Vandaag, tien jaar na de financiële crisis in Azië, heeft de economie van de landen rond de Stille Oceaan zich nog steeds niet herpakt. Ondertussen nochtans blijft het financieel kapitaal zich verzetten tegen elke vorm van mondiale regulering. Daardoor blijft het gevaar van nieuwe financiële crisissen zeer reëel.

Vertaling: Koen Dille, overgenomen van de website van attac-Vlaanderen .

Weliswaar kent de economie van de landen aan de Westkant van de Stille Oceaan opnieuw een ontegensprekelijke groei, maar die is zeker niet te vergelijken met de situatie van voor de crisis. Men kan er niet omheen dat de regio zwaar getekend werd door die crisis. Alle indicatoren wijzen op grotere armoede, meer ongelijkheid en meer sociale ontwrichting in vergelijking met de periode voor 1997, jaar dat de crisis uitbrak. De pijnlijke hervormingen van de arbeidsmarkt in Zuid-Korea bijvoorbeeld hebben een latente wanhoop bij de mensen gezaaid, waardoor het land nu een van de hoogste suïcidecijfers van de geïndustrialiseerde wereld kent.

Welke mondiale financiële architectuur?

Voorlopig, en ondanks alle mooie woorden over een "nieuwe mondiale financiële architectuur", merken we weinig van enige maatregel ter regulering van de massale kapitaalbewegingen die aan cybersnelheid door de mondiale financiële netwerken flitsen.

Aanhangers van de vrije markt verzekeren dat we ons niet ongerust hoeven te maken. Vol vertrouwen wijzen ze erop dat er zich sinds de financiële krach in Argentinië van 2002 niet één grote crisis heeft voorgedaan. Mensen die beter weten, zoals de Wall Streetspecialist, Robert Rubin, ooit nog Bill Clintons staatssecretaris voor financiën, zijn er echter verre van gerust in, zelfs al verzetten ook zij zich tegen regulering. "Financiële crisissen zijn in de toekomst bijna met zekerheid onvermijdelijk en ze zouden best nog erger kunnen zijn. De markten groeien in omvang, de informatie verspreid zich sneller, de geldstromen worden groter en de handels- en kapitaalmarkten hebben zich nog meer geïntegreerd...Daarbij moet men goed voor ogen houden dat niemand in staat is te voorspellen in welke sector - die van het vastgoed, de economie van de ontwikkelingslanden of welk onderdeel van de economie dan ook - de volgende crisis zal uitbreken." Een recente studie van het Brookings Institution staaft de vrees van Rubin. De laatste dertig jaar hebben er zich inderdaad meer dan honderd financiële crisissen voorgedaan.

De heerschappij van het financieel kapitaal

De bedragen aan speculatief kapitaal die door de mondiale financiële circuits gepompt worden tarten letterlijk elke verbeelding. Volgens het McKinsey Global Institute liep de totale waarde van de financiële activa over de hele wereld in 2005 op tot 140 miljard dollar. Een aanzienlijk deel daarvan kwam van de traditionele handelsbanken. Toch namen de niet-bancaire financiële operatoren, die een zeer belangrijke schakel zijn geworden tussen enerzijds de spaarders of beleggers en anderzijds de investeerders, zo'n 46 miljard voor hun rekening. De speculatieve hefboomfonsen (hedge funds) waren goed voor 1,6 miljard, en de privé beleggingsfondsen sluisden 600 miljoen door het systeem. Deze cijfers, samen met nog andere gegevens werden gepresenteerd door de econoom C.P. Chandrasekhar op een congres met als onderwerp "Een decade later: herstel en aanpassing sinds de Oost-Aziatische crisis", gehouden van 12 tot 14 juli in Bangkok, het epicentrum van de financiële aardverschuiving van 1997.

Sommige analisten schrijven de explosieve groei van financieel kapitaal toe aan de overcapaciteit van de wereldeconomie. Dat zou een verslapping van de investeringsmarkt hebben veroorzaakt in de belangrijkste delen van de wereldeconomie, behalve dan in China en de VSA. In tijden van stagnatie zijn kapitalisten minder geneigd te investeren in bijkomende productiecapaciteit. Ze beleggen hun kapitaal dan liever in meer speculatieve activiteiten, met andere woorden ze proberen nog meer opbrengst uit reeds gerealiseerde waarde te persen. Dat blijkt heel duidelijk uit de verhouding tussen de waarde van de totale mondiale financiële activa en de jaarlijks wereldwijd geproduceerde rijkdom. In 1980 bedroeg die nog 109%. In 2005 was die opgelopen tot 316%. De cijfers komen van het McKinsey Institute en werden geciteerd door Martin Wolf in de Financial Times.

Als methode om waarde te genereren, zijn speculatieve operaties volop bezig de klassieke handel te verdringen. Het dagelijkse volume van pure geldtransacties op de internationale wisselmarkten loopt dagelijks op tot 1,9 miljard dollar. Als je dat vergelijkt met de 9,1 miljard dollar die de handel in goederen en diensten jaarlijks waard is, dan blijkt dat de speculatieve transacties van één enkele dag 20% bedragen van wat de wereldhandel jaarlijks opbrengt! Martin Wolf, een van de coryfeeën van de mondialisering, verwoordt heel nauwkeurig de krachtsverhoudingen tussen de verschillende fracties van het wereldkapitaal, als hij schrijft: "Het nieuwe financiële kapitalisme is de uitbeelding van de triomf van de handelaar in activa op de producent van duurzame waarden."

Tien jaar nadat het IMF en de VSA de schuld van de crisis weten aan wat heette de ondoorzichtigheid van de financiële transacties in de Aziatische landen, is die vertroebeling vandaag algemeen als men kijkt naar de mondiale financiële operaties. Inderdaad, de speculatieve kapitaalbewegingen hebben zich onttrokken aan de greep van de nationale en multinationale reguleringsautoriteiten. Bovenop de traditionele kredietinstrumenten en de klassieke obligaties en aandelen, bestaat er nu een overvloed aan geheel nieuwe, haast esoterische financiële formules, de zogenaamde "derivaten". Die derivaten betekenen in feite de 'financialisering' ofte het kopen en verkopen van alleen het risico van een waardepapier, waarbij dat waardepapier zelf dus niet wordt verhandeld. Tegenwoordig kan om het even welk risico op wat dan ook 'gefinancialiseerd' en verhandeld worden, van koolstofuitstoot tot taks op breedbandverbindingen of weervoorspellingen.

Tegelijk met de opkomst van die meer complexe financiële instrumenten was er die van de hedge funds en de privé beleggingsfondsen (private equity funds) als meest dynamische spelers in dit mondiale casino. Deze hedge funds, die al genoemd werden als de hoofdschuldigen van de Aziatische financiële crisis, zijn vandaag helemaal dolgedraaid. Er zijn er tegenwoordig al zo'n 9.500 en ze nemen zowel korte als lange termijn posities in op de meest uiteenlopende beleggingsmogelijkheden. Hun betrachting is het algemene risico zo klein mogelijk te houden en hun profijt te maximaliseren. De privé beleggingsfondsen hebben het dan weer gemunt op ondernemingen met de uiteindelijke bedoeling ze eerst te controleren, ze vervolgens te herstructureren om ze dan met veel winst opnieuw te verkopen.

Reserves accumuleren als een defensieve strategie

Bij ontstentenis van een mondiaal financieel reguleringsysteem om de wereldwijde financiële wervelwind te temmen, hebben de landen in Azië dan maar zelf maatregelen getroffen om zich te beschermen tegen de onberekenbare speculanten op de wereldmarkt. Die hebben inderdaad de economie in Zuidoost Azië geruïneerd door in een panische reflex zomaar eventjes 100 miljard dollar in 1997, in een paar weken tussen juli en augustus, uit de regio weg te trekken. De landen van de ASEAN1 hebben zich met China, Japan en Zuid-Korea verbonden in de "ASEAN Plus Drie". De bedoeling is een financiële groepering te vormen die de lidstaten in staat stelt om onderling een beroep te doen op hun respectieve financiële reserves in het geval de munt van een van hen, zoals in 1997, bedreigd wordt door speculanten.

Nog belangrijker is dat ze aanzienlijke financiële reserves hebben opgebouwd door grote handelsoverschotten te realiseren. Dat kon omdat ze er voor gezorgd hebben dat hun respectieve munt ondergewaardeerd bleef. Volgens Jozeph Stiglitz2 hebben tussen 2001 en 2005 acht Oost-Aziatische landen (Japan, China, Zuid-Korea, Singapore, Maleisië, Thailand, Indonesië en de Filippijnen) hun totale reserves meer dan verdubbeld, van zo'n 1.000 miljard dollar tot 2,3 duizend miljard. Alleen al de reserves van China, de leider van de groep, worden geschat op meer dan 900 miljard. De tweede grootste is Japan.

Dat heeft een bijzonder paradoxale situatie met zich gebracht. In een mondiale economie die gekenmerkt wordt door een sterke tendens tot stagnatie, zijn China, als producent, en de VSA, als consument, de twee motoren die de wereldeconomie draaiende houden. Maar om de Amerikaanse economie aan de gang te houden is er een bestendige toevloed nodig van kredieten uit China en de andere Oost-Aziatische landen richting VSA, en dit om de Amerikaanse middenklasse in staat te stellen Chinese en Aziatische producten te blijven consumeren. Ondertussen echter gaat dat ten koste van bijvoorbeeld tal van Afrikaanse landen, voor wie dat kapitaal een reële noodzaak is, maar die nauwelijks over financiële reserves beschikken omdat ze onvoldoende kredietwaardig worden geacht.

Het falen van het IMF

Dat de Aziatische landen zulke enorme reserves hebben aangelegd is het rechtstreekse gevolg van hun bittere ervaring met het IMF. In hoofde van de regeringen is de crisis het resultaat van de drievoudige uppercut die het IMF ze heeft toegediend. Eerst heeft het IMF, samen met het Amerikaanse departement van financiën ze onder druk gezet om hun kapitaaltransacties te liberaliseren, wat de uittocht van buitenlands kapitaal makkelijker maakte en dus hun eigen muntstabiliteit ondergroef. Daarna verstrekte het IMF ze voor vele miljarden dollar leningen, niet om hun economie te ondersteunen, maar om buitenlandse crediteuren ter wille te zijn. En dan, toen hun economie begon te wankelen, legde het IMF ze een procyclische politiek3 van besnoeiingen in de overheidsuitgaven op. Het gevolg was dat ze nog sneller in een diepe recessie terecht kwamen.

"Dat nooit meer" werd de slogan van heel wat regeringen. In Thailand kondigde de regering van Thaksin, na in 2003 haar schulden te hebben afbetaald, haar "financiële onafhankelijkheid" van het IMF af. Meteen verklaarde ze nooit meer een beroep op het IMF te zullen doen. Indonesië zal zijn schulden in 2008 hebben afbetaald. De regering van de Filippijnen heeft er van afgezien om opnieuw leningen bij het IMF aan te gaan, terwijl Maleisië het IMF trotseerde door een controle op de kapitaalverrichtingen in te stellen toen de crisis haar hoogtepunt had bereikt.

Ironisch genoeg werd nu het IMF het voornaamste slachtoffer van het debacle van 1997. Deze arrogante instelling, met haar duizendtal elite economen, kwam de ernstige legitimiteit- en geloofwaardigheidcrisis niet meer te boven. In 2002 werd die crisis nog erger, toen ook de beste leerling van de klas, Argentinië, bankroet ging. In 2006 betaalden Argentinië en Brazilië, in navolging van Thailand, al hun schulden af om zo onafhankelijk te worden van de bemoeienissen van het IMF. Uiteindelijk deed Hugo Chavez er nog een laatste schep op met aan te kondigen dat Venezuela het IMF en de Wereldbank zou verlaten.

Wat dus eigenlijk een boycot was vanwege zijn grootste schuldenaars, draaide uit op een budgetcrisis voor het IMF. De laatste decaden werden de IMFtransacties voornamelijk gefinancierd met de terugbetalingen van leningen door de ontwikkelingslanden, eerder dan met de bijdragen van de regeringen uit de rijke lidstaten van het noorden. Maar nu die grote ontleners weigeren om nog verder te lenen, komen de terugbetalingen nog maar druppelsgewijs binnen. Het gevolg van deze ontwikkeling is dat volgens de vooruitzichten van het IMF zelf, de terugbetalingen en de inkomsten uit intresten meer dan gehalveerd zullen worden, namelijk van 3,19 miljard dollar in 2005 tot 1,39 miljard in 2006, en dat ze nogmaals meer dan gehalveerd terug zullen vallen op 635 miljard in 2009. Die inkrimping is er de oorzaak van, zo stelt Ngaire Woods, een IMFspecialist van de Universiteit van Oxford , dat "de begroting van de organisatie zwaar onder druk komt te staan".

Al die gebeurtenissen hebben gemaakt dat het IMF nauwelijks nog enige invloed heeft op de grote ontwikkelingslanden en dat ze hulpeloos rondkijkt naar een nieuwe rol. Maar die afkalvende autoriteit en macht van het IMF wordt niet alleen veroorzaakt door het verzet tegen nog verdere inmenging van het fonds in de zaken van de ontwikkelingslanden. Ook de regering onder president Bush heeft ertoe bijgedragen dat het fonds het moeilijk heeft om een zinvolle rol te spelen in de wereldfinanciën. Bush gebruikte namelijk zijn veto tegen een voorstel van de conservatieve Ann Krueger, de Amerikaanse onderdirecteur van het fonds. Zij stelde voor om een "Sovereign Debt Restrucuring Mechanism4" (SDRM) op te richten. Dat SDRM had de ontwikkelingslanden een moratorium op hun schulden kunnen toestaan. In die tijdspanne zouden ze dan nieuwe terugbetalingsvoorwaarden met hun schuldeisers hebben kunnen negotiëren. Heel wat ontwikkelingslanden vonden zelfs dat voorstel al erg slapjes. Het veto van Washington toonde echter aan dat de entourage van Bush niet bereid was om ook maar de minste controle op de internationale operaties van de Amerikaanse financiële instellingen toe te staan.

De verwerping van het neoliberalisme: Thailand

Niet alleen het IMF is over de nasleep van de crisis gestruikeld. Ook het neoliberalisme, de dominante ideologie van de jaren negentig, heeft klappen gekregen. Maleisië stelde controlemaatregelen in op kapitaaltransacties en stabiliseerde aldus zijn economie. Daardoor kon het beter dan de andere getroffen landen het hoofd bieden aan de recessie, die van 1998 tot 2000 duurde. Thailand echter brak op de meest radicale manier met het neoliberalisme. Eerst onderging de regering van dat land drie jaren van stagnatie. Al die tijd voerde ze trouw de neoliberale voorschriften van het IMF uit. Maar dan kwam de nieuw verkozen regering van Thaksin Shinawatra met een anticyclisch, neo-Keynesiaans vraag stimulerend beleid om de economie opnieuw op de sporen te zetten. Zo bevroor ze de schulden van de landbouwers. Ze financierde een algemene gezondheidszorg en elk dorp kreeg een miljoen bath om een speciaal project te financieren. Ondanks de meest alarmerende voorspellingen vanwege neoliberale economen, hebben die maatregelen bijgedragen tot een matige economische herleving, die sindsdien aangewakkerd werd door een groei van de export als gevolg van China's economische oververhitting.

De financiële crisis van 1997 maakte dat een miljoen Thais in luttele weken onder de armoedegrens zakten. Daardoor keerde de Thaise bevolking zich tegen de neoliberale globalisering. Ook toen de regering met een inkomenssteun aan de lagere klassen de binnenlandse vraag zowel op het platteland als in de steden wilde aanwakkeren, bleef de bevolking gekant tegen de vrije markt. Op 8 januari 2006, ondernamen verschillende duizenden Thailanders een bestorming van het gebouw waar de onderhandelingen plaats vonden voor een FTA5 tussen de VSA en Thailand. De onderhandeling werden opgeschort. Dat eerste minister Thaksin de FTA verdedigde, werd een van de factoren die bijdroegen tot de ondermijning van zijn legitimiteit en wellicht zijn afzetting in september 2006.

Die verzuring tegen de mondialisering liep parallel met de toenemende volkssteun voor een economisch model dat gepromoot werd door de populaire koning Bhumibol. Bekend onder de benaming van 'zelfbedruipende economie' (sufficiency economy), gaat het om een op het binnenland gerichte strategie die de nadruk legt op economische zelfstandigheid van de lagere bevolkingslagen en de versterking van de plaatselijke economische netwerken. Profiterend van de populariteit van de koning zou de militaire junta die Thaksin van de macht heeft verdreven dat model van 'zelfbedruipende economie' als voorwendsel hebben genomen om haar machtsgreep te legitimeren. Zo luidt tenminste de kritiek. Wat er ook van zij, in het huidige Thailand is het begrip 'globalisering' wel degelijk onpopulair.

Opgedrongen neoliberalisme: Zuid-Korea

Terwijl Thailand met het neoliberalisme en het IMF brak, heeft Korea de neoliberale hervormingen die het IMF oplegde bijna letterlijk toegepast. Het land herstructureerde zijn arbeidsmarkt radicaal en liberaliseerde de handel en de investeringen. Volgens de socioloog Chang Kyung Sup "was het afstoten van arbeiders de meest cruciale maatregel om de Zuid-Koreaanse ondernemingen weer vlot te helpen. Zelfs toen de hachelijkste momenten voorbij waren gingen de grootste ondernemingen door met organisatorische en technische herstructureringsmaatregelen die erop gericht waren vooral op arbeid te besparen, waardoor ze zich herpakten en competitieve exporteurs werden op de wereldmarkt."

 

Ooit werd Zuid-Korea aangezien als het land dat zijn economische ontwikkeling bij uitstek op de klassieke activistische wijze aanpakte. In een rapport karakteriseerde de Amerikaanse handelsvertegenwoordiger Zuid-Korea als de "moeilijkste plaats ter wereld" voor Amerikaanse ondernemingen om zaken te doen. Onder IMFvoogdij is Korea's economie nog veel liberaler geworden dan die van Japan. De denationalisatie van Korea's financiële en industriële ondernemingen gebeurde "aan een onthutsende snelheid", vertelde Chang op een congres in Bangkok. Buitenlandse belangen hebben zich voor meer dan 40% ingekocht in de top van Korea's financiële en industriële conglomeraten, de zogenaamde chaebol. Zo is Samsung voor 47% in buitenlandse handen. Bij Posco, een staalbedrijf, is dat voor meer dan 50%, Hyundai Motors 42% en LG Electronics 35 %.

Het IMF bestempelt Korea als "een succesverhaal". De Koreanen echter haten het IMF en verwijzen naar de hoge sociale kostprijs van dit zogenaamde succes. Zo is de armoede scherp gestegen, van 3% van de bevolking in 1996 tot 11, 6 % in 2006. De Ginicoëfficiënt6 is van 0,27 op 0,34 gesprongen. De sociale samenhang brokkelt af: mensen emigreren, gezinnen vallen uit elkaar, echtscheidingen nemen onrustwekkend toe samen met de suïcidecijfers. "Wij zitten opgescheept met één grote ongelukkige samenleving, die terugkijkt op de periode van voor de crisis als op de Gouden Tijd" zegt Chang.

Alles stort in

Wanneer we nu terugblikken dan is het misschien wel waar dat de Aziatische financiële crisis van 1997 het IMF een bijzonder zware klap heeft toegebracht. Maar op het hiervoor genoemde congres in Bangkok stipte de econoom Jayati Ghosh ook aan dat 1997 het einde heeft betekend van het Oost-Aziatische ontwikkelingsmodel. Dat model was er tot dan in geslaagd om zijn economie op een agressieve maar ook zorgvuldig overwogen wijze te integreren in de wereldeconomie, zodanig dat het door de mondiale economische krachten versterkt eerder dan gemarginaliseerd werd. Welke verschillende wegen de landen van Oost-Azië sinds de crisis van 1997 met hun economie zijn ingeslagen, allemaal zijn ze erdoor verzwakt en getekend. Sinds die crisis behoren ze niet meer tot de snelst groeiende ontwikkelingslanden, ze worden niet meer aangehaald als voorbeelden ter navolging. De eenentwintigste eeuw waarvan gezegd was dat ze hun eeuw zou worden, is nu buiten bereik. Na de ramp van 1997 heeft China de fakkel overgenomen. Inderdaad, de verzwakte economie van de kleinere Oost- en Zuidoost-Aziatische landen is in veel grotere mate afhankelijk geworden van het dynamisme van hun gigantische buur.

Walden Bello, lid van het Transnational Institute, is professor in de sociologie aan de Universiteit van Diliman (Filippijnen) en senior analist in het Institute Focus on the Global South in Bangkok.