De Situationistische Internationale, anders dan haar naam laat vermoeden, is nooit een omvangrijke organisatie geweest. Zij heeft – ‘en dat zeer bewust’ – nooit meer dan 25 tot 30 leden op hetzelfde moment gehad – ‘en dikwijls minder’. In mei ‘68 waren er in Parijs maar een tiental situationisten actief. ‘We hebben gezien dat dat genoeg was’, zo stelden de situationisten achteraf niet zonder enige voldoening vast.

(Door Johny Lenaerts, oorspronkelijk verschenen op DeWereldMorgen)

De overwinning is aan wie chaos

weet te stichten, zonder ervan te houden.’

(Guy Debord, I.S. nr 1, juni 1958)

Op 8 januari 1968 is de Franse minister van Sport en Jeugdzaken op bezoek in de Cité Universitaire van Nanterre om er een nieuw zwembad te openen. Net als de bewindsman zijn toespraak beëindigd heeft, stapt een roodharige jongeman op hem toe, vraagt hem beleefd om een vuurtje, en vaart dan plotseling tegen hem uit: ‘Ik heb uw Witboek over de Jeugd gelezen. Zeshonderd pagina’s onzin! U slaagt er niet eens in over de seksuele problemen van jongeren te praten!’ De sproetige jongeman is Daniel Cohn-Bendit. Hij is de gangmaker van protestdemonstraties tegen de maatregel waardoor mannen- en vrouwenafdelingen binnen de studentenhuizen van elkaar worden gescheiden. Hij zwaait met een brochure met als titel Over de armoede van het studentenmilieu, waarin voorspeld wordt dat de opstand van de jeugd tegen de haar opgelegde levenswijze in feite slechts het voorteken is van een ruimere subversie – ‘die allen zal omvatten voor wie het leven in deze maatschappij steeds meer onmogelijk wordt’.

Nauwelijks drie maanden later breekt er een opstand uit in het Quartier Latin van Parijs. Een week lang wordt er in de straten gevochten. Een wijdverbreide wilde staking overspoelt het land. Talrijke bedrijven worden door de arbeiders bezet. Veertien dagen lang wankelt de staatsmacht. Heel even heerste er een situatie waarin de verbeelding aan de macht was.

De brochure waar Cohn-Bendit mee zwaaide was een uitgave van een curieuze groepering die zich, niet zonder enige ironie, Situationistische Internationale noemde, en een tijdschrift met dezelfde benaming uitgaf. Deze kleine maar zeer actieve groepering was in 1957 door een handjevol kunstenaars en would-be revolutionairen opgericht, en zou in de loop van de jaren zestig de ontluikende verzetsbeweging van de nodige maatschappijkritische ideeën voorzien. Ontstaan als een artistieke avant-garde, die poogde met behulp van experimenten tot een vrije invulling van het dagelijks leven van de mens te komen, zou het zwaartepunt van de activiteit geleidelijk verschuiven naar de theoretische en praktische opbouw van een revolutionaire strijd, om in Frankrijk in de revolte van de jaren zestig een actieve rol te spelen. In 1968 zou zij op het hoogtepunt van haar succes staan. Hetgeen meteen ook haar einde inluidde. In 1972 heft de beweging zich op.

Aan slechte dagen komt een eind

Vanaf het begin van de jaren 1960 – een periode van economische hoogconjunctuur – schrikken de situationisten er niet voor terug te spreken over een ‘nieuwe armoede’: in de arbeid is elke handeling van zin ontdaan, in de vrije tijd worden de individuen gereduceerd tot passieve consumptieslaven. Deze maatschappij atomiseert de mensen tot geïsoleerde consumenten, die niet meer in staat zijn tot creativiteit, zelfs niet meer tot de meest elementaire communicatie. De mensen leiden een passief bestaan, opgesloten binnen het kader van het gezin. Hun leven wordt gedegradeerd tot de zuivere banaliteit van de herhaling, gecombineerd met de verplichte absorptie van een spektakel dat eveneens herhaling is. De maatschappij van de consumptie en van de vrije tijd wordt beleefd als een maatschappij van de lege tijd, als consumptie van leegte.

In het begin van de jaren zestig zien de situationisten iets veranderen bij de jongeren. De kranten schrijven verontwaardigd over de blousons noirs, de in zwarte jekker gehulde nozems, die zelfs de meest lichtgelovigen aan het twijfelen brengen over de kansen om de individuen te kunnen integreren in het model van het gestandaardiseerde leven van de consumptiemaatschappij. Het is omdat zij ‘de volledige mislukking van de omkadering door de maatschappij’ uitdrukken, dat de situationisten de ‘onvoorwaardelijke verdediging’ van deze jongerenbendes op zich nemen, van al hun gewelddadige en gratuite acties in de meest vervreemde wijken van de grootstedelijke nieuwbouwcomplexen. De situationisten stellen zich tot doel om de agressiviteit van de blousons noirs op het vlak van de ideeën over te dragen.

In militante publicaties zoals Socialisme ou Barbarie in Frankrijk of Correspondence in de VS verschijnen er goed gedocumenteerde artikelen over het permanente verzet van de arbeiders op het werk (tegen heel de organisatie van het werk), over de depolitisering, en over de afkeer voor de gebureaucratiseerde vakbonden, die een mechanisme voor de integratie van de werkers in de maatschappij geworden zijn.

Potlach van destructie

In de zomer van 1965 was de zwarte bevolking van Los Angeles in opstand gekomen. Aanleiding was een incident tussen de verkeerspolitie en voorbijgangers, dat op een spontane opstand uitliep. Duizenden soldaten en politieagenten werden in de strijd geworpen om de revolte in de wijk Watts de kop in te drukken. Verscheidene dagen lang werden er regelrechte veldslagen geleverd. De opstandelingen plunderden op grote schaal winkels, en staken ze daarna in brand. Volgens officiële gegevens vielen er 32 doden en werden er 3000 relschoppers gevangen genomen.

De opstand van Watts was de uitloper van de talrijke manifestaties van de zwarte bevolking voor ‘burgerrechten’, die door de leiders in legale banen geleid werden, en waarbij het ergste geweld van de ordehandhavers en de racisten getolereerd werd. De geweldloosheid had haar limiet bereikt. Toch ging het niet om een raciaal conflict. Martin Luther King had zelf moeten toegeven dat dit geen rassenrellen waren, maar klassenrellen. En de situationisten zijn het daarmee eens.

‘De revolte van Los Angeles is een revolte tegen de waar, tegen de wereld van de waar en van de werker-consument die op een hiërarchische wijze onderworpen is aan de wereld van de waar.’ Door de plunderingen van de winkels en warenhuizen wordt volgens de situationisten de onderdrukkende rationaliteit van de waar aan de kant geschoven. De welvaart, die door de consumptiemaatschappij op een uitdagende manier uitgestald wordt, wordt door de zwarten hier en nu opgeëist, zonder daar vervreemde arbeid voor in de plaats te stellen. In de revolte van Watts kwamen volgens de situationsten de echte verlangens tot uiting in het feest, in de ludieke bevestiging, in de potlatch van destructie.

De zwarten van Los Angeles werden beter betaald dan elders in de VS, maar zij zijn volgens de situationisten nog meer dan elders gescheiden van de rijkdom die precies in Californië geëtaleerd wordt. Hollywood, de pijler van het wereldspektakel, bevindt zich in hun nabije omgeving. ‘Men belooft hen dat zij, als ze maar geduld hebben, de Amerikaanse welvaart zullen bereiken, maar zij zien dat deze welvaart geen stabiele factor is, maar een trap zonder einde. Hoe meer ze stijgen, des te verder raken ze verwijderd van de top, omdat ze vanaf het begin benadeeld worden, omdat ze minder geschoold zijn, dus meer werklozen tellen, en uiteindelijk omdat de hiërarchie die hen platdrukt niet enkel die is van de koopkracht als puur economisch feit: zij is een essentiële minderwaardigheid die hen in alle aspecten van het dagelijks leven opgelegd wordt door de gewoontes en de vooroordelen van een maatschappij waarin elke menselijke macht bepaald wordt door de koopkracht.’

Voor het eerst in de geschiedenis gaat het er volgens de situationisten niet om de ellende, maar de materiële overvloed volgens nieuwe wetten te beheersen. ‘De overvloed beheersen betekent dus niet enkel dat de verdeling van de opbrengst gewijzigd wordt, maar dat alle oppervlakkige en diepe oriëntaties opnieuw dienen gedefinieerd te worden.’

Wereldwijd verzet

In het midden van de jaren zestig komt er wereldwijd een verzetsbeweging tegen de gevestigde orde op gang, dat de Amerikaanse oorlogszuchtige politiek in Vietnam tot mikpunt neemt, waarin arbeiders in de VS of in Engeland zich door middel van ‘wilde stakingen’ tegen het gebureaucratiseerde syndicalisme verzetten en revolutionaire bewegingen in de ‘derde wereld’ het imperialisme en neokolonialisme bestrijden.

De situationisten verzetten zich in het bijzonder tegen elke ‘mechanische identificatie met de schijnbare vijanden van zijn reële vijanden’. Net zo min als men zich met de Vietcong kan identificeren, vormen volgens de situationsten noch Rusland noch China een model voor de volkeren van de ‘derde wereld’.

De Chinese ‘Culturele Revolutie’, die in de lente van 1966 ontketend wordt was volgens de situationisten een machtsstrijd tussen rivaliserende fracties van de heersende bureaucratie om de economische oriëntatie die het land zou moeten inslaan, een machtsstrijd die een beweging op gang gebracht had waarbij de leidende klasse in haar geheel betwist werd, en die dus onderdrukt moest worden.

Gelijktijdig met de Chinese crisis vindt er de Israëlisch-Arabische oorlog van 1967 plaats, en breidt de oorlog in Vietnam zich uit. ‘Zoals altijd kan de oorlog, indien het geen burgeroorlog is, enkel maar de ontwikkeling van de sociale revolutie bevriezen,’ zo commentariëren de situationisten. ‘In Israël schakelt zij voor lange tijd elke oppositie tegen het zionisme uit, en in de Arabische landen betekent het de – tijdelijke – versterking van de meest reactionaire lagen. In geen geval kunnen de revolutionaire stromingen zich daarin herkennen.’

Jeppesen Victor Martin

Het is in de context van de opleving van een verzetsgolf die de wereld overspoelt dat de situationisten zelf actief bij een aantal bewegingen betrokken raken. Zij beoefenen daarbij de praktijk van het schandaal, dat zij in het begin van de zestiger jaren bij de nozems waargenomen hadden.

In de loop van 1964 had de Situationistische Internationale in het Spanje van Franco en in Denemarken verschillende verdraaide strips uitgegeven. Het ging om een nieuwe propagandavorm waarin bijvoorbeeld een naakt meisje uit een pornoboekje door middel van een subversief tekstballonnetje zegt: ‘De emancipatie van de arbeiders zal het werk van de arbeiders zelf zijn’, of: ‘Ik ken niets beters dan te slapen met een mijnwerker van Asturias. Dat zijn pas mannen!’ Op die manier werd zowel de zuiver politieke als de morele censuur van de kerk geprovoceerd.

Dit leidde in Denemarken tot een klacht tegen de situationist Jeppesen Victor Martin door de vereniging ‘Morele Herbewapening’. Hij werd beschuldigd van inbreuk op de moraal en de goede zeden, pornografie, smaad aan de Staat en de Deense kroon. Deze beschuldigingen wekten de belangstelling op van de Deense pers, wat maakte dat Martin de activiteiten van de situationisten op grote schaal kon bekendmaken. De beruchtheid die hij daarbij verwierf stond hem korte tijd later toe een van de eerste incidenten te provoceren waarbij de bevolking zich tegen de NATO-troepen keerde.

De Atlantische Verdragsorganisatie had beslist, dat Duitse troepen samen met het Deense leger oefeningen zouden houden in Randers, de plaats waar Martin verbleef. Martin richtte met enkele medestanders een comité op dat opriep om zich met geweld tegen de legeroefeningen te verzetten. Er volgden gevechten tussen de tegenstanders en de Deense soldaten en politie, waardoor de wagens van het Duitse leger de grootste moeite hadden om bij de kazernes te komen. De actie was lonend, want de Duitse regering beloofde om het experiment niet meer te herhalen.

De affaire had evenwel een minder prettige afloop voor Martin: twee dagen na de straatgevechten ontplofte er een krachtige bom in zijn woning – dat als ‘hoofdkwartier’ van de situationisten beschouwd werd – net op het ogenblik dat hij naar buiten ging, en waarbij heel het gebouw in de vlammen opging. Martin werd ogenblikkelijk aangehouden op beschuldiging van terroristische activteiten. Tot men ontdekte dat de bom er geplaatst was door een duistere provocateur in dienst van de Deense politie.

Happenings

De incidenten van Randers vormden voor de Situationistische Internationale de eerste gelegenheid om actief tussenbeide te komen in het jongerenprotest dat in de eerste helft van de zestiger jaren tot ontwikkeling kwam, vooral in de Scandinavische landen en in Nederland.

Om de ware omvang te kunnen inschatten van het schandaal dat Martin en zijn Deense medestanders op gang gebracht hadden dient men voor ogen te houden dat in 1965 in Nederland de provobeweging ontstaan was: een heftige en georganiseerde uitdaging aan de welvaartsmaatschappij en het spektakel. De incidenten van Randers volgden kort op de rellen die de provo’s in maart 1966 in Amsterdam, als protest tegen het huwelijk van Beatrix en Claus, ontketend hadden: na afloop van een protest-happening begonnen jongeren tegen de huwelijksoptocht te ageren, wat uitliep op urenlange gevechten met de politie. Dit werd door de Nederlandse tv uitgezonden, waardoor de provobeweging een weerklank kreeg over heel de wereld.

Haar wekelijkse happenings, die in het begin zeer beperkt waren, groeiden uit tot waarachtige massamanifestaties tegen de repressie van de zogenaamde westerse democratieën. Het protest van de jonge Nederlanders had als eerste doelstelling te provoceren (vandaar de term provo), waarbij de overheid gedwongen werd haar ware gelaat te tonen, het gelaat van botte repressie, in de hoop dat deze schandalen een bewustwording bij de bevolking over hun miserabele levensomstandigheden zou op gang brengen.screen shot 2018 03 13 at 10.41.53

Rellen in Amsterdam, na protest tegen huwelijk Beatrix, 1966

Het was vooral het schandaal van Straatsburg, op het einde van 1966, dat van cruciaal belang zou zijn voor de verspreiding van de situationistische ideeën in Frankrijk en in vele andere landen. De vervelende cursussen beu en afkerig van de bekrompenheid van de linkse jongerengoeperingen, kwamen in de lente van 1966 vijf studenten in Straatsburg op het idee om de door de regering gesteunde studentenbond over te nemen. Ze stelden zich kandidaat voor de studentenverkiezingen en werden dankzij de overweldigende apathie van hun medestudenten verkozen in de bestuursraad. Ze namen contact op met de Situationistische Internationale – en toen gingen de poppen aan het dansen.

Revolte van nihilistische afwijzing

In een elegant gedrukte editie van 10.000 exemplaren verscheen er kort nadien een pamflettair geschrift onder de naam van de officiële studentenvereniging maar in feite geschreven door de situationist Mustapha Khayati. Het had als titel: Over de armoede van het studentenmilieu, beschouwd op haar economische, politieke, psychologische, seksuele en in het bijzonder intellectuele aspecten, en enkele middelen om deze te verbeteren.

miseretudiantMet slogans die aan zinnen van Marx ontleend waren (‘de schaamte nog beschaamder maken door haar openlijk ten toon te spreiden’) vatte het geschrift haast een decennium van situationistische teksten op 28 bladzijden samen, die de draak staken met de universiteit (‘de geïnstutionaliseerde organisatie van de onwetendheid’), de professoren, het ‘idee van Jeugd’ (een kapitalistische ‘reclamemythe’), de ‘beroemdheden van het Onbenul’ (Sartre, Althusser, Barthes), moderne cultuur, en niet te vergeten de arbeidsethiek, de regering, de economie, de kerk en het gezin.

Als de zwijgzame partner van de burgerlijke hegemonie werden traditioneel links en alle uiterst linkse partijtjes naar dezelfde vuilnisbelt verwezen. Er bestond een nieuw proletariaat, niet door arbeid of armoede gedefinieerd, maar bestaande uit ‘iedereen die geen macht heeft over zijn eigen leven en die dit weet’. Er ontstond een nieuwe revolte, gericht tegen de hiërarchie en de ideologie, voor autonomie en een doelgerichte geschiedenis: een oorlog aan de armoede van de waar, voor de rijkdom van de tijd. Deze revolte was nog partieel en verward, verloor zichzelf in ‘pure, nihilistische weigering’ van jongerendelinquentie of in ‘de massale consumptie van drugs’ (‘een uitdrukking van echte armoede en van protest ertegen’). Deze revolte werd zich evenwel meer en meer bewust van zichzelf, zoekend naar haar theorie en haar theorie zoekend naar haar praktijk. Je kon het zien in heel de wereld, zei Khayati: in de westerse wereld in de Free Speech Movement in Berkeley, in Oost-Europa in de geschriften van de dissidenten.

In het najaar van 1966 had het pamflet aan de universiteit van Straatsburg een ware wervelstorm veroorzaakt: er was geen heilig huisje meer dat overeind bleef, lessen werden onderbroken en professoren werden onder kritiek bedolven. Na zes weken van chaos greep de rector in. Hij ontbond de studentenvereniging en stuurde de vijf belhamels weg.

Dit alles had tot gevolg dat het jaar na het schandaal van Straatsburg tussen 250.000 en 300.000 exemplaren – vertalingen inbegrepen – van Over de armoede van het studentenmilieu hun weg naar de lezer vonden. In scholen in Frankrijk werden er kleine groepjes gevormd die zich spiegelden aan het voorbeeld van Staatsburg en geïnteresseerd raakten in de situationisten.

De enragés

In het begin van 1968 kwam in Nanterre, een universiteit van Parijs, een handjevol sympathisanten van de Situationistische Internationale samen. Ze noemden zich de Enragés, naar een radicale fractie van de Franse Revolutie. Ze schilderden slogans op de muren en verstoorden de lessen gedurende twee volle maanden. Vele studenten waren verontwaardigd, sommigen waren begeesterd. Zij grepen, aangevoerd door Cohn-Bendit, de kans om universitaire hervormingen en de integratie van jongens- en meisjeshuisvesting te eisen. Dat veroorzaakte een schandaal. De pers schreef erover.

Er werden massameetings gehouden. Studenten begonnen hun studies te bekritiseren, vervolgens de universiteit, daarna het idee van de universiteit zelf. De Enragés hingen een groot spandoek boven de ingang van de campus: Werk nooit! Spoedig zou dit opgevolgd worden; de agitatie nam toe, de pers kreeg nog meer belangstelling, en op 2 mei besloot de decaan om de universiteit te sluiten. Op dezelfde dag werden er voor 6 mei disciplinaire maatregelen aangekondigd tegen Enragé René Riesel, Cohn-Bendit en zes anderen in de Sorbonne in Parijs - en ‘wat volgde’, schreef de kwaliteitskrant Le Monde in haar verslag over de nacht van 6 mei, ‘overtrof in omvang en geweld alles wat in een reeds verbazingwekkende dag gebeurd was’.

Het conflict, zoals het zich in de komende weken ontplooide, was minder een conflict van mensen in opstand en een regering die haar gezag verloor, als wel een conflict tussen georganiseerde krachten van ordentelijk protest en het verlangen naar ontbinding. De publieke ruimte was plotseling leeg, een vrij veld: praktische voorstellen voor de verdaging van de examens en de liberalisering van de inschrijvingsvoorwaarden tot de universiteit kwamen in botsing met de dolle abstractie van radicale eisen (‘hoe meer je consumeert, des te minder leef je’), slogans die op dat ogenblik helemaal niet zo gek of abstract gevonden werden.

Goed georganiseerde, geweldloze betogingen sloegen over in een heksenketel van traangas en wapenstokken aan de ene kant, stenen, barricades, brandende auto's en molotovcocktails aan de andere kant. Een algemene 24-urenstaking die uitgeroepen werd door de toen machtige Communistische Partij en de communistische vakbond CGT (het voorwendsel was protest tegen het brutale politieoptreden, het motief was loonsverhoging) sloeg over in een algemene wilde staking van tien miljoen arbeiders, met talrijke bedrijfsbezettingen.

Samen met een veertigtal anderen richtte het dozijn Enragés en situationisten (waaronder Debord, Khayati, Riesel en Raoul Vaneigem) de Raad voor het Behoud van de Bezettingen op, dat in enkele weken tijd honderdduizenden exemplaren van hun posters, manifesten en strips over heel het land en, vertaald in een half dozijn talen, over heel de wereld zou verspreiden.

Terugkeer van het proletariaat

De Meirevolte was snel overgeslagen naar alle sectoren van het sociale leven, en bereikte alle controlepunten van het kapitalisme en de bureaucratie. Het feit dat de stakingsbeweging – waar zo’n tien miljoen arbeiders aan deelnamen – zich uitbreidde naar activiteiten die in het verleden altijd ontsnapt waren aan de subversie, bevestigde volgens de situationisten twee van de oudste stellingen van hun analyse: dat de toenemende modernisering van het kapitalisme de proletarisering van steeds grotere lagen van de bevolking veroorzaakt; en dat als de consumptiemaatschappij haar macht tot elk aspect van het leven uitstrekt, het overal een uitbreiding en verdieping van tegenkrachten oproept.

Onder de titel Het begin van een tijdperk (I.S. nr 12, september 1969) analyseerden de situationisten de mei-gebeurtenissen.

De beweging van de bezettingen betekende volgens hen de plotselinge terugkeer van het proletariaat als historische klasse, uitgebreid tot een meerderheid van loontrekkenden van de moderne maatschappij, en nog steeds gericht op de daadwerkelijke opheffing van de klassen en van de loonarbeid. Deze beweging betekende de bewustwording dat men deel nam aan een onomkeerbare gebeurtenis (‘niets zal nog zijn zoals voordien’); de mensen bekeken met genoegen het vreemde bestaan dat zij acht dagen eerder geleid hadden, hun ouderwetse overleven.

Het was de veralgemeende kritiek van alle vervreemdingen, van alle ideologieën en van het geheel van de oude organisatie van het reële leven. In een dergelijke ontwikkeling werd het bezit ontkend, iedereen voelde zich overal thuis. Het verlangen naar dialoog, naar het vrije woord, naar werkelijke gemeenschap had zijn plek gevonden in de gebouwen die open stonden voor ontmoetingen en in de gemeenschappelijke strijd: de telefoons – één van de zeer zeldzame technische middelen die nog werkten – en de omzwervingen van zovele boodschappers en reizigers, naar Parijs en in heel het land, tussen de bezette lokalen, de fabrieken en vergaderingen... waren de dragers van dit reële gebruik van de communicatie.

De beweging van de bezettingen betekende volgens de situationisten de weigering van de vervreemdende arbeid; en dus het feest, het spel. Het was evenzeer de weigering van elke autoriteit, van elke specialisatie, van elke hiërarchische onteigening; de weigering van de staat en dus van de partijen en van de vakbonden, evenzeer als van de sociologen en de professoren, van de repressieve moraal. Al degenen die in een bliksemsnelle ontketening – ‘Snel’ was één van de slogans op de muren – door de beweging ontwaakt waren, misprezen op een radicale manier hun oude levensomstandigheden, en dus ook degenen die hen ertoe aangezet hadden om deze in stand te houden, van de tv-vedettes tot de stadsplanners.

De stalinistische illusies van velen vielen in duigen. De internationale solidariteit leefde spontaan weer op, de vervreemde arbeiders wierpen zich in grote getale in de strijd en talrijke revolutionairen uit Europa doorkruisten Frankrijk. Het belang van de deelname van vrouwen aan alle vormen van strijd is volgens de situationisten een wezenlijk kenmerk van diens revolutionaire diepgang. De bevrijding van de gewoonten zette een grote stap vooruit.

De beweging betekende eveneens de kritiek op de waar en de afwijzing van een kunst ‘die zich nog niet herkende als zijn historische negatie’. Met leedwezen stellen de situationisten vast, dat de overal aanwezige haat voor de reactionairen nog niet de theoretisch-praktische kennis bereikt had om hen te elimineren. Ze stellen het verschijnsel vast van ‘neo-artiesten en politieke neo-directeurs, neo-toeschouwers van de beweging die hen logenstrafte’. Indien ‘de kritiek-van-de-daad van het spektakel van het niet-leven’ nog niet diens revolutionaire opheffing betekende, dan was dat volgens de situationisten te wijten aan het feit dat de radengedachte nog niet diep genoeg doorgedrongen was.

filosofieStudenten als achterhoede

In tegenstelling tot een wijdverbreide opvatting, kan volgens de situationisten de opstand van mei ‘68 niet onder de noemer ‘studenten-beweging’ teruggebracht worden. ‘Het was een revolutionaire proletarische beweging, die na een halve eeuw van verplettering en van daarmee gepaard gaande onteigening opnieuw opdook.’ In plaats van stil te blijven staan bij ‘de historische parodie van de leninistische studenten of Chinese stalinisten die zich verkleedden als proletariërs en meteen als leidende voorhoede van het proletariaat’, moet men volgens de situationisten durven inzien dat het daarentegen de meest geavanceerde fractie van de werkers was, niet georganiseerd en gescheiden door alle mogelijke vormen van repressie, die het voortouw genomen had. ‘De beweging van mei was niet een willekeurige politieke theorie die naar arbeiders zocht om uitgevoerd te worden: het was het handelende proletariaat dat haar theoretisch bewustzijn zocht.’

De sabotage van de universiteit door enkele groepen van revolutionairen – ‘die in feite fervent anti-student waren’ – was volgens de situationisten niet meer dan de aanleiding om vormen van directe strijd te ontwikkelen. Deze directe strijd werd al in de eerste maanden van 1968 door arbeiders, voornamelijk jonge arbeiders, beoefend. ‘De arbeiders, die natuurlijk – zoals altijd en overal – uitstekende motieven hadden om ontevreden te zijn, zijn de wilde staking begonnen omdat ze de revolutionaire situatie aangevoeld hadden die door de nieuwe vormen van sabotage in de universiteit en door de daaropvolgende foute reacties van de regering gecreëerd werd. Zij stonden uiteraard even onverschillig als wij dat waren tegenover de vormen of hervormingen van de universitaire instelling, maar zij stonden zeer duidelijk niet onverschillig tegenover de kritiek van de cultuur, van de situatie en het dagelijkse leven van het ontwikkelde kapitalisme, een kritiek die zo snel uitbreiding nam vanaf de eerste scheur in deze universitaire sluier.’

Na de spontane opstand van 3 mei in het Quartier Latin – ‘het enige crisis-moment dat alleen door de studenten bepaald was’ – was er een toeloop van allerlei arbeiderselementen, die de beweging zouden radicaliseren. Het waren jonge arbeiders, bedienden, nozems en werklozen, opstandige scholieren die dikwijls uit arbeidersgezinnen afkomstig waren, en ook enkele ‘verdwaalde intellectuelen’.

De situationisten hechtten niet de minste waarde aan de vermeende tegenstelling tussen de rebellerende studenten, die de ‘consumptiemaatschappij’ zouden afwijzen, en de arbeiders, die er nog steeds op belust zouden zijn om er toegang tot te krijgen. De consumptie waar men het over heeft is alleen die van de waar, zo stellen de situationisten. Het is een hiërarchische consumptie, die voor iedereen toeneemt, op een manier die tot steeds hiërarchischer verhoudingen leidt. In het verlengde van Guy Debords Spektakelmaatschappij wordt gesteld dat de daling en de vervalsing van de gebruikswaarde in de moderne waar voor iedereen, hoewel in ongelijke mate, duidelijk zijn.

Iedereen beleeft deze spectaculaire en reële warenconsumptie in een fundamentele armoede. De situationisten geven toe dat ook de arbeiders hun leven verspillen met het consumeren van het spektakel, van de passiviteit, van de ideologische en de warenleugen. Maar, zo benadrukken zij, ze koesteren minder dan anderen illusies over de concrete omstandigheden die men hen oplegt, over de prijs van de productie van dat alles.

De situationisten willen niet ontkennen dat een aanzienlijk deel van de Franse studenten, en dan vooral in Parijs, aan de beweging deelgenomen heeft, maar dit kan volgens hen de beweging niet fundamenteel karakteriseren. Als sociale klasse, die eveneens in crisis verkeert, zouden de studenten in Mei 68 niets anders geweest zijn dan de... achterhoede van de beweging.

Arbeidersraden

De revolutionaire opstand van mei ‘68 kwam in botsing met de – toen machtige – Communistische Partij en de vakbonden, die zich ontpopten tot conservatieve krachten. Het bracht, aldus de situationisten, aan de stalinisten de hardste slag toe die ze ooit in het Westen beleefd hadden.

Wat de verschillende sekten van ‘gereanimeerde bolsjewieken’ betreft, is het volgens de situationisten juist te zeggen dat deze decennia lang geen ogenblik gestopt waren met het aantonen van de onvermijdelijkheid van de revolutie... van 1917. ‘Maar ook zij hebben zich vergist: het was niet echt 1917, en zij waren niet helemaal Lenin.’ ‘De ouderwetse ideologen van de kleine linksradicale partijtjes, verheerlijkers van de fouten van een voorbij revolutionair verleden, waren als gewoonlijk niet bepaald toegerust om een moderne beweging te kunnen begrijpen.’

Reeds geruime tijd vóór mei ‘68 benadrukten de situationisten dat een nieuwe start van de revolutionaire proletarische beweging een moderne kritiek vereiste van de nieuwe onderdrukkingsmechanismen en van de nieuwe tegenstellingen die deze veroorzaakten. Terzelfdertijd toonden zij aan dat deze nieuwheid van het kapitalisme, en daarmee verbonden de nieuwheid van diens negatie, ook de oude waarheid van de eertijds verslagen proletarische revolutie moest hervinden.jorn critique 60

De situationisten herontdekten, op een hoger niveau, het project van de opheffing van de klassenmaatschappij evenals de vorm van arbeidersraden als het middel om tot deze opheffing te komen. Ze formuleerden een kritiek op de eigentijdse bestaansvormen die inherent zijn aan een overontwikkeld kapitalisme: de pseudo-overvloed van waren en de reducering van het leven tot spektakel, repressieve stadsplanning en een ideologie die altijd ten dienste staat van de specialisten van de macht.

De rijkdom van de revolutionaire situatie in Frankrijk vond volgens de situationisten zijn uitdrukking in de spontane overname door de arbeiders van een groot aantal kritieken op hiërarchie, de waar, ideologie, overleving en het spektakel. De twee boeken die de situationisten tijdens de laatste weken van 1967 gepubliceerd hadden – De Spektakelmaatschappij van Guy Debord en Handboek voor de jonge generatie van Raoul Vaneigem – vonden een ruime weerklank, zoals overigens al aan de inscripties op de muren van Parijs en elders viel af te lezen. De situationisten hadden niet alleen beschreven wat het spektakel is, maar ook hoe het kan worden bestreden. Uiteindelijk wilden zij niets anders dan de bestaande krachtsverhouding in de bedrijven en op straat omverwerpen.

Wind gezaaid, storm geoogst

De omvang van de revolutionaire crisis had in sterke mate de kapitalistische economie ‘die goed functioneerde’ uit haar evenwicht gebracht. De Franse bourgeoisie had haar vertrouwen in de stabiliteit van het land verloren: op massale schaal vond er kapitaalvlucht plaats. Ook de macht van de Gaulle had in mei de genadeslag gekregen. De slogans van de manifestanten van 13 mei 1968 werden bewaarheid: de Gaulle heeft de elfde verjaardag van zijn machtsovername niet meer meegemaakt. Hij is de vernedering van mei ‘68 nooit te boven gekomen.

Het is volgens de situationisten ook nodig de meirevolte als een internationaal fenomeen te beschouwen, dat in heel Europa, in Amerika en in Japan voortwoekerde. In Mexico brak er tijdens de Olympische Spelen een bloedige opstand uit. In Engeland vond er een grote wilde staking plaats, gericht tegen de regering van louter ondernemers. In Italië ontstond in 1968-1969 een revolutionaire crisis, met talrijke wilde stakingen in de fabrieksbastions van Pirelli in Milaan en van Fiat in Turijn. In Joegoslavië ageerden studenten tegen de bureaucratie en voor het proletarisch zelfbeheer, waarin ook een grote groep arbeiders betrokken was en dat het regime van Tito in gevaar bracht. In Tsjechoslowakije werden Russische tanks ingezet om het regime te redden. Dit bevestigde volgens de situationisten niet alleen de verregaande staat van ontbinding waarin het stalinisme verkeerde, maar het betekende volgens hen ook de doodssteek voor de trotskistische theorie van de ‘bureaucratisch gedeformeerde arbeidersstaten’.

Voor de situationisten is het duidelijk: ‘De Tsjechoslowaakse crisis heeft de vergevorderde staat van ontbinding van het stalinisme bevestigd. Nooit had deze overal zo’n grote rol kunnen spelen in de verbrijzeling van de arbeidersbeweging als het Russische totalitaire bureaucratische model niet verwant zou geweest zijn aan zowel de bureaucratisering van de oude reformistische beweging (Duitse sociaal-democratie en Tweede Internationale), als aan de meer en meer bureaucratische organisatie van de moderne kapitalistische productie.’

De situationisten zagen in de mei-gebeurtenissen ‘het grootste revolutionaire moment dat Frankrijk gekend heeft sinds de Commune van Parijs’. Terugblikkend denken zij vol leedvermaak aan al degenen die wel enige interesse getoond hadden in enkele elementen van hun theorie maar betreurd hadden dat zij hun heil verwacht hadden van een terugkeer van de sociale revolutie, – en deze ‘hypothese’ als ongeloofwaardig van de hand gewezen hadden.

‘We hebben wind gezaaid, we zullen storm oogsten,’ zo hadden de situationisten, niet zonder enige megalomanie, in het begin van de jaren zestig geschreven. Op 1968 kunnen zij met voldoening terugblikken.

De tekst van Johny Lenaerts verscheen eerder in AS.

De foto's van Jean-Claude Seine komen uit het boek Esprit Rebelle. Het boek kan hier online gekocht worden