Afgelopen week (10/11 november) kwamen de wereldleiders van de G20 bij elkaar in Seoul om de mondiale reactie op de financieel-economische crisis te bespreken. Wat een belangrijke mijlpaal zou moeten worden in het economisch herstel werd in de media geportretteerd als een mislukking. De G20 lidstaten (en dan met name de Verenigde Staten en China) konden het niet eens worden over maatregelen om een valuta-oorlog te voorkomen.

 

(voor origineel en reacties zie originele posting op sargasso.nl)

Maar terwijl de aandacht zich richtte op wereldleiders die aan het ruziën waren over wisselkoersen en handelsoverschotten, hebben ze ook gewoon belangrijke besluiten genomen over de regulering van financiële markten (waar de huidige crisis uiteindelijk begon). De vraag is dus: heeft de G20 de juiste besluiten genomen over financiële regulering? Zijn de aanpassingen in de regulering van banken (het Bazel III Kapitaalakkoord) en andere systeemrelevante financiële instituties stappen in de goede richting?

Om dit te kunnen beoordelen moeten we eerst de financiële crisis van 2007-2009 analyseren om de juiste lessen te trekken. De historische context van deze crisis laat twee belangrijke zaken zien: allereerst de enorme groei en verwevenheid van de financiële sector sinds de jaren 70 (‘financialisering’) en ten tweede de relatie tussen regulering en markten (‘institutionele inbedding van markten’). Deze twee zaken bieden handvatten voor de beleidsmakers van vandaag om het financiële systeem beter te reguleren. Helaas doet de Tweede Kamer niets met deze handvatten, zoals ik hieronder zal betogen.

Financialisering is de vakterm voor de enorme expansie van financiële markten (en daarmee hun toegenomen belang in het dagelijks leven). Sinds de val van het Bretton Woods regime begin jaren zeventig is de regulering van financiële markten stukje bij beetje aangepast om deze enorme groei mogelijk te maken. Barrières tussen landen werden opgeheven om internationale kapitaalstromen vrij baan te geven, harde schotten tussen verschillende financiële sectoren werden afgebroken waardoor consumentenbanken zich in het zakenbankieren konden begeven (een belangrijke oorzaak van de val van ABN Amro) en ook financiële innovaties zoals credit default swaps kregen vrij baan. Dit leidde tot een ongekende expansie van de financiële sector, niet alleen in transactievolume maar ook over geografische en sectorale grenzen. Om een actueel voorbeeld te geven: de nominale waarde van uitstaande derivatencontracten tussen juni 98 en juni 2008 steeg van minder dan 100 biljoen naar bijna 700 biljoen dollar.

Deze financialisering is zeker geen spontane trend (‘There Is No Alternative’), maar een gevolg van aanpassingen in de regulering van het financiële systeem door beleidsmakers. Om te begrijpen hoe het mondiale financiële systeem zich ontwikkelt moeten we dus niet alleen kijken naar de markt zelf, maar ook naar de institutionele inbedding van de markt.

We moeten kijken naar zowel ‘de politiek’ als ‘de economie’. Banken zijn tegelijkertijd actief als marktpartij en als deelnemer in het politieke spel om de regulering dusdanig aan te passen dat winstgevendheid gegarandeerd is. Het is daarbij uiteindelijk aan de Tweede Kamer om het algemeen belang in het oog te houden bij de regulering van financiële markten.

Door deze financialisering van de economie worden de ontwikkelingen in de financiële sector echter steeds belangrijker voor de economische ontwikkeling, en  daarmee kreeg de financiële sector steeds meer zeggenschap in het beleidsproces. Dat combineert nog eens met het idee dat financiële regulering het beste overgelaten kan worden aan onafhankelijke technocraten zoals centrale bankiers. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Commissie de Wit constateerde: “de Kamer heeft voorafgaand aan de crisis te beperkt kritische kanttekeningen geplaatst bij heersende paradigma’s over financiële markten en regulering daarvan (…) Het was daardoor voor de Kamer moeilijk ontwikkelingen effectief te beïnvloeden, en het maakte het besluitvormingsproces ook soms ad-hoc en kwetsbaar voor beïnvloeding door deelbelangen via lobby’s.” Kortom: de Tweede Kamer liet het afweten op dit zo belangrijke terrein.

Het antwoord op de vraag of de G20 de juiste besluiten genomen over financiële regulering is ja en nee. De G20 heeft gerust belangrijke lessen getrokken om de grootte en impact van bepaalde financiële crises te beperken, maar van een fundamentele koerswijziging (bijvoorbeeld inperking van de financialisering) is geen sprake. Typerend is dat de G20 ook besloten heeft dat arme mensen en het MKB meer toegang moeten krijgen tot financiële dienstverlening. Lovenswaardig vanuit ontwikkelingsperspectief, maar ook gewoon een groeimarkt voor banken. Schokkender is de constatering dat de voor- en nadelen van de koers die de G20 nu uitzet vrijwel niet besproken worden door onze volksvertegenwoordigers. Maar intussen worden daar wel de besluiten afgehamerd die bepalen hoe het mondiale financiële systeem er de komende jaren uit ziet. Besluiten waarop Nederland via haar vertegenwoordiging in het Bazelse Comité voor Bankentoezicht, via Wellinks plek in de Financial Stability Board, en via de EU vertegenwoordiging in de G20 makkelijk invloed uit kan oefenen (ook als we niet uitgenodigd worden voor de G20). Je zou zeggen dat de crisis waar we nog midden in zitten duidelijk maakt hoe belangrijk deze beslissingen zijn. De Tweede Kamer schitterde echter in afwezigheid in de aanloop naar de G20 top, te afgeleid door binnenlandse partij-akkevietjes. Het valt blijkbaar nog niet mee de lessen van de eigen Commissie de Wit ter harte te nemen.

Daarom een oproep voor alle Sargasso-lezers: bij gebrek aan parlementair debat voeren we het publieke debat over de juiste regulering van het financiële systeem maar gewoon in de reageerpanelen hier (in de hoop dat de parlementariërs nog wakker worden). Kort door de bocht uw keuze: een Angelsaksische ‘bumpy ride’ met grote winnaars en grote verliezers of een continentaal Europese saaie rit met middelmaat voor iedereen.

-----------------

Jasper Blom is politiek econoom aan de Universiteit van Amsterdam en auteur van het boek De kredietcrisis: een politiek-economisch perspectief