ImageVolgens Walden Bello is de kapitalistische industriële landbouw, met zijn ontwrichtende destabilisatie en transformatie van land, natuur en sociale relaties, verantwoordelijk voor de huidige voedsel crisis. Dit stuk verscheen eerder op de website van TNI . Vertaling: Tijn van Beurden.

In een passage van zijn boek Food Wars, dat binnenkort verschijnt, bekritiseert Walden Bello de orthodoxe opvattingen van de econoom Paul Collier over de mondiale voedselprijzen crisis. Collier beweert dat er niet genoeg voedsel werd geproduceerd om te voldoen aan de toenemende vraag uit Azië, omdat commerciële landbouw niet werd gestimuleerd in Afrika, de Europese Unie gentech voedsel verbood en door het gebruik van Amerikaans graan voor de productie van biobrandstof.

Bello stelt dat een geglobaliseerd systeem van productie het milieu sterk heeft belast, grote groepen mensen gemarginaliseerd en heeft bijgedragen aan grotere armoede en inkomensongelijkheid in en tussen landen onderling wereldwijd. De voorstanders van een boerenlandbouw wijten de huidige voedselcrisis volgens Bello aan de kapitalistische industriële landbouw, met zijn ontwrichtende destabilisatie en transformatie van land, natuur en sociale relaties. Winstmarges  bepalen waar investeringen zullen plaatsvinden in plaats van ‘de echte behoeftes van de mondiale meerderheid’. 

Het wellicht meest invloedrijke orthodoxe standpunt over de oorzaken, dynamiek en oplossing van de voedselprijzencrisis werd door de Oxford econoom Paul Collier, auteur van het controversiële The Bottom Billion1 geleverd in een artikel dat werd gepubliceerd in Foreign Affairs (2). Collier stelde hierin dat die crisis werd veroorzaakt door een verhoogde vraag naar voedsel in Azië  i.v.m. met de welvaart. Drie problemen veroorzaakten een niet toereikend aanbod: commerciële landbouw werd niet gestimuleerd, vooral in Afrika, het verbod op gentech voedsel in de Europese Unie, en het gebruik van ongeveer een derde deel van het Amerikaanse graan voor de productie van ethanol in plaats van voedsel.

In de jaren '80 en '90 van de 20e eeuw werd algemeen erkend dat de wereld genoeg voedsel had voor zeven of acht miljard mensen, en dat honger en ondervoeding veroorzaakt werden door ongelijke inkomensverdelingen die werden vertaald in ongelijke toegang tot voedsel. Tegen de millenniumwisseling werd het echter een productieprobleem. Maar de diagnose van Collier met betrekking tot het beperkte aanbod laat veel te wensen over. Het gebruik van graan voor de productie van agrobrandstof als oorzaak staat wel vast, maar de twee andere factoren die hij aanwijst, het Europese verbod op gentech voedsel en de beperkte groei van de commerciële landbouw, zijn twijfelachtig.
Om het inmiddels al wat versoepelde Europese gentech-verbod als een hoofdoorzaak van het ontoereikende voedselaanbod te kenmerken is niet oprecht. Het hoofdprobleem van de Europese landbouwproductie was feitelijk de overproductie en dumping die door zware subsidies werden veroorzaakt. Collier voegt daaraan toe dat hij bezorgd is over de gevolgen van het gentech verbod voor de Afrikaanse boeren, doordat ze ontmoedigd worden zich met genetisch gemodificeerd voedsel in te laten door de angst dat hun export Europa niet in mag. Een Nieuwe Groene Revolutie gebaseerd op genetische manipulatie is nodig volgens Collier, omdat de productiviteit van de Afrikaanse landbouw zo laag is mede door het niet meemaken van de eerste Groene Revolutie  in de  jaren '60 en '70 van de 20e eeuw.

Om de landbouwkundige problemen van Afrika toe te schrijven aan het gebrek aan genetische manipulatie zoals Collier doet is op zijn minst merkwaardig te noemen. Verder getuigt zijn achteloos wegwuiven van bezwaren tegen gentech landbouw van een onwetenschappelijke houding ten opzichte van de door critici aangevoerde argumenten tegen invoering van genetische manipulatie in de landbouw. Verder begrijpt hij niet dat de kritische houding tegenover gentech veroorzaakt wordt door de vrij bekende negatieve ecologische en sociale implicaties van de eerste chemisch-intensieve Groene Revolutie. Verder erkent hij niet dat de bezorgdheid over gentech niet abstract is, maar dat de bezwaren goed empirisch gegrond zijn.

Voorstanders van gentech hebben de bezorgdheid niet weg kunnen nemen dat genetisch gemanipuleerd voedsel onverwachte reacties kunnen veroorzaken in mensen, tenzij dit voedsel, dat nooit heeft bestaan en dus niet is geselecteerd voor menselijke consumptie door eeuwenlange evolutie, grondig wordt getest overeenkomstig het algemeen erkende voorzorgsprincipe. Verder hebben ze ook de zorgen niet weg kunnen nemen over de negatieve invloeden die genetische wijzigingen kunnen hebben die bedoeld zijn om bepaalde plagen te bestrijden, op niet beoogde populaties, zoals Bt-maïs op de monarchvlinder. Ook hebben ze de bezorgdheid over het dreigend verlies van biodiversiteit door genetische manipulatie niet kunnen wegnemen. De risico’s zijn niet gering zoals uit het volgende voorbeeld blijkt:

De gevolgen van transgenetische gewassen voor de biodiversiteit overtreffen die van de monoculturen bij de Groene Revolutie. Niet alleen vermindert de diversiteit door het fysieke verlies van soorten, maar ook bestaat het risico van contaminatie en de potentiële mogelijkheid om andere varianten van dezelfde soort te domineren. Bij de contaminatie van een ander commercieel gewas is dat mogelijk niet zo verontrustend, maar het is veel zorgwekkender als contaminatie en uitroeiing optreedt van diverse en onderling subtiel verschillende stammen van een soort die in een lang evolutionair proces zijn gevormd. Zoals de onlangs ontdekte transgenetische contaminatie bij rassen van inheemse maïs in Mexico.(3)

Collier’s pleidooi voor gentech wijkt zelfs af van de mening van de meest orthodoxe experts  op dat gebied. De pas uitgebrachte publicatie IAASTD (International Assessment of Agricultural Knowledge, Science, and Technology for Development) gesponsored door bureaus van de Verenigde Naties, de Wereldbank en andere instituten, ondersteunde gentech niet, maar koos ervoor om in plaats daarvan de aanhoudende twijfels en onzekerheden betreffende de gevolgen voor gezondheid en milieu te belichten.(4)   
De steun van Collier voor een door gentech aangedreven Afrikaanse Groene Revolutie is verbonden met zijn derde stelling, dat het niet ontwikkelen van de  commerciële landbouw in Afrika verantwoordelijk is voor het achterblijvende aanbod,  zodat niet aan de continentale vraag kon worden voldaan. In plaats daarvan ‘hebben de Afrikaanse regeringen grote commerciële landbouwbedrijven verkleind.’(5). Voor Collier is commerciële landbouw, die genetisch gemanipuleerd zaad gebruikt de oplossing voor de voedseltekorten van Afrika. Boerenlandbouw is deel van het probleem. Boeren zijn geen ondernemers en innovatie is voor hun minder belangrijk, bezorgd als ze zijn over voedselveiligheid. Boeren vinden een baan belangrijker dan ondernemerschap, waarvoor maar een paar mensen geschikt zijn. De geschiktste innovatieve ondernemers komen tot hun recht bij commerciële landbouw.
 
‘Onwillige boeren hebben gelijk: Hun productiewijze is ongeschikt voor de moderne landbouwproductie, waar schaalgrootte belangrijk is. In de moderne landbouw ontwikkelt de technologie zich snel, zijn de investeringen hoog, is  private transportinfrastructuur nodig om het gebrek aan publiek voorzieningen te compenseren, worden de snel veranderende    voedselketens voor consumenten het beste verzorgd door geïntegreerde marktsystemen, en kan via betere reguleringsnormen toezicht gehouden worden op het  productieproces.’(6)

Het betoog van Collier heeft tenminste de verdienste dat het in ieder geval een keuze laat, zij het een wat wrange, tussen het kleine boerenbedrijf en de industriële landbouw als oplossing voor de voedselbehoeftes in de wereld. Maar zijn keuze, het ‘Braziliaanse model’ geeft niet echt aanleiding tot enthousiaste reacties, omdat dit model enorme milieubelastingen heeft veroorzaakt. Verder maakt het Braziliaanse landbouwondernemingsmodel deel uit van een grotere mondiale landbouwindustrie, die gekenmerkt wordt door grote agrobedrijven die monopolistische handelsmaatschappijen combineren met langeafstandstransport van voedsel en supermarkten die hoofdzakelijk de mondiale elite en oppermiddenklasse bedienen.

Dit geglobaliseerd productiesysteem heeft het milieu sterk belast, feitelijk grote aantallen mensen gemarginaliseerd en bijgedragen aan grotere armoede en grotere inkomensongelijkheid in landen zelf en wereldwijd tussen landen onderling. Het Braziliaanse model is deel van het probleem, maar Collier is zich alleen bewust van slechts een paar tekortkomingen in het model als hij opmerkt, dat sommigen ‘het Braziliaanse model hebben bekritiseerd voor het verplaatsen van mensen en het verwoesten van oerwoud, wat inderdaad is gebeurd op plaatsen waar de commercialisering niet gereguleerd werd.’(7)

Het meest verbazingwekkende in het betoog van Collieris echter de afwezigheid van enige verwijzing naar extern opgelegde politieke maatregelen die de landbouwkundige capaciteit in een reeks ontwikkelingslanden en overgangseconomieën ernstig verzwakte. Hij merkt op dat een deel van het probleem in Afrika bestond uit de afbraak van publieksgefinancierde researcheenheden, die deel waren van een ‘dikwijls slecht functionerende publieke sector.’ Maar hij laat na erop te wijzen dat die afbraak te wijten was aan de Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP’s) van het IMF en de Wereldbank, die de landbouw systematisch afsneden van overheidshulp. In oktober 2008 bevestigde een rapport van de Wereldbank eenvoudigweg wat anderen al twee decennia hadden beweerd:

‘Het beleid van de bank in de jaren '80 en '90 van de 20e eeuw dwong Afrikaanse regeringen om hun kunstmestsubsidies te verlagen of af te schaffen, prijscontroles op te heffen en te privatiseren, dit alles mag de fiscale discipline verhoogd hebben, maar het heeft niet veel bereikt voor de voedselproductie. Er werd verwacht dat hogere prijzen voor gewassen boeren zou stimuleren meer te produceren, terwijl concurrentie tussen private handelaren de kosten van zaad en kunstmest zou drukken. Maar de marktkrachten hebben dikwijls gefaald om te werken zoals gehoopt.(8)

Het Braziliaanse model en de SAP’s waren nauw aan elkaar verbonden. Beiden waren centrale elementen van een kapitalistische transformatie van landbouw, waarbij het de bedoeling was om lokale voedselsystemen via handelsliberaliseringen te integreren in een mondiaal systeem dat gekenmerkt werd door arbeidsverdeling, die naar zeggen in een grotere efficiency en welvaart zouden resulteren. Collier ziet niet dat de SAP’s de voorhoede waren in dit proces dat probeerde de boeren te vervangen door kapitalistische ondernemers die niet alleen voor de lokale maar ook voor de mondiale markten produceerden, als een stap naar een grootschalige geïntegreerde kapitalistische industriële landbouw. 

Boer of dood? 

In zijn kleinering van kleine boeren staat Collier niet alleen. Veel analisten delen zijn mening, sommigen zelfs met progressieve geloofsbrieven. In zijn veel geprezen boek The Age of Extremes uit 1994 schreef Hobsbawm dat ‘de dood van de kleine boer de meest dramatische en invloedrijkste sociale verandering was in de tweede helft van deze eeuw,’ die ‘ons voorgoed afsloot van de wereld van het verleden.’(9)  

De proclamatie van de dood van hun klasse was voor velen wat prematuur, omdat zoals hij zelf stelde ‘We moeten toegegeven dat...regio’s met kleine boeren  nog steeds de halve mensheid vertegenwoordigen aan het einde van onze periode’.(10) Toch hebben de opvattingen van Hobsbawm een respectabele stamboom. Marx zelf vergeleek kleine boeren met een ‘zak aardappelen’ met  weinig echte solidariteit en nog minder klassenbewustzijn en dus bedoeld voor de schroothoop van de geschiedenis.

Toch weigerden de kleine boeren te sterven zoals was voorzien door Collier, Hobsbawm en Marx. Een jaar voor de publicatie van het boek van Hobsbawm werd zelfs Via Campesina opgericht, en in de daaropvolgend decade zou die federatie van kleine boeren een invloedrijk mondiale speler worden op het gebied van landbouw en handel. De geest van internationalisme en het actief verbinden van de eigen klassenbelangen met algemene maatschappelijke belangen, dat ooit kenmerkend was voor de arbeidersbeweging verscheen nu in de internationale boerenbeweging.

Door de globalisering is het aantal kleine boeren afgenomen en op veel plaatsen bestaat de zelfvoorzienende productie niet meer, die voor boeren gewoonlijk een ontsnapping betekende als ze in moeilijkheden kwamen. In haar studie over ‘verdwijnende kleine boeren’, schrijft Deborah Bryeson dat door snelle globalisering en verwaarloosd achterland, boeren de internationale grenzen passeren en  het mondiale kapitaal van een enorm arbeidsaanbod voorzien. Psychologisch gezien hebben veel van die boeren het idee een stuk land te hebben om op terug te kunnen vallen in slechtere tijden, maar feitelijk ‘worden ze als klasse geconfronteerd met proletarisering door de krachten van de mondiale  markten van grondstoffen en arbeid, in combinatie met onverschilligheid van regeringen.’(11)

Maar het geloof dat het land ligt te wachten als laatste redmiddel, blijft bestaan onder veel arbeiders die voorheen boer waren, waaronder de plattelandsmigranten in China die massaal terugkeren naar het platteland nu de fabrieken sluiten ten gevolge van de zich verspreidende  mondiale recessie.(12) Boeren blijven inderdaad een buitengewone hardnekkigheid tonen om te overleven als klasse, en misschien toont niets dit meer dan de Mexicaanse boeren die maïs blijven planten  voor hun levensonderhoud, ofschoon ze al lang uit de markt zijn geprijsd door de geïmporteerde maïs die door de USA wordt gedumpt. In andere gebieden hebben kleine boeren diegenen die hun ondergang predikten in verwarring gebracht door aan te tonen dat arbeidsintensieve kleine boerderijen veel productiever kunnen zijn dan grote boerderijen. Om maar eens te citeren uit een bekende studie, een Wereldbank rapport over landbouw in Argentinië, Brazilië, Chili, Colombia, en Ecuador laat zien dat kleine boerderijen drie tot veertien keer zo productief per oppervlakte-eenheid waren dan grote boerderijen.(13)

De mogelijk belangrijkste recente ontwikkeling in de lange strijd van de kleine boeren als klasse was dat ze zich internationaal organiseerden om hun belangen te verdedigen tegen de stoomwals van de industriële kapitalistische landbouw. Via Campesina, wat vertaald betekent  de ‘Boeren Weg’, is niet alleen effectief geweest in het voeren van oppositie tegen de WTO, het heeft ook een alternatief paradigma aangeboden voor  landbouwkundige ontwikkeling dat  ‘voedselsoevereiniteit’ wordt genoemd. De analyses en de aantrekkingskracht van groepen als Via Campesina vinden weerklank, omdat de capaciteit van kapitaal om arbeid te absorberen zo beperkt is onder de condities van een onrechtvaardige globalisering. In de laatste jaren is er daarom ook een teruggang naar het platteland van een belangrijk aantal ex-boeren en semi-proletariërs, zoals de ex-stad bewoners die de landbezettingen van de Movimento dos Trabalhadores Rurais Sem Terra ofwel de Beweging van de Landlozen (MST) in Brazilië hebben voortgestuwd.

Niet alleen in het zuiden , maar ook in het noorden zijn we getuigen van boeren en anderen die willen ontsnappen aan de afhankelijkheid van het kapitaal door de oorspronkelijke boerentoestand te herstellen, waar met de natuur gewerkt wordt door midel van beperkte hulpbronnen om zo een onafhankelijkheid te creëren van de krachten van het kapitaal en de markt. De opkomst van stedelijke landbouw, de creatie van netwerken die consumenten verbinden met boeren in een bepaalde regio, de opkomst van nieuwe militante bewegingen die land claimen, dit alles duidt volgens Jan van der Ploeg op een beweging van ‘heragrarisering’  die wordt veroorzaakt door de negatieve dynamiek van het ‘Empire’, die het wil omkeren. Onder de condities van de scherpe globaliseringscrisis, die door velen wordt ervaren als verlies van autonomie, geven ‘de boerenbeginselen, met de nadruk op de opbouw van een autonome en zelfbestuurde hulpbronnenbasis, duidelijk aan hoe verder te gaan.’(14)

Strijdige productieparadigma’s. 


Romantiek zegt Collier, is in progressieve kringen de basis van de toegenomen belangstelling voor kleinschalige landbouw en vormt een alternatief voor de geglobaliseerde landbouw. Hierin wordt hij gesteund door enkele linkse intellectuelen, zoals Henry Bergstein, die de aanhangers van de nieuwe landbouwbewegingen aanduidt als de ‘Nieuwe Populisten’, waarmee hij overeenkomsten suggereert met de Narodniks van prerevolutionair Rusland. Maar hoe hun positie en wisselvalligheden ook worden geanalyseerd door de intellectuelen, waarbij enkelen zelfs aan de term ‘boer’ twijfelen om hen te beschrijven, kleine voedsel producenten krijgen meer bondgenoten, waaronder veel regeringen uit het zuiden. Die landen torpedeerden ook de Doha Ronde van de WTO door koppig vast te houden aan hun verdediging van de ‘Special Safeguard Mechanisms’  (SSMs) tegen landbouwimporten en het aanwijzen van sleutelgrondstoffen als ‘Special Products’ (SPs) om vrijstelling te krijgen van tarief liberalisatie en zo lokale productie te beschermen, waaronder die van veel kleine boeren. Het verzet baseerde zich niet alleen op de niet te verwaarlozen druk die groepen als Via Campesina uitoefenden, maar ook op een steeds groeiend gevoel in officiële kringen, dat de industriële landbouwondernemingen niet de gelegenheid moesten krijgen om de mondiale economie volledig te herstructureren zonder daarvoor verantwoording schuldig te zijn.

In breder verband gezien, is door de toename van het aantal milieucrises, het sociale disfunctioneren van de stedelijk industriële samenleving en de grotere voedselonzekerheid die de industriële landbouw creëert, de ‘boerenweg’ niet alleen relevant voor de boeren maar ook voor iedereen die bedreigd wordt door de catastrofale gevolgen van de mondiale visie van het kapitaal met betrekking tot het inrichten van de productie, gemeenschap en het leven zelf. Al dit ligt ten grondslag aan de ‘boerenromantiek’ waar Collier het zo dikwijls over heeft.
          
De strijd tussen de geglobaliseerde landbouw en de nieuwe boerenbeweging zal gaan over de kwestie dat voedsel onder verschillende paradigma’s wordt geproduceerd, een mondiaal marktgedreven paradigma aan de ene kant en een op de lokale markt gebaseerd paradigma aan de andere kant. Voor mensen als Collier en Bernstein, is het laatste geen oplossing, zeker waar Bernstein stelt dat de ‘aanhangers van de boerenweg geen oog hebben voor voeding van de wereldbevolking, die bijna overal in de moderne tijd zo sterk is gegroeid, mede door de productiviteitsrevoluties van het zich ontwikkelende kapitalisme.’(15)

Aanhangers van de boerenweg bestrijden dit sterk, waarbij ze claimen dat kleine boeren de ruggengraat blijven van de mondiale voedselproductie. Ze vormen meer dan een derde van de wereldbevolking en twee derde van de voedselproducenten op de wereld.(16) Volgens landbouwecoloog Miguel Altieri wijze de feiten uit dat:

‘Miljoenen kleine boeren in het zuidelijke halfrond nog steeds het merendeel van de belangrijkste gewassen produceren  die nodig zijn om de stedelijke en plattelandsbevolking wereldwijd voeden. In Latijns Amerika, produceren ongeveer 17 miljoen boerenbedrijven, die 60,5 miljoen ha omvatten, ofwel 34,5% van het totale cultiveerbare land, met een gemiddelde grootte van 1,8 ha, 51% van de maïs, 77% van de bonen en 61% van de aardappelen voor consumptief gebruik.’(17)
 
Vanuit het gezichtspunt van de verdedigers van de boerenlandbouw, is het de kapitalistische industriële landbouw, met zijn ontwrichtende destabilisatie en transformatie van land, natuur en sociale relaties, die in hoofdzaak verantwoordelijk is voor de huidige voedselcrisis en in sociaal en ecologisch opzicht slechts een uitzichtloos perspectief biedt. Voor kapitaal zijn bijvoorbeeld voedsel, veevoer en agrobrandstof onderling uitwisselbaar als investeringsobject, waarbij winstmarges bepalen waar investeringen moeten plaatsvinden. De echte behoeftes van de meerderheid van de wereldbevolking bevredigen is maar een secundaire overweging, zo die überhaupt al meewegen in de berekeningen. Voor de critici van de kapitalistische landbouw, is het die devaluatie en het omkeren van echte relaties in abstracte relaties van ruil, ook bekend als commodificering, die de kern vormen van de huidige crisis in het voedselsysteem.
----------------------
Dit artikel komt uit het in juli 2009 te verschijnen boek Food Wars, gepubliceerd door Verso. We zijn dankbaar voor de toestemming van Women in Action om dit artikel te publiceren.
                                    
* Walden Bello is fellow van het Transnationaal Instituut, professor sociologie aan de universiteit van de Filippijnen en als senior analist en columnist buitenlandse politiek  verbonden aan het in Bangkok gevestigde  research en rechtsbijstand instituut de Global South.    

Noten:
1) Paul Collier, The Bottom Billion (Oxford: Oxford University Press, 2007).
2) Paul Collier , ‘The Politics of Hunger: How Illusion and Greed Fan the Food Crisis’, Foreign Affairs, Vol. 87, No. 6 (Nov-Dec 2008).
3) Gerardo Otero en Gabriela Pechlaner, ‘Latin American Agriculture, Food, and Biotechnology: Temperate Dietary Pattern Adoption and Unsustainability,’ in Gerardo Otero , ed., Food for the Few: Neoliberal Globalism and Biotechnological Revolution in Latin America (Austin: University of Texas Press, 2008), p. 50.
4)  Lim Li Ching, ‘A new Green Revolution,’ Development, Vol. 51, No. 4  (December 2008), p. 572. De IAASTD is de tegenhanger op agrarisch gebied van het Intergovermental Panel on Climate Change m.b.t. onderwerpen rond de opwarming van de aarde.
5) Paul Collier , ‘The Politics of Hunger: How Illusion and Greed Fan the Food Crisis , ‘Foreign Affairs, Vol 87, No. 6 (Nov-Dec 2008), p.73.
6) Ibid., p.71.
7) Ibid.
8) ‘World bank Neglects African Farming, Study Says,’New York Times, 15 Oct. 2007.
9) Eric Hobsbawm, The Age of Extremes: the Short Twentieth Century, 1914-1991 (Londen: Abacus, 1994), p. 289.
10) Ibid. , p. 291.
11) Deborah Bryceson, ‘Disappearing Peasantries?  Rural Labor Redundancy in the Neo-liberal Era and Beyond,’in Bryceson, C. Kay, and J. Mooij, eds., Disappearing Peasantries (Londen: Intermediate Technology Publications, 2000), p. 313.
12) 101 East, Al Jazeera, 18 dec., 2008.
13) Francis Moore Lappe and Joseph Collins, ‘Why Can’t People Feed Themselves?, in Douglas Boucher, ed., The Paradox of Plenty (Oakland: Food First, 1999), p. 65.
14) Jan van der Ploeg , the New Peasantries (Londen: Earthscan, 2008) p. 276.
15) Henry Bergstein, ‘Agrarian Questions from Transition to Globalization,’in A. Haroon Akram-Lodhi and Cristobal Kay  (New York: Routledge, 2009), p. 255.