‘Wie niet in beweging komt, merkt zijn eigen ketenen niet op’. Het is een uitspraak van Rosa Luxemburg (1871-1919), die door de Nederlandse filosofe en auteure Joke J. Hermsen wordt aangehaald. Dit doet zij in haar recente, goed leesbare essay getiteld Het tij keren met Rosa Luxemburg en Hannah Arendt. Hermsen is door Hannah Arendt (1906-1975) op het spoor van Rosa Luxemburg gekomen. In de zomer van 2018 in Frankrijk boog zij zich voor het eerst over het werk van Luxemburg.

(Door Thom Holterman, oorspronkelijk verschenen op Libertaire Orde)

Dat was in een dorp in de Bourgogne waar ze dorpelingen tegen kwam die boos waren op de regering van Macron. Weinigen van hen lukte het om op normale wijze ‘het eind van de maand’ te halen. Toen Hermsen later in het jaar in Frankrijk terugkwam was de revolte van de gele hesjes een feit. Het vervolg van de sociale strijd die zij voeren gebruikt Hermsen als een soort rode draad door haar essay om zo verleden en heden in beeld te krijgen. Toen en nu, het draait om ‘een wereld van gelijkheid en sociale rechtvaardigheid’. Op enig moment zal Rosa Luxemburg woorden formuleren die als leus zijn gaan werken. Het gaat om Rosa’s meest geciteerde zin en de titel van het eerste hoofdstuk van haar essay over de crisis van de sociaaldemocratie: Socialisme of barbarij (1916).

Vermoord

Hermsen heeft haar essay zo opgezet dat zij biografische gegevens van Rosa Luxemburg en haar (politieke) denkbeelden en de effecten ervan door elkaar kan weven, dit dan weer tegen de achtergrond van de Duitse sociaaldemocratische partijpolitiek van de dagen in de eerste jaren na 1900. Het laat je kennismaken met een begaafde, politiek gedreven activistische jonge vrouw. Je leert haar kennen als iemand die haar rug recht houdt, de geest helder en door hoop gedreven, ook na jaren gevangenschap.

Die onderging zij omdat zij de oorlog verfoeide en als antimilitariste tijdens de Eerste wereldoorlog tot dienstweigering opriep. Ongebroken kwam zij vrij. Zij wilde, samen met anderen die een Duitse opstand waren begonnen, afrekenen met de (Duitse) sociaaldemocratische regering van Ebert, die hen naar een vier jaar durende rampzalige wereldoorlog had geleid, zo schrijft Hermsen. De revolutionaire groepen raakten echter in steeds bloediger gevechten met de door de sociaaldemocratische regering betaalde contrarevolutionaire soldatenmilities (vrijkorpsen). In de eerste weken van 1919 besloot deze regering de opstand, die voor een deel uit haar eigen achterban bestond, met geweld neer te slaan. Op 15 januari 1919 werden Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht gearresteerd door de rechtsextremistische vrijkorpsen, gemarteld en vermoord. In het kader van de herdenking van wat 100 jaar geleden plaatsvond, is er door het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) te Amsterdam aandacht besteed aan het bestaan van ‘The Rosa Luxemburg & Karl Liebknecht papers’.

De moord op deze twee pacifistische socialisten werd gedekt door de standaardleugen ‘op de vlucht neergeschoten’, terwijl het ging om moord met voorbedachte rade én met instemming van de SPD-minister Noske, de bloedhond, zoals die zichzelf cynisch noemde, aldus Henriette Roland Holst in haar biografie getiteld Rosa Luxemburg, Haar leven en werken (Rotterdam, 1935; p. 278).

Rosa Luxemburg leefde al sinds haar jeugd met de overtuiging dat het kapitalisme een voor de mensheid en de aarde destructief model is, terwijl zij in gedachte had dat een ander model mogelijk was. De Duitse sociaaldemocratie had van die overtuiging en de opvolgende gedachte volstrekt afstand genomen door te heulen met de klassenvijand. In de laatste jaren van de 19eeeuw had Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) dit met zijn Le socialisme en danger( 1897) al duidelijk gemaakt. Rosa Luxemburg heeft dit eveneens onderkend en er tegen gevochten. Daarom moest zij uit de weg worden geruimd – ze was te gevaarlijk voor de zittende Duitse sociaaldemocratische machthebbers van toen…

De zondeval van de Duitse sociaaldemocratie

Als Henriette Roland Holst in haar Luxemburg-biografie de brochure De crisis van de sociaaldemocratie (1915) van Rosa Luxemburg bespreekt, dan heeft Henriette Roland Holst het over wat zij noemt ‘de zondeval van de Duitse sociaaldemocratie’. Het gaat over de acceptatie en de volstrekte ingroei in het burgerlijk parlementarisme met als klap op de vuurpijl op 4 augustus 1914: de gehele sociaaldemocratische Rijksdagfractie zal op één enkeling na naar de heersende klasse overlopen, door in te stemmen met de verhoging van oorlogskredieten voor de keizerlijke legers. Rosa Luxemburg ziet in deze capitulatie van de sociaaldemocratie het ideologische verraad van de partij van alles waar socialisme voor staat. Zo is afscheid genomen van een kernwaarde als internationalisme en wordt het Duitse grootkapitaal, de oorlogsindustrie, een dienst bewezen (zoals Krupp, de ‘kleine’ IG Farben, te weten BASF, Bayer en Afga, die een monopolie in Duitsland had).

Ik heb geen idee of Henriette Roland Holst het woord ‘zondeval’ heeft gebruikt vanwege een associatie met het proefschrift dat de Nederlandse christenpacifist G.J. Heering (1879-1955) in 1928 verdedigde onder de titel De zondeval van het christendom. Dat proefschrift behandelt de problematiek van de verheffing van het christendom tot staatsgodsdienst in het Romeinse rijk van de 4deeeuw na onze jaartelling. Het boek leidde in een aantal christelijk-politieke kringen tot (meer) aandacht voor militaire dienstweigering. De samenhang tussen de ene en de andere zondeval is treffend. In beide gevallen draait het om het streven naar machtsverwerving door middel van hechting aan de bestaande macht. Daarvoor was het in beide gevallen noodzakelijk de oorspronkelijke kernwaarden van tafel te vegen.

Autoritair socialisme

De zondeval van de sociaaldemocratie heeft een (bedoeld of onbedoeld) voorbereiding gekend. Naast anderen is het Rosa Luxemburg die deze heeft zien aankomen. Dat is  onder meer op te maken uit haar scherpe kritiek aan het adres van Lenin en Trotsky die vanaf het begin van de Russische revolutie 1917 democratische rechten op het gebied van de vrije meningsuiting aan banden legden. Hermsen wijst daar terecht op. Henriette Roland Holst gaat voor de kritiek op Lenin van Rosa Luxemburg verder in de tijd terug – maar ja, die neemt er een heel boek voor om een en ander uit de doeken te doen. Eerst wil ik echter nog een stap verder terug in de tijd maken. Het gaat mij dan om de ‘geloofsbelijdenis’ van Marx, het Communistisch Manifest (1847) en wel naar de slotzin: ‘Proletariers aller landen, verenigt u!’.

Die zin bepaalt het socialisme als een internationaal streven. Het vormt een kernwaarde samen met iets waarop Engels in het voorwoord bij de Engelse vertaling van het Communistisch Manifest( 1888) nadrukkelijk wijst: ‘Wij (hij en Marx) waren vanaf het allereerste begin van mening dat de bevrijding van de arbeidersklasse het werk van de arbeidersklasse zelf moet zijn’. In deze formulering vormt evenwel de term ‘arbeidersklasse’ een probleem: hoe ziet die klasse er organisatorisch uit?  Daarbij komt het op de invulling van het woordje zelf aan. Zijn het de arbeiders zelf die zich organiseren of zijn het de lui die zich in de plaats stellen van de arbeiders, zij die zich opdringen als hun ‘leiders’. De libertaire stroming in het socialisme gaat van de eerste optie uit, de autoritaire stroming van de laatste. Een uitwerking hiervan laat ik na. Slechts één facet ervan komt in de kritiek op Lenin terug. Wel moet erop worden gewezen dat twee stromingen zich binnen de Eerste Internationale Arbeiders-Associatie manifesteerden (opgericht 1864).

De autoritaire stroming werd geleid door Marx. Aan de libertaire stroming is de naam van Bakoenin verbonden en via de proudhonnisten die van Proudhon. Al het handelen van Marx was erop gericht de libertaire stroming binnen de Internationale te elimineren. In zijn opzet is hij geslaagd, maar voor de hele beweging was dit toch een pyrrusoverwinning. Marx was een door en door autoritaire natuur, schrijft Henriette Roland Holst, waaraan zij toevoegt: ‘Zijn doorzetten, – met allesbehalve hoogstaande middelen – van het autoritaire centralisme binnen de Internationale, is een der factoren van haar ondergang geworden’.

De bedoelde middelen verwijzen naar een machiavellistische beginsel: het doel heiligt de middelen. Als er een oorlog tussen Duitsland en Frankrijk in 1870 uitbreekt, legt Marx zijn ‘geloofsbelijdenis’ een dag later terzijde. Spoorslag weet hij niets meer van het internationale karakter van het socialisme (kernwaarde) en blijkt hij meer Duitser dan zomaar Duits. Hij meent dat de hegemonie moet komen te liggen bij de Duitse arbeidersklasse. Onverbloemd en onomwonden schrijft hij op 20 juli 1870 aan Engels: ‘De Fransen moeten een pak slaag krijgen. Overwinnen de Pruisen dan is de centralisatie van de Duitse staatsmacht nuttig voor de centralisatie van de Duitse arbeidersklasse. Het Duitse overwicht zal het zwaartepunt van de West-Europese arbeidersbeweging verleggen van Frankrijk naar Duitsland. [..] Haar overwicht over de Fransen op het wereldtoneel zou tegelijk het overwicht wezen van onze theorie over die van Proudhon’ (brief opgenomen in: Marx – Engels Werke, MEW Band 33, p. 5). Het is Marx die de zondeval van de Duitse sociaaldemocratie heeft voorgekookt. Voor hetzelfde doel had Marx in Rusland een geweldige leerling aan Lenin.

Blanquisme

Lenin ontwikkelde het idee van het ‘democratisch centralisme’ van de sociaaldemocratie en wel ‘als de in democratische vormen gehulde macht van het centrale bestuur. Dat was meer in de geest van Marx dan in die van Rosa Luxemburg, schrijft Henriette Roland Holst. Rosa had haar geloof aan de zelfwerkzaamheid en de zelfopvoeding van de massa’s behouden. Op een buitenlands congres in 1903 had Lenin, zo verhaalt Henriette Roland Holst, een plan tot reorganisatie van de Russische partij ontvouwd. Dat noemde hij ‘democratisch centralisme’. Ondanks tegenstand werd het plan van Lenin aanvaard. Feitelijk lag hierin de gehele strategie en tactiek van het bolsjewisme in de kiem besloten.  Die organisatie, de partij dus, zou haar taak enkel kunnen vervullen als er een ijzeren discipline heerste. Het vertrouwen van de leden in hun leiders moest absoluut zijn.

Rosa Luxemburg verweet Lenin met de organisatievorm die hij wilde invoeren, terug te vallen in het blanquisme (van de Franse revolutionaire socialist Louis-Auguste Blanqui, 1805-1881). Blanqui ging uit van het bestaan van een kleine groep mensen die meenden te beschikken over bijzondere politieke vermogens en inzichten, welke groep zich resoluut boven de klasse opstelde die zij zich voornam te leiden in een revolutie. Die groep zou een ‘overgangstirannie’ instellen om een nieuwe orde uit te werken, waarna, zodra dat gebeurd was, deze orde aan het volk kan worden overgedragen. De reactie van Lenin op Rosa’s verwijt noemt Henriette Roland Holst ‘terecht’. Maar, erkent zij, even terecht antwoordde Luxemburg daar weer op: ‘Het exclusivisme, dat aan die organisatie ten grondslag ligt, zowel als de verplichting van de leden tot blinde gehoorzaamheid aan de leiding, maken haar toch tot een organisatie van een blanquistisch, dat is een verouderd type, – tot een variatie in de algemene categorie ‘samenzweerdersorganisatie’.’ Lenin was uit op ultieme machtsverwerving om zijn doel te bereiken en schuwde geen enkel middel. Niet voor niets kon Lenin, na een grondige studie van zijn teksten door de Duitse filosoof en socioloog Hugo Fischer (1897-1975), door Fischer de ‘Machiavelli van het Oosten’ worden genoemd.

Rosa Luxemburg verbond aan het begrip democratie de voorstelling van vrije, spontane, politieke werkzaamheid van de massa’s. Henriette Roland Holst trekt dit door als zij Luxemburg citeert: ‘Met veranderingen in de strijdwijze’ – zo wierp ze Lenin tegen – ‘moet een verandering in de organisatievorm samengaan’. En daar de sociaaldemocratische beweging in haar hele verloop op de zelfstandige, rechtstreekse activiteit van de massa’s is aangewezen, kan nooit een organisatievorm van het blanquistische type voor Rosa Luxemburg de ware zijn (hier zien we Rosa dus vasthouden aan een kernwaarde). Reeds in 1903 begreep Luxemburg, zo geeft Henriette Roland Horst aan, hoe elk mechanisch centralisme, in zijn West-Europese evengoed als in zijn Russische vorm, een kiem bevatte van bederf en ontaarding.

Volksradendemocratie

Hannah Arendt

We leven nu precies honderd jaar na de moord op Rosa Luxemburg (en haar strijdmakker Karl Liebknecht), stelt Joke Hermsen in het laatste kwart van haar essay. Hoewel de naam Hannah Arendt al eerder in haar tekst opduikt, wijst zij er in dat laatste deel op dat – hoe verschillend de positiekeuze ook was – hun strijd, die van Arendt en Luxemburg, voor vrijheid, menselijke waardigheid en democratische rechten dezelfde was. Waar Hermsen elementen van inzichten en opvattingen van Arendt bespreekt, zal ze erop wijzen dat hetzelfde voor Luxemburg geldt. Hannah Arendt meende dat we beducht moeten zijn voor elke vorm van inperking van vrijheid van meningsuiting, wat ook voor Luxemburg gold. Dit en vrijheid van politieke vereniging – het waren voor beiden onaantastbare waarden. Lenin en Trotsky met hun machiavellistische insteek dachten daar geheel anders over.

Voor Rosa Luxemburg had de Russische revolutie niet veel meer met een socialistische democratie te maken, laat Hermsen met citaten belegd zien. Voor haar en Arendt gold: vrijheid is altijd de vrijheid van andersdenkenden; met de vrijheid valt niet te sjoemelen. Daar hoort een bepaald type organisatie bij, te weten: de socialistische radendemocratie. Rosa Luxemburg was daarvoor geïnspireerd door de Commune van Parijs (1871). Die was erop gericht, zo legt Hermsen uit, dat alle bevolkingsgroepen door middel van ‘volksraden’ hun mening zouden mogen uitdragen en politieke beslissingsbevoegdheden zouden krijgen. Het is voor Hannah Arendt reden om deze democratisch gekozen raden in haar boek Over revolutie ‘parels van zelfbestuur’ te noemen. In datzelfde boek schrijft Arendt niet alleen over de ‘volksraden’ in die ene periode maar ook over andere periodes waar mensen in of net na de opstand steeds weer hun eigen organisatievormen creëren, maar wel steeds zelfbesturende raden – geheel in lijn met het oorspronkelijke uitgangspunt: de bevrijding moet zelfbevrijding zijn…

Het is geen toeval dat Hermsen hier een aanhakingspunt op haar rode draad onderkent: de beweging van de Franse gele hesjes met hun ‘rotonde-democratie’, de burgerraden, de assemblée en de assemblée van assemblées. Dat laatste is een concept zo zou ik zeggen voor een kader van federatieve organen, of wel een (politieke) organisatieopbouw van onderop. We spreken hier over een vorm van directe democratie die Rosa Luxemburg en Hannah Arendt in hun werk hebben bepleit – kan Hermsen worden toegegeven. En zeker, je komt het ‘model’ tegen bij sommige hedendaagse auteurs.

In hun aanklacht tegen wat zij als onwenselijk of onmenselijk zagen ging Rosa Luxemburg verder dan Hannah Arendt, zo stelt Hermsen. De kapitalistische samenleving berust volgens Luxemburg op het fundamentele misverstand dat er een rechtvaardige wereld kan ontstaan op basis van concurrentie, competitie, uitbuiting van anderen en winstbejag. Het kapitalisme is voor de mensheid en de aarde een destructief model, zoals iedereen kan zien die zijn of haar ogen open heeft. Er zijn heel wat manieren deze zienswijze onder de aandacht te brengen. Maar waar te ver wordt gegaan in die destructie kan het niet anders dan om daar met allerlei verzetsmiddelen tegen in te gaan.

In haar essay Burgerlijke ongehoorzaamheid (1970) verwelkomde Hannah Arendt met eenzelfde verve als Luxemburg, zo schrijft Hermsen, de mogelijkheid van het plegen van politiek verzet, of dat nu demonstraties, stakingen, dienstweigering of andere vormen zijn. Het komt erop aan neen te (durven) zeggen of om een lijn te trekken, tot hier en niet verder. Drawing the line (New York, 1977), de titel van een bundel politieke essays van de libertaire denker, activist en dichter Paul Goodman (1911-1972): ‘beyond which you cannot cooperate’. Het is een houding om het tij gekeerd te krijgen.

Thom Holterman

Hermsen, Joke J.,Het tij keren met Rosa Luxemburg en Hannah Arendt, Prometheus, Amsterdam, 2019, 102 blz., prijs 12,99 euro.