Wanneer Nederland belastingverdragen met ontwikkelingslanden afsluit, worden daarin lagere tarieven afgesproken dan op basis van Nederlands beleid beloofd is. Ontwikkelingslanden lopen hierdoor broodnodige inkomsten mis, en het beleid werkt ook verdragsmisbruik verder in de hand. Dat is de belangrijkste conclusie uit een nieuw onderzoek naar de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid uit 2011, waarin de Nederlandse regering de richtlijnen voor belastingverdragen heeft vastgelegd.

(Bron: Persbericht SOMO)

Nederland heeft met ongeveer honderd landen een bilateraal belastingverdrag afgesloten. Ongeveer een kwart daarvan is met ontwikkelingslanden. Het Nederlandse fiscale verdragsbeleid houdt sinds 2011 “(…) rekening met de specifieke belangen van ontwikkelingslanden door hen de mogelijkheid te geven in eigen middelen te voorzien (…)”. Het beleid stelt verder dat Nederland in verdragen met ontwikkelingslanden akkoord wil gaan met hogere bronheffingen dan in verdragen met niet-ontwikkelingslanden. Een analyse laat echter zien dat bij alle verdragen die sinds 2011 zijn afgesloten of opnieuw zijn onderhandeld nog steeds te lage tarieven worden afgesproken.

Door het grote aantal belastingverdragen dat Nederland heeft afgesloten, en de druk die wordt uitgeoefend om lage tarieven voor (bron)belasting af te spreken, versterkt de Nederlandse praktijk de internationale ‘race to the bottom’. Maarten Hietland: “Hierdoor voelen ook andere landen zich gedwongen lagere belastingtarieven af te spreken, ten koste van inkomsten voor zorg, onderwijs en milieu- en klimaatmaatregelen.”

(Meer informatie en knop voor download rapport hier)