In de winter van 2018 sprak de Britse econome Kate Raworth een uitverkochte zaal van vijfhonderd mensen toe in de Nederlandse stad Rotterdam. ʻWie is econoom of volgt momenteel een cursus economie?ʼ vroeg ze aan het publiek. Tientallen handen gingen omhoog. ʻWauw, ze zijn hier…,ʼ zei ze – volgens De Telegraaf een opmerking die ʻhalf schertsend, half dreigendʼ werd gemaakt.

(Door Jordan G. Teicher (*) Vertaling Menno Grootveld, het origineel verscheen bij Jacobin, deze vertaling verscheen oorspronkelijk op de website wereldbrand.nl)

Het was een karakteristieke dubbelzinnige opmerking van Raworth, een zelfbenoemde ʻafvallige econoomʼ aan de Universiteit van Oxford, die het aan de stok heeft met haar collegaʼs in het veld. Raworth was in Rotterdam om te spreken over de recente vertaling van haar bestseller uit 2017, Donuteconomie: In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, waarin ze betoogt dat de moderne economie niet geschikt is voor de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. In plaats daarvan hebben we een nieuw raamwerk nodig – dat, jawel, lijkt op een donut –, ontworpen om te voldoen aan ʻde behoeften van iedereen, binnen de beperkingen van de planeet.ʼ Voor Raworth moet het doel zijn de wereldeconomieën ʻin de donutʼ te krijgen – de tot nu toe ongrijpbare ruimte tussen welzijn voor iedereen en overschrijding van de ecologische grenzen. Als het om de groei gaat, zegt ze, moeten we agnostisch zijn.

Degenen die de crises die het kapitalisme heeft veroorzaakt in het vizier hebben, klinkt Raworths voorstel waarschijnlijk mild in de oren, maar ten tijde van haar optreden in Rotterdam – slechts één halte op een landelijke tournee, met uitverkochte toespraken in Amsterdam en Tilburg, en een toespraak op het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en Klimaatbeleid – was Raworth in Nederland het onderwerp van zowel intense lof als hoon. Jan Peter Balkenende – een voormalig premier van het centrumrechtse CDA, die het Rotterdamse evenement bijwoonde – zei tegen De Telegraaf: ʻIk beveel [Raworths] boek aan in alle presentaties die ik geef over duurzaamheid.ʼ De Nederlandse econoom Bas Jacobs, een criticus van het moderne kapitalisme, noemde Donuteconomie daarentegen ʻhet intellectueel slechtste en meest irritante economieboek van 2017.ʼ

Niettemin was de donuteconomie, iets meer dan twee jaar na Raworths bezoek, officieel beleid geworden in het nabijgelegen Amsterdam, waarbij de Nederlandse hoofdstad in april 2020 aankondigde dat het de eerste stad ter wereld zou worden die het model zou overnemen. De wereldpers beschreef dat besluit al snel als wereldschokkend – het einde, misschien, van het einde van de geschiedenis. ʻAmsterdam omarmt een radicale, nieuwe economische theorie om het milieu te redden,ʼ kopte Time, en voegde er de vraag aan toe: ʻZou die theorie ook het kapitalisme kunnen vervangen?ʼ

Rode (fluwelen) schrik

Het lijkt erop dat er een spook door Europa waart – het spook van de donuteconomie. Een paar maanden na het besluit van Amsterdam stemde de gemeenteraad van Kopenhagen voor het opstellen van een plan om het model over te nemen. Barcelona, Brussel en de Canadese stad Nanaimo volgden al snel. De Ierse president Michael D. Higgins prees de donuteconomie in een toespraak in oktober 2020, terwijl Amerikaanse steden als Portland en Philadelphia het model ook hebben onderzocht.

Volgens velen ter rechterzijde heeft de donuteconomie veel gemeen met een ander, algemener bekend spook dat ooit door Europa waarde. (Een libertaire tegenstander van het model omschreef het als ʻzoʼn beetje dezelfde lijst die progressieven de afgelopen eeuw of langer hebben gewild.ʼ) Raworth van haar kant heeft echter duidelijk gesteld dat de donuteconomie niet noodzakelijk een recept is voor socialisme of voor kapitalisme – of, wat dat aangaat, voor welke bekende economische theorie dan ook:

Soms als ik de ideeën van de donuteconomie uitleg, zeggen mensen: ʻIs dit kapitalisme? Is dit communisme? Is dit socialisme?ʼ En dan denk je: ʻEcht? Zijn dit de enige keuzes die we hebben? De ismen van de vorige eeuw? Kunnen we niet met onze eigen ideeën komen?ʼ

En toch, ondanks de ambivalentie ten opzichte van de grote ʻismes,ʼ heeft de donuteconomie niet geleid tot ongerustheid onder de machthebbers in het bedrijfsleven en de overheid, maar juist hun steun gekregen. In 2018 werd Raworth uitgenodigd om te spreken op het World Economic Forum, en in 2019 sprak ze op de door de bank BNP Paribas gesponsorde High Yield and Leveraged Finance Conference. Voormalig Brexit-minister en hardrechts Tory-parlementslid David Davis is volgens Raworth donut-gek. En volgens de vroegere Nederlandse premier Balkenende weet voormalig Unilever-topman Paul Polman ʻalles van [Raworths] boek.ʼ

Dus waarom is een ogenschijnlijk postkapitalistisch economisch systeem aantrekkelijk voor zo veel van Europaʼs machtigste personen en instellingen? Het voorbeeld van Amsterdam biedt enkele antwoorden.

De ʻAmsterdamse aanpakʼ

De reis van deze stad naar de donuteconomie begint met een ʻcity selfieʼ – een onderzoek naar het sociale en ecologische welzijn van de stad. Volgens de eigen analyse uit 2020 van het Amsterdamse stadhuis staat de stad er niet zo goed voor: de stad overschrijdt de planetaire grenzen op het gebied van grondgebruik, afvalproductie, kunstmestgebruik, oceaanverzuring en koolstofuitstoot. Intussen hebben veel Amsterdammers het moeilijk: bijna twintig procent van de huurders in de stad kan na betaling van de maandelijkse huur niet in de basisbehoeften voorzien.

Om deze problemen aan te pakken, stelt Raworth voor dat Amsterdam ʻtwee grote, dynamische veranderingenʼ moet doorvoeren. In de eerste plaats zou de stad haar lineaire ʻtake-make-disposeʼ-economie moeten loslaten en vervangen door een circulaire economie, waarin producten en materialen langer in gebruik worden gehouden. In de tweede plaats moet de stad overgaan van gecentraliseerde naar gedistribueerde ʻkansen en waarde,ʼ zodat de rijkdom wordt gedeeld ʻmet allen in de samenleving die deze mede creëren.ʼ Beide doelstellingen klinken uiterst zinnig. Waarom, zo vraag je je af, zijn ze dan nog niet eerder werkelijkheid geworden?

Raworth en haar volgelingen willen je doen geloven dat de sociale en ecologische crises van Amsterdam te wijten zijn aan een gebrek aan goede ideeën – dat tot voor kort niemand eraan gedacht heeft een economie na te streven waarin in ieders basisbehoeften wordt voorzien, of waarin de vraag van de mensheid naar ecologische hulpbronnen niet groter is dan de regeneratieve capaciteit van de aarde. Er zijn zelfs anekdotes die dit idee ondersteunen. Raworth vertelt bijvoorbeeld dat een ambtenaar van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en Klimaatverandering tegen haar zei dat het horen over de donuteconomie was ʻals regen die op dorre grond valt.ʼ De Amsterdamse locoburgemeester voor duurzaamheid, Marieke van Doorninck, vindt het model al even opzienbarend: ʻIk ben opgegroeid in de tijd van Thatcher en Reagan, met het idee dat er geen alternatief is voor ons economisch model. Het lezen over de donut was als: Eureka! Er is wél een alternatief!ʼ

Als de indruk is ontstaan dat het probleem van Amsterdam een tekort aan creatieve ideeën is, dan zou daaruit kunnen volgen dat een stortvloed aan input en enthousiasme van zoveel mogelijk mensen nodig is. En dat is precies waar in Amsterdam om wordt gevraagd. In het Amsterdam City Doughnut-rapport wordt bijvoorbeeld beweerd dat de stad zich in een ideale positie bevindt om ʻtransformatieve actieʼ te ondernemen vanwege de bekroonde ʻAmsterdam Approachʼ voor ʻcollaboratieve innovatie,ʼ waarbij ʻdiverse belanghebbenden in de stad,ʼ waaronder ʻbuurtinitiatieven, start-ups en het maatschappelijk middenveld,ʼ worden gekoppeld aan de ʻgevestigde instellingen van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen.ʼ De Amsterdam Doughnut Coalition, een netwerk van individuen en organisaties dat de Amsterdamse donut-transformatie ondersteunt, stelt in haar jaarverslag 2019-20 een soortgelijke aanpak voor:

Wij richten ons op die 1%ers, de scheppers, de initiatiefnemers, degenen die eerst iets in de praktijk brengen en daar pas later over gaan theoretiseren. Het maakt niet uit of ze stagiaires zijn of CEOʼs (sic), zolang ze maar die aanstekelijke positieve energie hebben die we zo hard nodig hebben om systemische verandering teweeg te brengen.

De donuteconomie heeft een gat in de kern

Het teweegbrengen van systemische verandering gaat echter niet alleen over het aanwenden van ʻaanstekelijke positieve energie.ʼ Het gaat ook – om het taalgebruik van de Doughnut Coalitie te citeren – over het verdrijven van diepgewortelde negatieve energie. Om dit voor elkaar te krijgen is er strijd nodig die verder gaat dan de intellectuele strijd die Raworth voert tegen de mainstream-economen.

Dit is iets wat de linkse milieubeweging van de stad maar al te goed weet. Reeds decennia lang – lang voordat iemand van de donuteconomie had gehoord – dringen zij aan op een economie die iedereen een fatsoenlijk leven biedt en tegelijkertijd de gezondheid van de planeet in stand houdt. Maar hun pogingen om de economie daartoe te democratiseren, te decommodificeren en koolstofvrij te maken zijn grotendeels tenietgedaan door de heersende klasse van de stad, die in plaats daarvan een tijdperk heeft ingeluid van lagere belastingtarieven voor de rijken, financiële deregulering, krimpende sociale uitkeringen en verminderde vakbondsdeelname.

Links weet dat de crisis die Amsterdam teistert geen crisis van ideeën is, maar een crisis van de macht: Zolang de kapitalisten, en niet de werkers, overheid en industrie in handen houden, zal de economie een kapitalistische economie blijven, gehoorzaam aan dezelfde logica van privatisering, groei en ecologische uitbuiting die in de eerste plaats tot de Amsterdamse crises heeft geleid. ʻWij zien de donuteconomie niet als een levensvatbaar “alternatief voor het kapitalisme”,ʼ zegt Olaf Kemerink, voorzitter van de linkse jongerenorganisatie ROOD, voorheen verbonden aan de SP, tegen Jacobin. ʻZolang je de fundamentele productieverhoudingen niet verandert en de staat niet democratiseert, zal het kapitaal altijd proberen zijn winsten te maximaliseren en zal de staat dit in stand houden.ʼ

Wie deze dynamiek in actie wil zien, moet naar de Amsterdamse woningcrisis kijken. In 2018 had slechts twaalf procent van de bijna zestigduizend woningzoekenden die online een aanvraag indienden voor een sociale huurwoning succes; uit een recent onderzoek bleek intussen dat de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning in de stad bijna veertien jaar bedraagt. Meer woningen bouwen maakt zeker deel uit van de oplossing, maar zolang woningen koopwaar blijven, zullen veel te weinig van deze nieuwe woningen betaalbaar zijn.

Dat is het geval op Strandeiland, het nieuwste wooneiland van de stad, dat door de pleitbezorgers van de donuteconomie wordt aangeprezen als een toonbeeld van de groene, sociaal rechtvaardige bona fides van het project. (Iedere aannemer die op het eiland wil bouwen, moet bijvoorbeeld een ʻmaterialenpaspoortʼ overleggen, zodat de stad de onderdelen kan hergebruiken wanneer de gebouwen worden afgebroken). Maar van de achtduizend nieuwe woningen die op het eiland zullen worden gebouwd, is slechts 40 procent bestemd voor sociale huisvesting, terwijl 25 procent zal bestaan uit woningen met middelhoge huurprijzen en 35 procent in het hogere segment zal vallen. Deze verhouding van 40-25-35 is feitelijk een projectontwikkelaar-vriendelijke (en dus lage-huren-onvriendelijke) uitzondering op de 40-40-20-verhoudingsregel die de stad in 2017 heeft ingesteld voor nieuwe woningen.

De bestaande voorraad betaalbare woningen in de stad blijft echter een prooi voor de markt. Uit recente schattingen blijkt dat in de nabije toekomst ongeveer dertigduizend sociale huurwoningen in Amsterdam ʻgeliberaliseerdʼ zouden kunnen worden, wat betekent dat ʻde huren makkelijk boven de duizend euro per maand kunnen uitkomen, waardoor ze onmiddellijk onbetaalbaar worden voor lagere- of middeninkomensgroepen,ʼ aldus Gertjan Wijburg van de Universiteit Utrecht. De gemeente Amsterdam heeft bij de rijksoverheid gelobbyd om de geliberaliseerde huren tijdelijk of permanent op een lager niveau te mogen bevriezen – en de marktwaardedrempel op te trekken die aanleiding geeft tot huurliberalisatie. Aan deze oproepen is echter geen gehoor gegeven. In februari kondigde de stad aan te zullen onderzoeken of sociale huurwoningen van corporaties kunnen worden gekocht om te voorkomen dat ze in handen van beleggers vallen, maar ook dat idee is niet doorgezet. ʻBij gebrek aan sterkere publieke toezeggingen, heeft de stad geen andere keuze dan de marktlogica te volgen in de zoektocht naar levensvatbare huisvestingsoplossingen,ʼ stelt Wijburg.

Een sterke huurdersbeweging zou deze en andere decommodificatiestrategieën naar de top van de nationale agenda kunnen brengen. Voorstanders van de donuteconomie roepen echter niet op tot zoʼn beweging, omdat zij de weg naar een rechtvaardig en gezond Amsterdam niet zien als een conflict met kapitalistische belangen. Loco-burgemeester Van Doorninck schetste een heel andere oplossing voor de woningcrisis in de stad. ʻEr stroomt veel kapitaal de wereld rond dat op zoek is naar beleggingsmogelijkheden, en op dit moment wordt vastgoed gezien als de beste manier om te beleggen, dus dat drijft de prijzen op,ʼ zei ze tegen de Guardian. ʻDe donut brengt ons niet de antwoorden, maar een andere manier om hiernaar te kijken, zodat we niet in dezelfde structuren blijven doorgaan als vroeger.ʼ

Op weg naar het ʻbagelsocialismeʼ

Als er al een impliciete notie in de donuteconomie zit over hoe de status quo zal veranderen, dan is het dat kapitalisten, ogenschijnlijk voor het eerst geconfronteerd met het idee van een duurzamere en sociaal rechtvaardige economie, massaal tot de rationele conclusie zullen komen dat de zaken niet op de oude voet voort kunnen gaan. ʻWij proberen misschien te werken met de coalition of the willing, maar ik denk wel dat de willing een voorbeeld kunnen zijn voor anderen,ʼ zegt Van Doorninck.

Het is een dubieuze theorie, maar zij verklaart wel voor een groot deel waarom zo veel zogenaamd progressieve CEOʼs en andere liberale elites de donuteconomie wel zien zitten, omdat ze die terecht niet als een bedreiging zien. Het verklaart ook waarom Amsterdam waarschijnlijk moeite zal hebben zijn doelstellingen op het gebied van sociale en ecologische rechtvaardigheid te halen. De Nederlandse centrale bank verwacht dat het Nederlandse bbp in 2021 met 3 procent zal groeien, en in 2022 met 3,7 procent. En de plannen van het land om tegen 2050 een circulaire economie tot stand te brengen, zullen naar verwachting alleen maar bijdragen aan deze groei: het Planbureau voor de Leefomgeving, een onderzoeksinstituut dat de Nederlandse overheid adviseert, ziet in de transitie een kans van 7 miljard euro voor de Nederlandse economie.

ʻDe theorie van Kate Raworth is natuurlijk heel idealistisch, maar ook heel naïef,ʼ zegt Tiers Bakker, gemeenteraadslid in Amsterdam voor de SP. ʻWe hebben geen donuteconomie nodig. We hebben bagelsocialisme nodig.ʼ

Een door werkers geleide economie die voorziet in de behoeften van iedereen, binnen de grenzen van de planeet – noem het ʻbagelsocialismeʼ of ecosocialisme – blijft vooralsnog buiten bereik in Nederland. Links Nederland is, zoals Cas Mudde opmerkt, meer dan ooit versplinterd. En zoals Alex de Jong in Jacobin heeft betoogd, verkeert de eens zo bloeiende SP in een crisis, met een dalend ledental en een leiderschap dat heeft gehint op een coalitie met rechtse partijen. Ondanks brede steun voor links beleid onder het electoraat, neemt het aandeel van de partij in de uitslagen bij nationale verkiezingen af.

Dit is zeker een slechte timing gezien de urgentie van het huidige politieke moment. Maar het weerhoudt socialisten als Bakker er niet van om nu al te werken aan kleinschalige initiatieven die laten zien hoe een socialistisch alternatief voor de donuteconomie er in Amsterdam uit zou kunnen zien, zoals een programma van de SP waarbij het voedseloverschot van lokale bedrijven wordt ingezameld en zonder inkomenstoets onder de bewoners wordt verdeeld. ʻIn een ideale wereld zouden we de sprong wagen en resoluut actie ondernemen met de macht van het volk achter ons,ʼ zegt Bakker. ʻVoor nu moeten we een alternatief model laten zien door zoiets simpels maar fundamenteels als voedseldistributie.ʼ

Het goede voorbeeld geven is nuttig, maar tegelijkertijd onvoldoende. Als we een leefbare toekomst willen hebben, zal links in Amsterdam en daarbuiten de macht moeten grijpen, en wel snel. De feiten zijn duidelijk: we kunnen ofwel een fatsoenlijk leven voor iedereen verwezenlijken binnen de grenzen van de planeet, of we kunnen kapitalisme hebben. En we kunnen het ons niet veroorloven om agnostisch te zijn over welk lot we kiezen.

Vertaling: Menno Grootveld

(*) Jordan G. Teicher is schrijver en woont in Brooklyn. Zijn werk verscheen onder meer in The New York Times, The Guardian, en The New Republic.