Kanttekeningen bij de 'professionele journalist'

In mei dit jaar verscheen er bij Het Spinhuis een boek over journalistiek: 'Een selectieve blik, Zelfcensuur in de Nederlandse media'. Onder redactie van Mirjam Prenger, verbonden aan de Masteropleiding voor Journalistiek van de Universiteit van Amsterdam, schrijven acht van haar (oud-)studenten over uiteenlopende onderwerpen met betrekking tot het centrale thema zelfcensuur. Zelfcensuur wordt hier breed omschreven als het niet of in aangepaste vorm publiceren van een in essentie nieuwswaardig feit. De onderwerpen in de bundel variëren van berichtgeving rondom het koningshuis en al dan niet achtergestelde Marokkaanse probleemjongeren in Amsterdam tot de problemen van nieuwsgaring met betrekking tot de oorlog in Irak en het Palestijns-Israëlisch conflict. Dwars door deze thema's heen komen verschillende aspecten en vormen van zelfcensuur aan bod. Zo wordt er geschreven over de belemmeringen die het maatschappelijk-ideologische en het politieke klimaat vormen voor onafhankelijke journalistiek en is er aandacht voor de praktische kant van het journalistieke bedrijf. Dit kunnen allemaal obstakels zijn voor professionele journalistiek.

Ondanks deze belemmeringen bestaat de taakbeschrijving en het ideaaltypische beeld van de professionele journalist eruit in volledige onafhankelijkheid keuzes te maken omtrent het publiceren van nieuwswaardige feiten. In werkelijkheid is de dagelijkse praktijk anders, zo oordeelt Prenger. Zelfcensuur is geen uitzondering. Op de achterflap van haar boek staat: 'Elke journalist functioneert binnen een krachtenveld van belangen en invloeden. Dat leidt er soms toe dat een nieuwswaardig onderwerp onvolledig, eenzijdig of zelfs helemaal niet voor het daglicht wordt gebracht.' Daaraan wordt een vraag gekoppeld: 'Hoe staat het met de zelfcensuur van de Nederlandse media?' Deze vraag staat centraal in deze bundel die, dat moet gezegd, een verkennend karakter heeft. Er is, helaas, maar weinig onderzoek gedaan naar zelfcensuur in de Nederlandse media.

Hoewel de verschillende artikelen in deze bundel allemaal lezenswaardig zijn, wil ik in deze recensie vooral stilstaan bij de laatste tekst die een weergave is van de bevindingen van een enquête onder hoofdredacteuren van landelijke nieuwsmedia naar hun ervaringen met zelfcensuur als gevolg van externe druk. Dit doe ik omdat de uitkomsten van de enquête opmerkelijk zijn en het artikel in de bundel niet de aandacht krijgt die het mijns inziens verdient. De externe druk, die in het artikel centraal staat, wordt onderverdeeld in politieke druk, commerciële druk en anonieme bedreigingen. Laatstgenoemde zou vooral na de moord op Pim Fortuyn fors zijn toegenomen. Dat vond plaats binnen het verharde politieke klimaat dat na de moord ontstond en de daderrol die bepaalde media opgedrongen kregen. Ik laat deze vorm van externe druk hier verder rusten.

Sara Berkeljon, de auteur van het artikel, benadrukt met betrekking tot politieke druk dat voor deze enquête uitsluitend hoofdredacteuren zijn geïnterviewd: 'Het is waarschijnlijk dat de meeste politieke druk wordt uitgeoefend op verslaggevers van politieke redacties. Zij hebben immers dagelijks te maken met onderhandelingen met politici en hun woordvoerders.' De uitkomsten van het onderzoek kunnen hier dus enigszins een vertekend beeld geven. De onderzoeksresultaten liegen er desondanks niet om. Vijftig procent van de ondervraagden geeft aan wel eens toe te (hebben) geven aan politieke druk. Een merkwaardig hoog percentage. Bart Brouwers, hoofdredacteur van gratis dagblad De Sp!ts denkt een goede verklaring te hebben voor het toegeven aan politieke druk. Hij vertelde Berkeljon: 'Als je echt alles schrijft wat je wilt schrijven is dat misschien wel journalistiek verantwoord, maar je bronnen drogen op.' Als je alles schrijft willen politici je soms niet meer te woord staan. Dat is een journalistiek probleem. Brouwers trekt hieruit de conclusie dat 'alles schrijven wat je wilt' hierom geen betere journalistiek oplevert. Brouwers heeft gelijk dat wanneer de journalist geheel onafhankelijk te werk gaat de bronnen kunnen opdrogen. De conclusie die hij hieruit trekt, het af en toe toegeven aan politieke druk om de bron te behouden en zo uiteindelijk betere journalistiek te bedrijven, is echter onjuist. Betere journalistiek is namelijk onafhankelijke journalistiek, journalistiek die tegemoet komt aan het ideaaltypische beeld dat ervan bestaat. Betere journalistiek zou er in dit geval dus uit bestaan niet de bron te benaderen, maar uit te leggen waarom de bron niet meer benaderd wil worden. Dat zou tegelijk ook eerlijkere journalistiek zijn.

Met betrekking tot de commerciële druk valt de score van het onderzoek nog hoger uit. Van de geënquêteerde geeft zestig procent aan wel eens rekening te houden met deze vorm van externe druk. Nieuwswaardige feiten worden dan dus simpelweg niet of in aangepaste vorm gepubliceerd. Vaak gebeurt dit onder dreiging van de kant van een adverteerder om een advertentie in te trekken. Berkeljon: 'Een kwart van de hoofdredacteuren zegt dat financiële motieven wel eens meespelen bij de beslissing om gehoor te geven aan druk van andere belanghebbenden. Bijna alle respondenten (95 procent) zegt te denken dat de Nederlandse media in het algemeen in enige mate door andere belanghebbenden worden beïnvloed.'

In het licht van recente ontwikkelingen krijgen deze percentages een hernieuwde urgentie. Door teruglopende abonnementsinkomsten moet er een gat gevuld worden in de begroting van nieuwsmedia. Adverteerders zorgen er hier voor dat de begroting weer passend wordt. Bij de landelijke dagbladen resulteert dit, naast een grotere financiële afhankelijkheid, in 'advertentievriendelijke bijlagen'. Zo wordt er bewust ruimte gecreëerd voor adverteerders. Bij gratis kranten is de afhankelijkheid van commerciële partijen nog vele malen groter. Het is hier vrijwel de enige inkomstenbron. Dit brengt de onafhankelijke status van de redactie enorm in gevaar. Nogmaals Brouwers: 'Bij betaalde kranten is er van oudsher een ondoordringbare muur tussen redactie en commercie. Bij (De Sp!ts) is die muur compleet weg. De salesafdeling zit hier letterlijk in dezelfde ruimte, dus er is veel contact en overleg. Dat zou ertoe kunnen leiden dat er milder over bepaalde bedrijven wordt geschreven.' Berkeljon concludeert dan ook: 'Hoofdredacteuren geven toe soepeler te worden ten aanzien van adverteerders en soms zelfs onverkort met hun belangen rekening te houden.' Als je alles schrijft wat je wilt op de politieke redactie drogen kennelijk je bronnen op. Dat wil niet zeggen dat je daarbuiten alles kunt schrijven wat je wilt. Doe je dit toch, dan drogen kennelijk ook je financiële bronnen op.

De mate waarin met externe druk vanuit politieke en commerciële hoek rekening gehouden wordt zodat nieuwswaardige feiten niet worden gepubliceerd of in aangepaste vorm is indrukwekkend. De ideaaltypische journalist, de professionele journalist staat hier onder druk. De zeven andere hoofdstukken die het boek rijk is, kunnen gelezen worden als een verdere problematisering van de professionele journalist. Zelfcensuur als gevolg van politieke en commerciële druk is slechts het topje van de ijsberg, aldus Prenger.

Mirjam Prenger (red.) 'Een selectieve blik, Zelfcensuur in de Nederlandse journalistiek' (Apeldoorn/Antwerpen 2007, uitgegeven door Het Spinhuis). ISBN 9789055892884.