergroten.

Het recht op informatie zou naast de bestaande mogelijkheden van informatieverschaffing en vrije informatieverspreiding ook de controle over de eigen data moeten inhouden. Het statuut van de databanken zou constractueel moeten vastgelegd worden. Het privéleven dient beschermd te worden en tegelijkertijd zou de vervolging van onderzoeksjournalisten moeten stopgezet worden.

Het recht op vrije meningsuiting bevat het recht om tegenover onrecht niet te moeten zwijgen, maar te mogen spreken, schrijven en discussiëren. Mogelijk onrecht dat daaruit zou kunnen voortvloeien zou in geen enkel opzicht de vrije meningsuiting mogen beperken.

Het recht op cultuur staat voor het recht om met volle teugen van kunst, van eenvoudige literatuur tot de hoge kunsten, te kunnen genieten. Dit heeft betrekking op de vrije toegang tot vorming en onderwijs, tot musea en openbare bibliotheken, het betekent het recht op het feest.

Het recht op identiteit binnen het verschil (en de gelijkheid) zal garanderen dat, met erkenning van de verschillen, conflicten kunnen aangepakt worden. Gelijkheid betekent bijgevolg niet de verschillen te overwinnen maar veeleer, met erkenning van de identiteiten, hun de vrije loop te laten. Meer in het bijzonder betekent het respect voor de identiteit binnen het verschil dat alle burgers - en ook de ‘vreemdelingen’ – gelijke politieke rechten moeten krijgen.

Het recht op zelfbeheer houdt een zo groot mogelijke controle over de maatschappelijk geproduceerde goederen en over de levensomstandigheden in, en betekent dus ook het recht om zich de ruimte te kunnen toe-eigenen. Het betekent een verdieping van de democratie.

Het recht op diensten is voor Lefebvre misschien het belangrijkste en tegelijk meest impliciete van alle rechten omdat het burgers uit het isolement haalt en betekenis geeft aan hun verplichtingen. Het recht legitimeert de onbeperkte toegang tot alle openbare diensten, voornamelijk tot het openbaar vervoer. Het houdt het recht in om onafhankelijk van afkomst, ouderdom of geslacht aan het dagelijks leven te kunnen deelnemen en aldus in de dagelijkse praktijk het burgerschap zelf te bepalen.

Henri Lefebvre vat deze opsomming niet als iets definitiefs op maar als een uitgangspunt voor ideeën, interpretaties en initiatieven die de vernieuwing van het politieke leven beogen. Een belangrijke plaats neemt natuurlijk Het Recht Op De Stad in. Met dit recht gaat het voor Henri Lefebvre niet zozeer om een individueel juridisch recht, dat in een grondwet zou moeten verankerd worden, maar om het collectieve recht om de stad op basis van egalitaire beginselen te herstructureren. Hij wil een politieke beweging op gang brengen en strijdbewegingen bundelen. Het Recht Op De Stad is volgens hem een recht dat in de politieke strijd en de maatschappelijke verhoudingen gedefinieerd en geherdefinieerd wordt, wat het tot een politiek project maakt.

 

Zelfbeheer

Wanneer Henri Lefebvre zich tracht voor te stellen hoe concrete maatschappelijke veranderingen eruit zouden kunnen zien, hoe dus de door hem geëiste rechten zouden kunnen verworven worden, dan neemt hij zijn toevlucht tot het begrip zelfbeheer (autogestion).

Henri Lefebvre vat zelfbeheer op als een vorm van directe democratie, als een ononderbroken basisdemocratische praktijk van het dagelijks leven, waarin conflicten en tegenstellingen een voortdurend en nooit afgesloten proces van discussie, zelfkritiek, onderhandelingen en strijd uitlokken. Met de eis van zelfbeheer plaatst Henri Lefebvre zich rechtstreeks tegenover de staat, wil hij een bres in het bestaande systeem slaan, om uiteindelijk de maatschappij in zijn geheel te veranderen. ‘Dit nederige plantje, dat ooit aan de basis in een barst ontsproten is, slaagt erin het hoge staatsgebouw te bedreigen.’ Er zou volgens Lefebvre een netwerk van bewegingen van zelfbeheer in alle geledingen van de maatschappij moeten ontwikkeld worden, zowel binnen productie-eenheden als binnen territoriale eenheden. ‘Zelfbeheer dient opgevat te worden op twee verschillende manieren: als een middel tot strijd dat de weg opent; en als middel voor de reorganisatie van de maatschappij, dat de maatschappij transformeert van de basis tot de top, van het dagelijks leven tot de staat.’ ‘Vermits de staat onbekwaam is om op een vreedzame manier samen te leven met een geradicaliseerd en gegeneraliseerd zelfbeheer, dient het zelfbeheer de staat te onderwerpen aan een democratische controle van de basis. De staat van het zelfbeheer, d.w.z. de staat in wiens kern het zelfbeheer aan macht gewonnen heeft, kan enkel een staat zijn die uitdooft. Bijgevolg kan de partij van het zelfbeheer enkel een partij zijn die de politiek naar zijn eindpunt en naar het einde van de politiek voert, voorbij de politieke democratie.’

Daarbij betekent het begrip zelfbeheer de opening naar het mogelijke. ‘Het toont de praktische weg om het leven te veranderen, hetgeen het parool, het doel en de betekenis van een revolutie blijft’ (‘Autogestion et socialisme’, 1966).

 

Wijkraden

Met zijn concept van het dagelijks leven en het urbane opent Henri Lefebvre de weg voor een alternatieve politiek die niet afgestemd is op de verovering van de staatsmacht maar op de uitbreiding en het zelfbeheer van de publieke ruimtes. Het Recht Op De Stad is een oproep om eigen ruimtes te creëren, om een terrein te openen waarop strijd ook kan gewonnen worden. Het Recht Op De Stad betekent een politieke oriëntering naar de problematiek van de stad en het wonen, naar een politiek die breekt met de huidige ‘democratische’ orde van de natiestaat en van de kapitalistische globaliteit. Het prioritaire beslissingsniveau zou naar het dagelijks leven, dus naar de stad, dienen verschoven te worden. Het Recht Op De Stad levert de mogelijkheid op basis van een politiek project de democratie in het dagelijks leven te plaatsen, voorbij de staat en de globale macht. David Harvey, die op dit punt tracht verder te denken, verwijst in ‘Rebel Cities’ (2013) als mogelijk perspectief naar de in 2006 overleden sociale ecologist Murray Bookchin en diens opvattingen over gemeentelijk zelfbeheer via wijkraden.

Volgens Murray Bookchin (1921-2006) begint politiek in de wijk en in de stad. Hij bekritiseert de representatieve democratie en opteert voor het invoeren van een wijkradenstelsel. Hij wil de bestaande hiërarchische machtspiramide op zijn kop zetten. De macht zou volgens hem moeten berusten bij de in wijkvergaderingen gegroepeerde burgers: zij nemen de beslissingen. Bookchin: ‘De levende cel, de bouwsteen voor elk politiek leven wordt gevormd door de gemeente. […] Enkel op dit niveau kunnen de burgers uitstijgen boven de beperktheid van het private en het familiale leven (een leven dat geroemd wordt omwille van zijn ingekeerdheid en zijn afzondering) en op een spontane manier dié openbare instellingen opbouwen die participatie en gemeenschapsleven garanderen. Kortom, enkel vertrekkende vanuit de gemeente kunnen de mensen hun bestaan als geïsoleerde monaden achter zich laten, zich tot een creatief politiek lichaam ontwikkelen en een betekenisvol vitaal leven uitbouwen, dat zowel een institutionele vorm als een zinvolle inhoud voor de burgers heeft: buurtcomité’s, assemblees, wijkorganisaties, coöperatieven, actiegroepen – dus een openbare ruimte die niet enkel tijdelijk gebruikt wordt, bijvoorbeeld voor demonstraties, maar waar op een permanente manier het gemeenschapsleven vorm gegeven wordt.’

Even belangrijk is voor Bookchin de noodzaak tot confederatie, het onderlinge verband van gemeenten met elkaar door middel van afgevaardigden, die hun opdrachten krijgen van en teruggeroepen kunnen worden door de vergaderingen van de burgers van de gemeenten en wier enige functies van coördinerende en administratieve aard zijn. Bookchin roept dus op tot confedereren, niet van nationale staten, maar van gemeenten - van de deelgemeenten van wereldsteden, net zo goed als van kleinere steden en dorpen. Hij benadrukt het onderscheid tussen beleid en bestuur. Beleid wordt bepaald door de vergadering van vrije burgers van een lokale gemeenschap; besturen geschiedt door federale raden die zijn samengesteld uit gemandateerde, afzetbare afgevaardigden van districten, steden en dorpen. Op die manier blijft de beleidsbepaling lokaal, maar is het bestuur gevestigd in het confederale netwerk als geheel.

De confederale raden ‘vormen het instrument om de dorpen, stadjes, wijken en steden met elkaar te verbinden tot confederale netwerken. De macht stroomt derhalve van onderop naar boven, in plaats van andersom, en in de confederaties neemt de machtsstroom af, al naargelang de omvang van de federale raad, die territoriaal gezien varieert van lokale gemeenschappen tot regio’s en van regio’s tot steeds grotere gebieden. […] Op deze manier kan een gemeenschap haar identiteit en eigen vorm bewaren terwijl zij tegelijkertijd deelneemt en meedeelt in een groter geheel dat een uitgebalanceerde ecologische gemeenschap vormt’ (6). David Harvey besluit dan ook: ‘Bookchins plan is veruit het meest gesofisticeerde radicale plan voor de creatie en het collectieve gebruik van de commons in een brede waaier van mogelijkheden; het kan een waardevolle bijdrage leveren aan de radicale antikapitalistische strijd.’

NOTEN:

1) Onze benadering van Henri Lefebvre is in grote mate beïnvloed door Daniel Mullis, ‘Recht auf die Stadt. Von Selbstverwaltung und radikaler Demokratie’, Münster: Unrast Verlag, 2014. Via www.socialisme21.be kan een bundel sleutelteksten van Henri Lefebvre besteld worden, met een inleiding van David Harvey en een voorwoord van David Dessers, gemeenteraadslid in Leuven.

2)De Situationistische Internationale (1957-1972) was een groepering van kunstenaars en intellectuelen die zowel een artistieke, politieke als sociale revolutie beoogden en de toenemende spectacularisering van de maatschappij aan een kritiek onderwierpen. Belangrijkste publicaties: Raoul Vaneigem, ‘Handboek voor de jonge generatie’ (1967), Amsterdam: Arbeiderspers, 1978; Guy Debord, ‘De spektakelmaatschappij’ (1967), Baarn: Wereldvenster, 1976. Zie ook: René Sanders (red.), ‘Rue Sauvage. Situationistische teksten’, Utrecht: Uitgeverij Spreeuw/Tzara, 1993.

3) De Parijse Commune bestond van 18 maart tot 28 mei 1871 en geldt als een van de eerste pogingen om een radendemocratie op grote schaal in praktijk om te zetten. De Commune richtte zich tegen de conservatieve regering, die wegens de Duits-Franse oorlog (1870-1871) steeds meer onder druk kwam te staan en ze was vooral een revolte tegen de toenemende verarming van de laagste bevolkingsgroepen. Na interne politieke spanningen en de poging om na de nederlaag van Frankrijk Parijs te ontwapenen, kwamen de arbeiders van Parijs in opstand en riepen ze, tegen de wil van de centrale regering in, de Commune uit. Er werden diverse socialistische decreten uitgevaardigd, zoals de collectivisering van een deel van de industrie, loonsverhogingen, het opschorten van huurbestalingen, enz. De Commune werd na 72 dagen door Franse regeringstroepen bloedig neergeslagen – er kwamen omstreeks 30.000 mensen om het leven.

4) Zie: Johny Lenaerts, ‘De situationisten en de stad’, in Buiten de Orde, jaargang 25, nr 3, 2015.

5)De CIAM waren een reeks tussen 1928 en 1959 georganiseerde congressen waarin toonaangevende urbanisten en architecten elkaar troffen om over structureringen van het dagelijks leven in de moderne grootstad te spreken en krachtlijnen uit te werken. Naast architectonische en stedenbouwkundige thema’s hadden de CIAM ook een sociaalpolitiek programma, en werden er concepten voor een ‘woning voor het bestaansminimum’, concepten voor een rationele bouwvorm, of, na de Tweede Wereldoorlog, problemen van de wederopbouw besproken.

6)Murray Bookchin, ‘From Urbanization to Cities. Toward a new Politics of Citizenship’, London/New York: Cassell, 1995. Zie ook: Murray Bookchin, ‘The Next Revolution. Popular Assemblies & the Promise of Direct Democracy’, London/New York: Verso, 2015.