De film betreft, de naam zegt het al, een rechtbankdrama. Maar wel over een waargebeurde politieke rel en idem beweging. Op het hoogtepunt van de Amerikaanse aanval op Vietnam (zoals die oorlog beter genaamd kan worden) probeerden allerlei actiegroepen een einde van de oorlog te eisen tijdens de Democratische conventie in augustus 1968.

(Door Kees Stad, globalinfo.nl)

De acties in Chicago waren eigenlijk een mislukking. Er kwamen veel minder mensen dan de organisatoren verwacht hadden en te weinig mensen om wat tegen de conventie te kunnen bereiken, die door een enorme politiemacht werd bewaakt. Dat veel mensen wegbleven - sommige andere anti-oorlogsprotesten trokken toen al tienduizenden mensen - lag onder andere aan het in toenemende mate gezwollen militante taalgebruik van de radicalere groepen, en de verzekering van de autoriteiten in Chicago om alle protest hardhandig te onderdrukken. Om die reden werd er ook geen toestemming gegeven voor de demonstraties, actiekampen en concerten die gepland waren.

De aartsconservatieve burgemeester van Chicago Richard Daley, democraat overigens, en zijn politiemacht, hadden een lange geschiedenis van repressie tegen politieke groepen. Ook de recente geschiedenis was zeer gewelddadig geweest. In april van datzelfde jaar was Martin Luther King doodgeschoten in Memphis, waarna in alle steden in de VS hevig rellen uitbraken. Een maand later werd ook Robert Kennedy doodgeschoten, die bijna zeker de Democratische kandidaat voor de komende verkiezingen zou zijn. Hoe dan ook, de demonstraties werden niet het massale spektakel dat de organisatoren hadden gehoopt. Veel van de bands die hadden toegezegd, durfden het niet aan om op te treden.

De democraten waren toen ook landelijk aan de macht; president was LB Johnson, die de oorlog in Vietnam flink had laten opvoeren. Vlak voor de verkiezingen maakte hij de verrassende bekendmaking dat hij niet kandidaat zou staan voor de democraten. Dat werd, in die befaamde conventie in Chicago, de conservatieve Hubert Humphrey, vicepresident onder LBJ en de garantie dat er niets zou veranderen.

Hij verloor trouwens de verkiezingen, nipt met een half procent verschil, van de Republikein Richard Nixon, die later door Watergate zou moeten aftreden. Dat hij verloor had trouwens vooral te maken met het feit dat een collega-democraat de stemmen in het zuiden wegkaapte door als onafhankelijke derde kandidaat deel te nemen. Vier jaar later zou Nixon, midden in het watergateschandaal, de herverkiezing wel ruimschoots winnen van een veel linksere democraat die wel een einde aan de oorlog had willen maken, George Mcgovern. Nixon haalde meer dan 60 procent, een uitslag die mede verklaart waarom jaren later een groot deel van de democraten niets zou willen weten van Bernie Sanders. Maar daar gaat de film al helemaal niet over.

Maar eerst moest Humphrey nog officieel kandidaat worden, in Chicago, en daarvoor waren alle kaarten in Chicago geschud en precies daartegen richtten de acties zich waar de rechtszaak over ging die in de film centraal staat. De acties werden een bloedbad, en het was meteen duidelijk dat de politie daar op aanstuurde. Een officieel onderzoek van het ministerie van Justitie, dat geleid werd door Ramsey Clark, wees dat ook uit. Om die reden had Clark geen vervolging in willen stellen tegen de acht. Zijn vervanger, de rabiaat rechtse John Mitchell wilde dat juist perse wel, en dat wordt in de film mooi in beeld gebracht. De verdediging van de acht (later zeven) probeert Ramsey Clark te laten getuigen, en Clark wil dat graag, maar wordt door de aanklagers en de rechter gefrustreerd.

Minister van Justitie Mitchell wil de acht/zeven perse vervolgen wegens ‘conspiracy’ (samenzwering) en haalt daarvoor een omstreden wetje uit de kast die het strafbaar maakt om over de deelstaatgrenzen te reizen om een rel te organiseren. Dit zou vergaande gevolgen hebben voor toekomstige demonstraties tegen de oorlog en om die reden is het proces groot nieuws.

Acht aangeklaagden

De acht mannen (!) die wegens de gebeurtenissen in Chicago voor de rechter worden gedaagd, zouden representatief zijn voor de verschillende groepen demonstranten. De enige zwarte, Bobby Seale van de Black Panters, wordt als enige van de acht gevangen gehouden. Hij wordt beschuldigd van een schietpartij elders, waarvan later bewezen wordt dat hij er niets mee te maken had. Hij wil een eigen advocaat, die geweigerd wordt door de rechter (hij is tijdelijk uitgeschakeld door een operatie, en Seale wilde daarom uitstel, wat hem niet gegund wordt). Daarna mag hij ook zichzelf niet verdedigen en als hij daartegen protesteert, wordt hij op een gruwelijke manier geboeid en met een prop in de mond in de beklaagdenbank gezet. Ondertussen wordt een van zijn adviseurs bij het proces, Fred Hampton, door de politie doodgeschoten, samen met Mark Clark. De overige zeven proberen tegen de behandeling van Seale in verzet te komen, wat ze op extra veroordelingen wegens ‘minachting van de rechtbank’ komt te staan. Uiteindelijk wordt Seale op verzoek van de aanklagers voor deze zaak geseponeerd en doet dus niet meer mee met dit proces.

Er blijven dan zeven mannen over: twee (Tom Hayden, Rennie Davis) zijn leiders van de grote studentenorganisatie Students for a Democratic Society (SDS). Een (David Dellinger) is een oudere nette meneer van de vredesbeweging. Twee (Abbie Hoffman, Jerry Rubin) zijn spraakmakende figuren van de radicale tegenbeweging en oprichters van de Youth International Party (Yippies). En dan zijn er nog twee demonstranten (John Froines en Lee Weiner) die zelf niet goed weten waarom ze mee moeten doen. In een van de scenes waarin de beklaagden hun lot bespreken, wordt ze verteld dat hun rol vooral is dat ze vrijgesproken kunnen worden door de jury, zodat er een schijn van eerlijkheid op het proces geplakt kan worden.

Rechter is de stoïcijnse en hakkelende vertegenwoordiger van de macht Julius Hoffmann die prachtig neergezet wordt als een bevooroordeelde kommaneuker. Hij slaagt er uiteindelijk in om de beklaagden te veroordelen, en ze allemaal ook nog maanden extra gevangenisstraf te bezorgen wegens belediging van de rechtbank. Ook hun advocaten treft dat lot. De iconische bewegingsadvocaat William Kunstler krijgt ook een glansrol als vakkundige en idealistische verdediger, die moet knokken om zijn klanten enigszins in het gareel te houden.

Rechtbankdrama

Als rechtbankdrama is de film behoorlijk goed. De vraag is of de film ook recht doet aan de beweging en de demonstranten die terecht staan. Die komen tamelijk karikaturaal in beeld, hoewel de producenten en regisseur zich nog ingehouden moeten hebben. Het helt net niet naar komedie, hoewel het in sommige gevallen daar wel weg van heeft. Het principieel geweldloze keurige gezinshoofd Dellinger is bijvoorbeeld de enige die op een gegeven moment een van de rechtbankagenten voor zijn bek slaat, om zich daarna te verontschuldigen. Het kantoor van de advocaten van de verdediging is een 24-uur open actiehol, waar driftig dope gerookt wordt en de aangeklaagden steeds beraad houden. In die scenes wordt ook het verschil tussen de verschillende actiegroepen duidelijk. De SDS en de vredesbeweging willen serieus genomen worden en richten zich op acties tegen de oorlog, terwijl de yippies lak aan alles hebben, vinden dat er een culturele revolutie gaande is, en dat je de camera’s die op hen gericht zijn ten volle moet benutten om de heersende machten aan te vallen. Hoewel ze fel discussiëren, hebben ze uiteindelijk toch ook achting voor elkaar en gunnen elkaar de plek in het proces.

Af en toe laat de film beelden zien (deels archiefbeelden, deels geënsceneerd) van de demonstraties zelf. Die scenes zijn tamelijk plat en karikaturaal, en vertonen bijvoorbeeld het broodje aap-verhaal dat vrouwen hun BH’s zouden hebben verbrand. Maar verder worden de demonstranten tamelijk respectvol uitgebeeld, en zijn het vooral de rechter en de aanklagers die er slecht van afkomen. Hoewel de film wel een merkwaardige keuze maakt door te suggereren dat een van de aanklagers die centraal komt te staan, Schultz, zelf ook liever geen proces wegens ‘conspiracy’ had gewild.

Smerige trucs

Wat in de film ook goed in beeld komt, is hoezeer de staat en de macht de boel manipuleert. Niet alleen de acties zelf worden door de politie geprovoceerd en zitten bomvol infiltranten die later in het proces komen getuigen en dan alles bij elkaar liegen. Ook worden twee van de 12 juryleden die sympathie hebben voor de demonstranten, met valse dreigbrieven die door de Black Panters verstuurd zouden zijn, uit het proces gewipt.

Een glansrol is er voor Abbie Hofman, de legendarische Yippie-voorman die tamelijk ingehouden gespeeld wordt door Sacha Baron Cohen (van Borat-faam). Hij en Jerry Rubin halen de rechter het bloed onder de nagels vandaan, onder andere door voortdurend de voorspelbare uitspraken van de rechter te roepen, vlak voordat die dat zelf doet.

Uiteindelijk worden vijf van de zeven tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld, en ook nog een boete en de proceskosten. Daarnaast krijgen ze allemaal maanden extra gevangenisstraf vanwege belediging van de rechtbank. Later wordt dat oordeel ongedaan gemaakt omdat de rechter op allerlei fronten bevooroordeeld was geweest, maar dat lezen we alleen in de aftiteling.

Geen spektakel

Wat intrigeert aan de film, is dat ze tamelijk ingetogen verslag doet van de rechtszaak. In werkelijkheid was die een veel groter media-spektakel dan de film doet geloven. Zo werden er tal van beroemde muzikanten door de verdediging als getuigen opgeroepen, waarvan Judy Collins bijvoorbeeld gevraagd werd om een van haar nummers te zingen. Ook waren er veel meer hilarische incidenten, vooral van de kant van Rubin en Hofmann, die hele verkleedpartijen hielden. Dat komt allemaal in de film niet aan bod. Ook worden we niet veel wijzer van de breedte en radicaliteit van de toen zich ontwikkelende bewegingen in de VS, die in die tijd en de jaren daarna in alle uithoeken van het land verspreid raakten en de macht daadwerkelijk op zijn grondvesten deden schudden. Tijdens het proces viel de SDS bijvoorbeeld uit elkaar omdat een deel besloot dat de wapens moesten worden opgenomen en ondergronds ging, met dramatische gevolgen. Een van de eerste activiteiten van de Weatherman, de gewapende afsplitsing, was het organiseren van de Days Of Rage in Chicago tijdens het proces, met als hoogtepunt een demonstratie naar het woonhuis van de rechter. De film kiest ervoor om dat allemaal achterwege te laten.

Het einde van de film (spoiler alert!)  is ook niet waarheidsgetrouw. Er wordt gesuggereerd dat SDS-woorvoerder Tom Hayden als enige het laatste woord mocht voeren namens alle aangeklaagden, en dat hij er toen - tot grote woede van de rechter - voor koos om de namen voor te lezen van alle meer dan 5000 Amerikaanse soldaten (de Vietnamezen doen er kennelijk niet toe) die tijdens het proces in Vietnam om het leven waren gekomen. Als eerbetoon gaan iedereen staan en heffen velen de vuist, inclusief publiek, en uiteindelijk ook een van de aanklagers. Dat levert een mooie bombastisch eindscène op, die dus gefabuleerd is. In werkelijkheid hebben alle aangeklaagden hun woorden gedaan, en die waren niet mis (*).

Maar wat de film wel doet is een geschiedenis van activisme in de VS uit de vergetelheid te rukken, en duidelijk te maken dat het de politie was die daar de rellen provoceerde en een bloedbad aangericht heeft.

De film draait momenteel in bioscopen in het hele land en is vanaf 16 oktober ook op netflix te zien.

-------------

(*) Er zijn talloze boeken over Chicago en het proces verschenen, waarvan sommige meteen na het proces bestsellers werden. De ‘dialogen’ van het proces, met hilarische getuigenissen van advocaten en aangeklaagden, zijn terug te lezen in The Tales Of Hoffman (Bantam Books 1970). Een uitgebreid verslag en analyse van het proces is geschreven door Jason Epstein onder de titel The Great Conspiracy Trial (Faber & Faber 1972). Het officiele onderzoek naar de rellen in Chicago, het Walker Report, is bij Bantam al in 1968 verschenen onder de Titel Rights in Conflict. Ook de beroemde schrijver Norman Mailer, die als journalist in Chicago aanwezig was en meemaakte hoe demonstraties voor zijn ogen in elkaar geslagen werden, schreef er al in 1968 het boek ‘Miami And The Siege of Chicago’ over (World Publishing Co, in Miami was in dezelfde maand de Republikeinse conventie waar Nixon tot kandidaat was benoemd)