In de jaren 1960 en 1970 doken er nieuwe of hernieuwde strijdthema’s op in verband met ecologie en antikernenergie, vrouwenrechten en homorechten, antimilitarisme en antiracisme. Men sprak over nieuwe sociale bewegingen. Verstarde marxistische groeperingen noemden het deelbewegingen of secundaire strijd. Want volgens hen moest de zgn. arbeidersbeweging centraal staan. In 1973 maakte Castoriadis de volgende balans op van die beruchte arbeidersbeweging. – Eén voorbehoud: terwijl Castoriadis het marxisme met alle zonden van Israël lijkt op te zadelen, heb ik meer sympathie voor de houding van Murray Bookchin, die de meest vruchtbare elementen uit de anarchistische en de marxistische traditie wil samenbrengen en verder ontwikkelen. (jl)

De kwestie van de arbeidersbeweging en van zijn geschiedenis – waarmee onontwarbaar de kwestie van de politieke en ideologische stromingen verbonden zijn die haar beïnvloed hebben: zgn. utopisch socialisme, marxisme, anarchisme – is voor ons niet louter en ook niet in essentie van theoretische aard. De hedendaagse maatschappij wordt veel sterker door een veralgemeende ontwrichting ondermijnd dan door een economische ‘crisis’, dit wordt door iedereen waargenomen en zelfs de vertegenwoordigers van het systeem geven dit toe. Bijgevolg dient een waarachtig politiek plan doordrongen te zijn van de sociale kwestie en dient deze zich te plaatsen in het perspectief van een radicale maatschappijtransformatie, die dus niet anders kan worden opgevat dan als de historische verderzetting of het herbegin van het revolutionaire project dat door de arbeidersbeweging op gang gebracht werd.

De geschiedenis van de arbeidersbeweging is de geschiedenis van de activiteit van mensen van een socio-economische categorie die door het kapitalisme gecreëerd werd (en van andere categorieën, die samen met hen vochten), waardoor deze categorie getransformeerd werd: ze wordt (en ze beschouwt zich) als een ‘klasse’ in een nieuwe betekenis van de term – ze vormt zich effectief tot een ‘klasse’ waarvan in het nabije of verre verleden geen voorbeeld te vinden is. Ze transformeert zich door de passiviteit, de fragmentering, de concurrentie die het kapitalisme haar wil opleggen te transformeren tot activiteit, solidariteit, collectivering die de betekenis van de kapitalistische collectivisering van de arbeid ondermijnt. In het dagelijks leven, binnen en buiten de fabrieken, ontwikkelt ze steeds opnieuw reacties op de uitbuiting, ze ontwikkelt principes die haaks staan op het kapitalisme, ze creëert originele organisatie- en strijdvormen. Ze tracht zich te organiseren over de grenzen heen en kiest als hymne een lied dat ‘De Internationale’ genoemd wordt. De kapitalistische schande bespaart haar de diepste ellende niet, vervolging, deportaties, gevangenis en bloedvergieten. Op de hoogtepunten van haar geschiedenis creëert ze nieuwe universele instellingen die haar collectieve macht belichamen en ze toont dat ze in staat is te ageren met een stoutmoedigheid en een politieke diepgang die zelden door andere collectieven in de loop van de geschiedenis geëvenaard werden.

Aldus wordt de arbeidersklasse door haar activiteit getransformeerd van object van uitbuiting tot een maatschappelijke kracht die honderdvijftig jaar haar stempel op de geschiedenis gedrukt heeft. Door middel van de directe en indirecte consequenties van haar expliciete en impliciete strijd, door haar constante druk op het systeem, door de noodzaak die ze aan het kapitalisme oplegde om haar reacties te anticiperen en met haar rekening te houden, heeft de arbeidersklasse op haar beurt de kapitalistische maatschappij getransformeerd. Maar het voorlopige ‘resultaat’ van deze transformatie (waar uiteraard ook de ‘eigen’ factoren van het kapitalisme toe bijgedragen hebben, indien we dit onderscheid zouden mogen maken) is de verdwijning van de arbeidersbeweging als authentieke en autonome sociaal-historische kracht. De arbeidersklasse, in de strikte betekenis van de term, is in de landen van het moderne kapitalisme numeriek steeds meer een minderheid, en wat nog belangrijker is: ze manifesteert zich niet langer en werpt zich niet meer op als klasse. Ongetwijfeld wordt, parallel hieraan, haast de hele werkende bevolking getransformeerd tot loonarbeiders; maar wil dat dan niet zeggen dat het niet meer veel zin heeft om in termen van klassen te spreken? Nog minder dan in de ‘objectieve’ situatie van de industriearbeiders schuilt er in die van de loonarbeiders over het algemeen geen revolutionaire voorbeschiktheid. In dit opzicht zijn niet zozeer de descriptieve socio-economische kenmerken van belang maar de activiteit waarmee de mensen, in de sociale plaatsen waar ze zich bevinden, het sociale conflict beleven en erop reageren, en deze activiteit meer bepaald als een sociaal conflict constitueren; van belang zijn de organisatie- en strijdvormen die ze ontwikkelen, de inhoud die ze aan hun strijd geven, tenslotte de capaciteit van deze mensen – al is ze partieel, minoritair, tijdelijk – om de maatschappelijke totaliteit te viseren en om de organisatie en de werking van de maatschappij ter hand te willen nemen.

Vanuit al deze overwegingen is het duidelijk dat men momenteel geen geprivilegieerde rol meer kan toeschrijven aan het proletariaat in zijn traditionele betekenis, noch kan men op een mechanische manier de kenmerken van dit proletariaat uitbreiden tot het geheel van de loonarbeiders, noch kan men tenslotte beweren dat deze loonarbeiders zich als een klasse, zelfs niet in embryonaire vorm, zouden gedragen. De aliënatie van  de huidige kapitalistische maatschappij, de contradicties en de aftakeling van het systeem, de strijd tegen dit systeem in al zijn vormen, worden door alle lagen van de moderne maatschappij, op uitzondering van de leiders aan de top, ervaren tot in hun dagelijks leven. Zowel bij de categorieën van loonarbeiders buiten het industrieproletariaat, bij studenten en jongeren, bij de toenemende vrouwelijke bevolking, bij de fracties van intellectuelen en wetenschappers, bij etnische minderheden – overal vinden we terug wat belangrijk was in de exemplarische strijd van het industrieproletariaat: de kritiek op de specifieke aspecten van de onderdrukkende organisatie van het systeem, hetgeen in potentie de algemene ondergang van dit systeem impliceert. De arbeidersstrijd voor betere arbeidsvoorwaarden ging en gaat nog steeds zeer ver – maar niet verder dan de kritiek op het onderwijssysteem of op de traditionele rol van kennis door studenten, of van het patriarchale gezin door vrouwen en jongeren. In tegenstelling tot deze verschillende strijdvormen had de strijd van het proletariaat enkel een bevoorrechte rol indien ze de belofte inhield dat productie en arbeid in een revolutionaire maatschappijverandering van buitensporig belang zouden zijn. Maar dat is niet het geval (hetgeen niet wil zeggen dat we het mogen afvoeren of verwaarlozen). De verstrengeling van vele aspecten van het sociale leven met de problemen die haar transformatie oproepen sluit uit dat we een centraal en soeverein punt zouden kunnen definiëren dat alle andere zou overheersen. Mocht men wel in een dergelijk punt geloven en het situeren in de productie en de arbeid, dan zou dit marxistische metafysica zijn, zowel in zijn ‘monisme’ als in zijn productivisme, hetgeen niets anders zou betekenen dan de consequentie van het kapitalistisch productivisme. Dat het bedrijf onder het kapitalisme een geprivilegieerde plaats van socialisering geweest is en tot op zekere hoogte nog blijft, is uiteraard juist en belangrijk – maar dat reduceert niet het belang van andere plaatsen van socialisering, plaatsen die reeds bestaan, maar, belangrijker nog, plaatsen die nog dienen gecreëerd te worden. Indien we anderzijds het veel moeilijker aspect van een revolutionaire maatschappijverandering bekijken, dan toont de kwestie van het ter hand nemen van de globale functionering van de maatschappij, de kwestie van de expliciete doelstelling van de maatschappelijke totaliteit, en de ervaring van de afgelopen 25 jaar in de landen van het moderne kapitalisme aan dat de individualisering en de sociale en politieke apathie bij de arbeiderslagen veel groter is dan bij andere.

*

Deze situatie maakt ook een einde aan het marxisme als revolutionaire theoretisch-politieke opvatting en als ideologie dat het probleem van de politieke activiteit onder het kapitalisme pretendeert vorm te geven. Want ze levert er de ultieme interne kritiek op, onafhankelijk van elke louter theoretische kritiek, en zelfs onafhankelijk van het uiteindelijke historische lot van het marxisme als effectieve ideologie van de bureaucratie.

De arbeidersbeweging heeft lange tijd en in vele landen (niet altijd en niet overal) het marxisme op haar weg ontmoet. Deze relatie heeft uiteraard een essentiële rol gespeeld in de evolutie van bepaalde arbeidersbewegingen; ze roept zelfs vele en moeilijke problemen op, waar we hier niet op zullen ingaan. Maar de arbeidersbeweging was niet hetzelfde als het marxisme en het marxisme was niet hetzelfde als de arbeidersbeweging. We kunnen moeilijk ontwaren welke vruchtbare en positieve bijdrage het marxisme aan de arbeidersbeweging geleverd heeft. De kennis van de organisatie en van de functionering van de kapitalistische maatschappij, die, zoals we gezien hebben, reeds tijdens de eerste helft van de 19de eeuw praktisch in de arbeidersbeweging verworven was, werd door het marxisme veeleer vertroebeld door het in het labyrint van een valse wetenschap te leiden; de identiteit van het proletariaat en haar ‘zelfbewustzijn’, dat bezig was vaste vorm aan te nemen, werd door het marxisme verhuld in de metafysisch-mystieke sluier van de ‘historische missie’. Wat in het denken van Marx een vlug verstarde kiem van een nieuwe oriëntatie betekende, dat door de marxisten zelf niet ontcijferd kon worden, is nauwelijks – en met reden – doorgedrongen tot de arbeidersbeweging. Wat daarentegen wèl doordrong was het stelsel, de wetenschappelijk-religieuze catechismus waarmee het marxisme het doorgeefluik van kapitalistische normen naar het proletariaat betekende, het subtiele middel dat het overleven en de heerschappij van de kapitalistische principes op het diepste niveau garandeerde: de plechtige theoretisering van de prioriteit van de productie en de economie, de bekrachtiging van de techniek en van de organisatie van de kapitalistische productie als onoverkomelijk, de verrechtvaardiging van de ongelijkheid van de lonen, scientisme, rationalisme, organisatorische blindheid tegenover de kwestie van de bureaucratie, verheerlijking en doorvoering in de arbeidersbeweging van kapitalistische organisatie- en efficiëntiemodellen – dit zijn slecht enkele van de meest voorkomende thema’s waarin men tegelijkertijd de diepe verankering van het marxisme in de kapitalistische wereld kan ontwaren, de nefaste invloed dat het op de arbeidersbeweging uitgeoefend heeft, hetgeen haar tot de natuurlijke ideologie van de bureaucratie moest maken. Of het hier gaat om een marxisme dat het denken van Marx ‘vervormt’, heeft absoluuut geen belang (zelfs indien dat waar zou zijn, hetgeen niet het geval is): we hebben het hier over het marxisme dat effectief een historische invloed uitgeoefend heeft, het andere  zou in het beste geval enkel tussen de regels van enkele teksten te vinden zijn. Deze thema’s – en bij uitstek het thema dat hen allen domineeert en conditioneert: het bestaan van een theoretische kennis van de maatschappij, van de geschiedenis en van de revolutie, die aan degenen die deze kennis bezitten de garantie van de waarheid verleent en het recht om in elke betekenis van de term te oordelen – hebben er in verre mate toe bijgedragen dat de directe invloeden van de kapitalistische maatschappij - die het proletariaat moest blijven ondergaan - versterkt werden.

We zijn momenteel in staat de sociaal-historische betekenis van deze thema’s te onderkennen en aan te tonen dat ze het vlees en bloed zijn van de wereld die we bestrijden. We weten ook dat het theoretisch stelsel van het marxisme onhoudbaar is, dat haar opvatting over de werking van de maatschappij beperkt en uiteindelijk leugenachtig is, dat haar beroep op een ‘historische missie’ van het proletariaat een mythe is, zoals overigens ook het idee van een historische missie van wat-dan-ook. Maar dat is niet het belangrijkste. Niet volgens de een of andere secundaire implicatie, maar volgens de kern en de beweging van de totaliteit van de ideeën die haar vormen, zou het marxisme enkel beschouwd worden als de ‘bewuste uitdrukking’ van de aspiraties en de activiteiten van een proletariaat dat de enige waarachtig revolutionaire klasse zou zijn en dat het einde van de klassenmaatschappij en de opbouw van een communistische maatschappij zou beogen. Maar zoiets is het marxisme niet en het kan dat ook niet zijn. Op de eerste plaats omdat er niet langer een proletariaat als enige waarachtig revolutionaire klasse bestaat; er bestaat in de maatschappij een proletariaat dat een minderheid groepeert en dat zich niet als een revolutionaire klasse opwerpt (en zelfs niet als ‘klasse’) en waarvan de strijd tegen het wettelijke systeem kwantitatief en kwalitatief niet meer en niet minder belangrijk is dan die van andere sociale lagen. Vervolgens omdat het marxisme momenteel niet de bewuste expressie, noch de expressie als dusdanig, kan zijn van wat deze strijd van het proletariaat of van andere sociale lagen aan revolutionairs kan bezitten; in het beste geval staat het marxisme daar onverschillig tegenover, meestal heimelijk of openlijk vijandig.

Het marxisme kan bijgevolg enkel een ideologie in de sterke betekenis van de term zijn, het aanroepen van fictieve eenheden, van pseudo-rationele constructies en van abstracte principes die in concreto een sociaal-historische praktijk rechtvaardigen en dekken, en waarvan de ware betekenis zich elders bevindt. We denken hier aan de praktijk van een bureaucratie die zijn uitbuiting en zijn totalitaire overheersing aan eenderde van de wereldbevolking oplegt. Je moet werkelijk marxist zijn om dat niet in te zien, om dat als een anekdote af te doen of om dat als een ‘ongelukje’ te beschouwen.

De band – of beter: de vaagheid – die er lange tijd bestaan heeft tussen de arbeidersbeweging, de ideologieën die zich op haar beriepen en het revolutionaire project wordt momenteel van binnenuit ondergraven. Als we ‘met nuchtere ogen’ bekijken wat er zich daarwerkelijk afspeelt, dan dienen we te besluiten dat dit het voorlopige resultaat is van twee eeuwen geschiedenis en van praktische en theoretische strijd. In een mondiale maatschappij die overal op barsten staat, waarin met een ongekende scherpzinnigheid het politieke probleem als een totaal probleem opgeworpen wordt, bevinden we ons nog steeds in het spoor van het revolutionaire project dat door de arbeidersklasse op gang gebracht werd en waarvan de auteur terrein verliest en oplost in vele sociale actoren. We bevinden ons in de paradoxale situatie waarin we steeds beter zien – of op zijn minst menen te zien – wat een radicale sociaal-historische transformatie impliceert en steeds minder wie dat zou moeten doorvoeren.

Maar misschien is de situatie enkel schijnbaar paradoxaal. Wanneer we één actor zouden gaan zoeken die dit project zou kunnen personifiëren – een persoon, een partij, een theorie of zelfs een ‘klasse’ -, dan zouden we nog steeds geen oog hebben voor de vereisten die door een sociaal-historische ontwikkeling gecreëerd worden: de versterking en de verdieping die momenteel door elke revolutionaire activiteit vereist worden. Het revolutionair project heeft enkel betekenis en is enkel reëel indien de overgrote meerderheid van de mannen en vrouwen van de hedendaagse maatschappij erin slagen hun behoeften en hun verlangens te accepteren en op een actieve manier uit te drukken. Er bestaat geen opperste redder en geen enkele afzonderlijke categorie is belast met het heil van de mensheid.

*Uit: Cornelius Castoriadis, ‘L’expérience du mouvement ouvrier, 1. Comment lutter’, Paris: UGE, 1974, pp. 106-114. Vertaling: Johny Lenaerts.

* Een inleiding tot het denken van Castoriadis vind je op www.athene.antenna.nl