De degrowth-beweging legt de vinger op een zeer gevoelige kwestie: zonder krimp redden wij het niet. Eens zal toch de ecologische overshoot moeten worden aangepakt. Wij kunnen niet buiten de grenzen blijven die natuur en milieu ons opleggen; de Planetary boundaries. Dat is een enorme taak. Nemen wij bijvoorbeeld de ecologische voetafdruk als maatstaf, dan zal in Nederland het materiële verbruik met meer dan de helft moeten afnemen. Dat zal verregaande gevolgen hebben voor alle inwoners, de rijken voorop. Ook de armen in Nederland want ook zij behoren tot de 20 % rijksten van deze wereld. Het streven naar bestaanszekerheid zal gemarkeerd moeten worden binnen de ecologische grenzen.

(Door Lou Keune, oorspronkelijk verschenen bij De Grote Transitie)

Armoede en voetafdruk

Met het bepleiten van degrowth komen wij op zeer gevoelige thema’s. Het deconstrueren van de heersende groeitheorieën is daar een van. Een van de eenvoudigste. Maar hoe ons te verhouden tot de heersende armoede in Nederland? Het Nibud rapporteerde in december 2019: “584.000 huishoudens, 7,9 procent van alle huishoudens in Nederland, leven in armoede.” Wat is armoede? De bepaling daarvan is sterk afhankelijk van de gehanteerde maatstaven. De overgrote meerderheid van mensen die leven in het Zuiden zouden graag de Nederlands armoede omhelzen. Dat blijkt ook uit de vele miljoenen mensen die op pad gaan om het walhalla van landen als Nederland te bereiken, en daarvoor enorme risico’s accepteren.

Armoede is betrekkelijk. Wanneer is iemand arm? Volgens het SCP hangt de definitie van armoede af van wat in de eigen samenleving als minimaal noodzakelijk geldt. Dit betekent, aldus het SCP, “dat armoede in Nederland niet te vergelijken is met armoede in landen waar hongersnood en droogte heersen. Ook is armoede in het Nederland van nu heel wat anders dan armoede in het Nederland van net na de Tweede Wereldoorlog. De huidige maatschappij verschilt immers van die van zeventig jaar geleden. Toen waren er heel andere normen voor minimaal noodzakelijke uitgaven.”[1] Dat kan zo zijn, maar ook ingeval van een Nederlands bijstandsinkomen leven wij met een te grote ecologische voetafdruk[2].

Mondiale armoede

Dat zijn pijnlijke constateringen. Niettemin moeten wij die onder ogen zien. In deze kwestie speelt mee dat er sprake is van onderschatting van wat zich in ontwikkelingslanden heeft afgespeeld als het gaat om armoede-ervaringen. Er worden ook in ontwikkelingslanden steeds hogere eisen gesteld aan het deelnemen aan het maatschappelijk bestaan. Bijvoorbeeld kunnen ook daar mensen niet meer fatsoenlijk leven en in hun bestaan voorzien zonder toegang tot de digitale wereld. Daarnaast speelt mee dat door al die moderne communicatiemiddelen mensen in ontwikkelingslanden geconfronteerd zijn met elders bestaande en hogere niveaus van consumptie, bijvoorbeeld een huis met aansluitingen op voorzieningen als water, licht, en riolering, of een toeristische reis naar een ander land. Dat verscherpt de eigen armoede-ervaring. Ter illustratie: het gemiddelde inkomen van de Nederlanders beliep in 2019 US $ 57.707 (PPP)[3]. Het wereldgemiddelde bedroeg in dat jaar US $ 16.734 (PPP), het gemiddelde voor ontwikkelingslanden: US $ 10.583 (PPP). Kortom, wie moeten wij eerst en vooral aanspreken bij het bepleiten van verkleining van de mondiale ecologische voetafdruk?

Kolonialisme

Daar doorheen loopt een discussie over de oorzaken van die grote verschillen. In het aprilnummer van het tijdschrift Political Geography verscheen een kort artikel van Jason Hickel: The anti-colonial politics of degrowth. Hickel is economisch antropoloog, verbonden aan onder meer de London School of Economics and Political Science, en bekend internationaal deelnemer aan het degrowth debat. In dit artikel reageert hij op een artikel van Matthew Huber in datzelfde tijdschrift die kritisch is over de degrowth-beweging. Volgens Huber is dat een beweging van de middenklasse die bezorgd is over de overconsumptie en zo in strijd met de belangen van de arbeidersklasse. Huber is dan ook pessimistisch over de kans dat die beweging aansluiting kan vinden met die klasse.
Hickel is het daar niet mee eens. Zijn vertrekpunt wordt gevormd door enkele feiten. De hoge-inkomenslanden zijn voor het overgrote deel verantwoordelijk voor de ecologisch ramp die zich aan het voltrekken is. 92% van het overgebruik vindt hier zijn oorsprong. Daarbij profiteert het Noorden[4] van de goedkope arbeid en grondstoffen uit het Zuiden. En het grootste deel van de negatieve gevolgen van die overshoot manifesteert zich in het Zuiden. De economische groei berust hierbij op koloniale patronen: toe-eigening van alle bronnen: mens en natuur, ongelijke ruil, ecologische schuld. Groene visies gaan in feite uit van de continuering van deze koloniale relaties. Want verduurzaming van de energieproductie (zonnepanelen, molens) veronderstelt het onttrekken van enorme hoeveelheden grondstoffen aan het Zuiden. Overigens, tekent Hickel aan, zijn de doeleinden van ‘Parijs’ niet te realiseren zonder krimp van de energieproductie.

Dekolonisatie

Degrowth veronderstelt, aldus Hickel, krimp van het verbruik in het Noorden. Dit niet alleen uit overwegingen van ecologische aard, ook om de dekolonisatie te realiseren. Dat betekent beëindiging van de toe-eigening en van de gepolariseerde accumulatie. Hij pleit voor een strategie van convergentie: krimp in het Noorden tot binnen de grenzen van duurzaamheid, en groei in het Zuiden ter bevrediging van de basisbehoeften[5]. Zo hoopt hij te bereiken: ecologische stabiliteit en universele menselijke welvaart.

Kapitalisme

Hickel vindt het belangrijk om er op te wijzen dat degrowth meer is dan alleen krimp. Het probleem is niet zozeer het gedrag van individuele consumenten, maar het onderliggend systeem, kapitalisme. Dit systeem tendeert noodzakelijkerwijs tot ongelijkheid en ecocide[6]. Het kapitalistische systeem veronderstelt voortgaande economische groei, voortgaande commodificatie van de free commons, dus alles wat de Aarde te bieden heeft. Dit systeem veronderstelt dus ook voortgaande koloniale of neokoloniale relaties, dus het gebruik maken van goedkope arbeid, grondstoffen en natuur. Overigens past volgens hem racisme in deze tendentie tot steeds goedkopere arbeid.
De degrowth-beweging moet aldus Hickel niet alleen het groeidenken bestrijden maar ook de voortgaande kolonisering. Deze eisen komen overeen met die van sociale bewegingen in het Zuiden. Zie bijvoorbeeld de Overeenkomst van Cochabamba van 2010. Dus hebben de bewegingen in het Noorden tot taak het combineren van degrowth met de bestrijding van de armoede onder de arbeidersklasse in het Noorden (‘economie van het genoeg’) en de dekolonisering van het Zuiden. Hij pleit voor solidariteit met het Zuiden, reden te meer om te streven naar degrowth in het Noorden. Hickel zet het degrowth-debat op scherp. Want het gaat in zijn terechte visie om verregaande ingrepen in de economie van het Noorden: krimp van het verbruik, voldoen aan de eisen van de arbeidsklasse in het Noorden, dekolonisering van de internationale relaties, en bestrijding van het kapitalisme. Ik geef het ons te doen.

Lou Keune [7]

Noten:
[1] Hoff en Van Hulst (SCP), Armoede in kaart 2019.
[2] Voor alle duidelijkheid, de rijken en de middenklassen zijn het meest verantwoordelijk voor de enorme ecologische en sociale problemen. Hun overshoot is onvergelijkbaar groter dan die van de Nederlandse armen. Zij moeten dan ook als eerst verantwoordelijken voor de noodzaak van krimp worden aangesproken.
[3] Human Development Report 2020. PPP: Purchasing Power Parity, dus gecorrigeerd voor koopkracht.
[4] Hickel gebruikt de termen ‘Global North’ en ‘Global South’.
[5] Hickel spreekt van ‘human needs’.
[6] Hickel noemt dat ecological breakdown.
[7] Mmv. John Huige, Jan Juffermans en Gerrit Stegehuis.