alperitchHet kan onderhand nauwelijks nog nieuws heten dat er in Amerika maar weinig waardering bestaat voor de manier waarop het Congres functioneert. Het is dan ook niet verwonderlijk dat volgens het in Londen gevestigde ‘Absolute Strategy Research’, tweederde van de Amerikanen vindt dat het economisch systeem van de VS corrupt is en voor de meeste Amerikanen niet werkt. Volgens auteur Gar Alperovitz wijzen deze overtuigingen erop, zeker als je ze ziet in samenhang met een wijdverbreid geloof dat in dit soort ‘democratie’ de ‘bevolking vrijwel geen inbreng heeft in het regeringsbeleid’, dat het systeem zelfs in verval is. Maar Alperovitch besteedt liever niet al te veel tijd aan klaagzangen. Visionair als hij is, kijkt hij eerder naar de grote kansen die zich voor kunnen doen, juist ook in een haperend systeem. En dat is een van de centrale boodschappen in ‘America Beyond Capitalism: Reclaiming our Wealth, Our Liberty, and Our Democracy’.

Deze recensie verscheen bij Truthout. De vertaling is van Jo Versteijnen

Bij het lezen van dit boeiend betoog over een nieuwe economie in aantocht, doemen belangrijke vragen op: Wat zou er bijvoorbeeld gebeuren als de zogenaamde 99%, de 1% negeerde, en gewoon maar begon om van de grond af aan een nieuw economisch systeem op te bouwen? Wat als grote groepen mensen niet langer meer zouden proberen een al maar meer onwerkbaar systeem te hervormen, maar zich gingen richten op een nieuwe economie met instellingen en instituties gericht op het gemeenschappelijk belang, eerlijk, rechtvaardig, duurzaam en gericht op wederzijds respect? Misschien nog meer inspirerend dan deze vragen, is het feit dat er al antwoorden beginnen te gloren. Dit is een van de hoopvolle boodschappen die we krijgen van ‘America Beyond Capitalism’.

Overal in de VS experimenteren mensen met nieuwe vormen van bedrijvigheid, die de van bovenaf opgelegde grote, voor hen onwerkbare bedrijven, mijden. En deze nieuwe ondernemingen liggen aan de basis van een mogelijke economische revolutie, die tevens ook in een politieke revolutie zou kunnen uitmonden, namelijk vanwege de vorming van groepen met gemeenschappelijke belangen en van een meer zinvolle democratie, namelijk eentje die gebaseerd is op werkelijke politieke gelijkheid.

 

In ‘America Beyond Capitalism’, verkent Alperovitz in welke omvang deze pogingen zich voordoen, en doet hij uitvoerig verslag van hoe diep volgens hem sommige ervan ingrijpen op hun werknemers, groepssolidariteit en de ecologie. Hij erkent dat de grootte van de beweging vooralsnog verbleekt in vergelijking met de giganten van de beursgenoteerde bedrijven. Maar hij ziet ook dat als de trend zich doorzet, het een mogelijk heel belangrijker effect van de beweging is dat de lange negatieve trend wordt omgekeerd die hij beschrijft als, ‘Amerikanen zijn steeds minder gelijkwaardig geworden, minder vrij en minder de meesters van hun eigen lot’. Daar komt bij dat in veel van deze projecten wordt gewerkt aan duurzame alternatieven voor fossiele brandstof. En dat helpt voor een gezondere toekomst voor ons allemaal.

 

Een klein voorbeeld daarvan biedt de stad Cleveland, Ohio, waar het economisch slecht gaat en het Evergreen project is opgezet. Het project bestaat uit een aantal coöperaties die in het bezit zijn van de werknemers zelf (in het vervolg ‘worker-owned companies'). Die coöperaties zorgen tegelijkertijd voor zowel werkgelegenheid en eigendom als voor de behoeften van de gemeenschap, dit alles volgens de uitgangspunten van democratie op de werkvloer, gelijkheid en duurzaamheid. Hun groene wasserij, een bedrijf voor installatie van zonne-energie en een kassensysteem op industriële schaal, zijn de ingrediënten voor een groene economie. En met hun klanten – universiteiten en ziekenhuizen – onderhouden ze relaties die tot beider voordeel strekken.

 

Het Evergreen project is een van de ongeveer 1000 worker-owned companies in de VS. Andere zijn onder meer de Bay Area’s Rainbow Grocery, de Arizmendi Bakeries en de Arizmendi eetgelegenheden. Ofschoon deze coöperaties economisch gezien slechts een heel kleine invloed hebben in vergelijking met alle andere ondernemingen die Alperovitz in zijn boek vernoemt, zijn zij wel de meest eerlijke, democratische en flexibele. Ze zijn de geesteskinderen van Mondragon, ‘s werelds grootste democratische coöperatie in handen van 80.000 werknemers. Dit bedrijf is de zevende grootste in Spanje, en is met behoud van zijn fundamentele principes zoals samenwerking, medezeggenschap en maatschappelijke verantwoordelijkheid, nog steeds concurrerend. De hoogste en laagste lonen bij Mondragon staan tot elkaar in een verhouding van vier tot een, in plaats van 200 of 300 tot een, zoals gebruikelijk in veel multinationals. En zoals het geval is bij zoveel pogingen in het verleden om tot hervormingen te komen, is ook Mondragon ontstaan uit crisis.

 

Meer recentelijk heeft Mondragon een overeenkomst gesloten met de United Steelworkers en de Ohio Employee Ownership Center. De bedoeling is de oprichting van een soort ‘vakbonds-coöperatie’, die de principes van de coöperatie, zoals democratie op de werkplek, combineert met collectief onderhandelen.

 

Coöperaties in de Mondragon-stijl zijn volgens Alperovitz slechts een van de vele nieuwe alternatieven voor bedrijven met een gecentraliseerde en hiërarchische structuur. Te denken valt bijvoorbeeld aan buurtschappen op non-profit basis; verenigingen belast met de zorg voor de gemeenschap; ondernemingen in eigendom van de gemeente; consumenten coöperaties; non-profit organisaties en coöperaties, opgericht met een speciale opdracht. Alperovitz wijst in dit verband bijvoorbeeld op de New Community Corporation in Newark, New Jersey, een buurtschap op non-profit basis, dat een aantal bedrijven onder zijn hoede heeft, waaronder een supermarkt en een woningbouwbedrijf, en dat de revenuen daaruit besteedt aan common goods, zoals gezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, werkopleidingen. New Community, in het leven geroepen na de hoog oplopende rellen in de jaren 1960, bezit naar schatting 500 miljoen dollar in vastgoed en aanverwante ondernemingen, stelt 2000 mensen te werk en brengt zo’n 200 miljoen per jaar op uit economische activiteiten.

 

Worker-owned companies kunnen verschillen van vorm en structuur, de een is wat meer progressief dan de ander. Wat in ‘America Beyond Capitalism’ bijzonder in het oog springt is het bedrijf W.L. Gore, dat kleding maakt, in Delaware. Het bedrijf, dat sinds 1974 in het bezit is van ongeveer 6000 werknemers, heeft een niet-hiërarchische structuur (geen bazen, titels worden niet gevoerd), staat regelmatig boven aan de Fortune-lijst van ‘De beste bedrijven waar je kunt werken’, en haalde in 2003 een omzet van 1,33 miljard dollar. W.L. Gore is een van de vele bedrijven die volledig eigendom zijn van de employés. De meeste van die bedrijven vallen onder de overkoepeling van ESOP (Employee Stock Ownership Plans). Ze zijn weliswaar niet allemaal perfect, maar krijgen toch veel steun van zowel de linker- als rechterzijde van het politieke spectrum. Al bijeen zijn ongeveer 13 miljoen Amerikanen zowel employé als eigenaar van de meer dan 11.000 worker-owned companies. En dat zijn meer leden dan de werkgeversorganisaties tellen.

 

Dit soort aanpak zien we ook steeds meer op gemeentelijk en nationaal niveau. Tal van steden verhuren onroerend goed aan commerciële huurders, wat miljoenen dollars per jaar opbrengt. San Diego, bijvoorbeeld, haalt uit 700 huurcontracten zo’n 40 miljoen dollar per jaar voor de stad. Maar onroerend goed is niet de enige activiteit. Sommige steden bieden hun inwoners goedkoper internet, kabel en telefoon, terwijl andere weer professionele sportteams beheren.

 

In deze tijd van economische crisis geeft Alperovitz’s tweede uitgave van ‘America Beyond Capitalism’ genoeg reden voor optimisme: het blijkt dat miljoenen mensen zich inspannen om vernieuwingen aan te brengen en op een of andere wijze deel te nemen aan activiteiten ten bate van de gemeenschap, als alternatief voor een economisch systeem dat puur op winst gericht is. En als we heel het beeld overzien, blijkt dat we hier niet met een kapitalistische, noch met een socialistische economie van doen hebben. Het gaat veelmeer om een economische bedrijvigheid op kleine schaal, die zinvoller is, want meer aangepast aan de menselijke maat, die geleidelijk werkt aan een herstel van het gemeenschapsgevoel en een samenleving waarin plaats is voor een veelheid van perspectieven. Een economie die dat probeert te bereiken door een herstel van sommige van onze fundamentele idealen. Zeker, ze hebben nog een lange weg te gaan voordat hun invloed merkbaar zal zijn in de huidige algemeen heersende politiek en economie. Maar ze zijn om verschillende redenen van wezenlijk belang: Eerst en vooral, ze steunen hun eigen gemeenschappen, niet alleen in dienstverlening en werkgelegenheid, maar door belangrijke waarden weer in de praktijk te brengen. Tegelijkertijd laten ze zien hoe ‘business’ kan worden gebruikt niet voor de verrijking van enkelen, maar voor de samenleving als geheel, een verrijking die ongetwijfeld ook een positieve invloed heeft op de geest van de mensen. ‘America Beyond Capitalism’ hoort thuis in alle bibliotheken, in het bijzonder in bibliotheken van economische faculteiten en hogescholen, zodat een nieuwe generatie ondernemers leert om een economie op te zetten die werkt voor iedereen.