Nog niet zo heel lang geleden werd de wereld niet gedomineerd door instellingen die de belangen van het bedrijfsleven vooropstellen...

Waarom de voorganger van de WTO opzij werd geschoven en in de vergetelheid raakte

Tegenwoordig wordt de wereld van grote internationale instituties gedomineerd door de Wereldbank, het IMF en de WTO. Gezamenlijk vormen zij het gezicht van de heersende neoliberale ideologie. Hun dominante rol in het liberaliseren, privatiseren en dereguleren van markten, bedrijven en sectoren maakt hen vaak tot speerpunt van acties van anders-globalisten.

Deze drie instituties hebben de laatste drie decennia sterk aan invloed gewonnen ten koste van nationale overheden en andere internationale instituten. Een van deze internationale instituties die op een zijspoor is gezet is de UNCTAD (UN Commission on Trade and Development). Deze organisatie maakt direct onderdeel uit van de Verenigde Naties en heeft als taak ontwikkelingslanden te ondersteunen op het gebied van buitenlandse handel en investeringen.

De ideologische grondlegger van de Unctad, Raul Prebbish, verdween uit de economieboekjes van scholen en universiteiten in de jaren tachtig. Een aantal jaar geleden mondde dit uit in een openbare biecht van de invloedrijke Harvard-econoom Dani Rodrik. Tegenover diplomaten, economen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven hekelde hij de ongefundeerde kritiek uit de neoliberale hoek op het gedachtegoed van Prebish. Zelf had hij tot kort daarvoor nooit iets van Prebish gelezen en twijfelde hij of andere economen dit ooit gedaan hadden.

Prebish maakte deel uit van een nieuwe intellectuele en politieke stroming van de jaren vijftig en zestig. De periode van dekolonisatie en de tegenstellingen van de koude oorlog plaatsten het vraagstuk van onderontwikkeling in een nieuw daglicht. De wereldeconomie werd steeds meer gezien als een bedreiging voor minder ontwikkelde landen. Vrijhandel en mondiaal kapitalisme ontwikkelden volgens de dependencia-theorie juist de onderontwikkeling. In deze tijd ontstonden veel radicale en gematigde theorieën en politieke experimenten om onderontwikkeling tegen te gaan. Geheel in tegenstelling tot de huidige marktdogma’s stond een actieve rol van de overheid en het afschermen van de binnenlandse markten centraal. De strategie van importsubstitutie (import vervangen door eigen productie) en staatsbedrijven waren het resultaat.

Vrije handels- en kapitaalstromen in een wereldeconomie die gedomineerd werd door bedrijven uit een klein aantal machtige landen kon alleen leiden tot een verdere ontwikkeling van onderontwikkeling. De technologische voorsprong, de dominante marktpositie en het monopolie op de productie van goederen met een hogere toegevoegde waarde maakte vrijhandel een onmogelijk ontwikkelingstrategie. De bekendste bijdrage van Prebish aan de discussies uit deze tijd is de wet van de verslechterende ruilvoet.

Ruilvoet

Als een land grondstoffen en landbouwprodukten ruilt voor produkten die meer bewerkt zijn zoals industriële produkten, diensten en high-tech apparatuur, dan verslechterd de ruilvoet na verloop van tijd. Dit wil zeggen dat per eenheid grondstof of landbouwprodukt steeds minder andere produkten verkregen kunnen worden. Als eerst een x aantal appels voldoende was om een radio te kopen op de wereldmarkt, verslechtert de ruilvoet na verloop van tijd zodanig dat steeds meer appels nodig zijn voor het zelfde produkt.

Dit effect ontstaat doordat de uitgave aan grondstoffen in het algemeen en landbouwprodukten in het bijzonder niet evenredig meer geconsumeerd worden bij een groeiend inkomen van rijke landen. Het inkomen van het rijke westen is hier van belang omdat hier de meeste export naar toe gaat aangezien daar de koopkracht het hoogst is. Als een rijk land eerst een bepaald gedeelte van haar bruto nationaal produkt (bnp) aan primaire goederen besteedt en vervolgens in tien jaar tijd economische groei doormaakt, dan daalt het relatieve gedeelte wat aan primaire goederen wordt besteed. In absolute aantallen en in geld uitgedrukt kan de waarde van import stijgen maar ten opzichte van de gehele consumptie en produktie neemt het aandeel van importen uit onderontwikkelde landen af. De rijke landen ontwikkelen nieuwe produkten en sectoren die een hogere toegevoegde waarde creëren en dus meer kosten terwijl het aandeel van Derde Wereld-landen steeds verder achterblijft. Dit proces heet de verslechterende ruilvoet en werd door de UNCTAD gezien als een van de pijlers van onderontwikkeling.

Als antwoord bedacht de UNCTAD samen met andere organisaties binnen de VN zoals de CEPAL en de groep van 77 niet-gebonden landen een alternatief handelssysteem. In dit systeem stond de verbetering van de positie van onderontwikkelde landen centraal ten koste van “vrij”handel en de belangen van het rijke westen. Verschillende produkten moesten minimumprijzen krijgen op de wereldmarkt doormiddel van kartels, zoals de OPEC. Hiernaast moesten de rijke landen onderontwikkelde landen lagere invoerheffingen laten betalen dan concurrenten uit rijke landen zodat er een betere toegang tot de markten uit het rijke westen ontstond. Ook moest het rijke westen compensatie betalen voor de achtergestelde positie van de ex kolonies. Geen ontwikkelingshulp uit morele overwegingen maar compensatie voor het koloniale verleden, was het devies.
Dit eisenpakket, gecombineerd met een steeds hogere organisatiegraad van onderontwikkelde landen binnen VN-organisaties was tegen de belangen van het rijke westen. De turbulente jaren zeventig, waarin de macht van kartels van grondstof producenten duidelijk werd tijdens de olie-crisis, werd het grote keerpunt. De nationale en internationale structuren die bestaan hadden sinds de Tweede Wereldoorlog kwamen onder druk te staan van de economische neergang en inflatie (stagflatie). De komst van Thatcher en Reagan betekende de definitieve breuk met het verleden en de opkomst van het turbo-kapitalisme.

De strategie om de groeiende invloed van ontwikkelingslanden binnen de VN te breken was de VN zelf buiten spel te zetten. Dit gebeurde door parallelle instituties meer macht te geven, de financiële middelen terug te schroeven, afdelingen op te heffen en conservatieve personen te benoemen op belangrijke plekken. De Wereldbank en het IMF die voorheen een bescheiden rol hadden gespeeld, kregen plotseling een centrale functie. De schuldencrisis - die mede ontstond door het monetaire beleid van de VS die de rente in korte tijd deed stijgen- gaf de Wereldbank en het IMF een ongekende macht. Overheden van ontwikkelingslanden hadden acute geldnood en konden daardoor gedwongen worden de “adviezen” op te volgen.

De adviezen kwamen in de vorm van structurele aanpassingsprogramma’s (SAP's) en stabilisatie programma’s. De SAP’s hielden in dat de oude structuren van staatsinvloeden, import beperkingen en produceren voor eigen markt moesten worden ontbonden. Hiertegenover stond het exportgeoriënteerde groeimodel. Dit model hield in dat ontwikkelingslanden zich moesten richten op de wereldmarkt en de diversificatie van de eigen economie moesten opgeven . Het privatiseren, dereguleren van markten en het afbouwen van de sociale uitgaven (onderwijs, gezondheidszorg, armoedebestrijding) werd de nieuwe mantra. De gedwongen devaluatie van de munt die de export moest bevorderen, verhoogde ook de buitenlandse schuld in de lokale munteenheid. Westerse banken waren gegarandeerd van een langdurig proces van schuldaflossing met veel rentebetalingen en transnationale ondernemingen (TNC’s) konden door de verhoogde concurrentie van onderontwikkelde landen en de devaluaties goedkoper produkten inkopen.

De UNCTAD die tot dan toe de vraagstukken van handel, investeringen en ontwikkeling had behandeld binnen het kader van VN, werd definitief irrelevant verklaard in het begin van de jaren negentig, bij de finale GATT besprekingen die zouden leiden tot de oprichting van de WTO. De GATT had sinds de tweede wereld oorlog bestaan naast de Wereldbank en het IMF, buiten de directe invloedsfeer van de VN en had als doel het verminderen van handels beperkingen. Uit deze organisatie is de WTO ontstaan met grotere bevoegdheden en een pretentieus programma. De WTO was het resterende internationale kader om handel en investeringen te organiseren volgens de wensen van grote TNC’s uit het rijke westen. Het schrikbeeld van ontwikkelingslanden die zich organiseerden, vrijhandel ter discussie stelden en eisen begonnen te stellen was met de drie instellingen, het WTO de Wereldbank en het IMF, de nek omgedraaid.

De UNCTAD en de VN kunnen belangen van onderontwikkelde landen geen effectieve stem meer geven sinds de komst van de WTO. Dat is ook de hele opzet geweest; het creëren van een organisatie die nationale overheden bindende regels kan opleggen en die gedomineerd wordt door de belangen van transnationale bedrijven. De geschiedenis van de UNCTAD en de groep van 77 niet-gebonden landen die een nieuwe economische orde nastreefden, is uit het collectieve geheugen van de media en de gevestigde orde verdwenen.

De WTO en haar collega-instellingen het IMF en de Wereldbank hebben de radicale krachten binnen de VN succesvol gedemonteerd. Als de progressieve ontwikkelingsstrategieën uit de jaren zestig niet waren tegengehouden, had de wereld van vandaag er anders kunnen uitzien.
Het is vooral te danken aan de golf van privatiseringen, liberaliseringen en de afbraak van handelsbelemmeringen dat transnationale ondernemingen de wereld sterker in haar greep hebben gekregen. Als ontwikkelingslanden hun economie hadden afgeschermd, nationaal georiënteerde economische sectoren hadden opgebouwd, en een ecologisch verantwoorde ontwikkeling hadden nagestreefd, was het speelveld voor grote transnationale ondernemingen kleiner geweest.

Het verdringen van ontwikkelingsstrategieën uit het verleden gaat hand in hand met het negeren van de kritiek van anders globalisten vandaag. Neoliberalisme is de enige kapstok voor ontwikkeling volgens organisaties als de WTO de Wereldbank en het IMF. De heersende dogma’s bij deze machtige instituties verdragen geen fundamentele discussies en verantwoording voor de problemen van vandaag. Daarom zijn de afwijkende instituties uit het verleden in vergetelheid geraakt.

(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door Rodrigo Fernandez.)