Marretje Arents is beroemd geworden dankzij haar deelname aan het Pachtersoproer van 1748. Deze reeks onlusten begon op maandag 24 juni in Amsterdam: in drie dagen tijd werden negentien huizen van pachters en andere bij de belastinginning betrokken personen geplunderd. Marretje Arents zou die maandagmorgen gekleed in opvallend rood sits aanwezig zijn geweest op de Botermarkt (nu Rembrandtplein), toen schutters daar twee oproerige burgers neerschoten. Zij schreeuwde ‘Schieten burgers burgers dood!’ en riep om wraak, aldus de stadshistoricus Jan Wagenaar. Verder zou zij omstanders hebben aangemoedigd om stenen te pakken. Van de Botermarkt zou ze met een schort vol stenen naar het huis van impostmeester De Nooy zijn getogen en er de ruiten hebben ingegooid. Daarna had zij geholpen zijn huis te plunderen, evenals de huizen van vier pachters. Bij een van hen deed zij zich te goed aan het aangetroffen ‘Jopenbier’, waarna zij in beschonken toestand huiswaarts keerde, aldus opnieuw Wagenaar.

 

(van http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/Arents)

Volgens kroniekschrijver Abraham Chaim Braatbard was Marretje Arents de dag na de plunderingen met anderen naar het huis van de hoofdofficier gegaan en had ze tegen hem gezegd: ‘Vandaag zijn wij de baas en morgen komen wij naar jou op het raadhuis. Dan zullen we zien, wat wij met jullie allemaal, jullie heren landdieven, zullen doen’. Na dit dreigement tilde zij haar rokken op en sprak ‘op deftige wijze’: ‘Nu kun je me mijn aars schoonmaken, want zoveel heb ik voor je over’ (Fuks, 144; Braatbard, 57).

Sta mij bij’

plunderenmaretjeNa de rellen verscheen Marretje Arents gewoon weer op haar marktplaats bij de beurs. Daar werd ze op 27 juni 1748 opgepakt door de onderschout. Ze werd in de Boeien onder het stadhuis op de Dam opgesloten en geconfronteerd met de beschuldigingen. Zij ontkende alles, maar haar buurvrouw getuigde dat Mat Arents wel degelijk bij de rellen op de Botermarkt aanwezig was geweest. Ook twee andere ‘fatsoenlijke burgers’ getuigden onder ede tegen haar.

Marretje Arents bleef ontkennen, totdat de hoofdofficier met tortuur dreigde. Nu zei ze dat ze alleen op de Botermarkt was geweest omdat haar kinderen daar waren. Toen de schepenen toestemming gaven haar op de pijnbank te leggen, beweerde ze opeens bij alle onlusten betrokken te zijn geweest, welke bekentenis zij op 28 juni vrijwillig zonder tortuur herhaalde. Nog dezelfde dag kreeg ze het vonnis voorgelezen: doodstraf door ophanging. Rond twaalf uur werd Marretje Arents met twee andere ter dood veroordeelde ‘aanvoerders’ van het oproer naar de Waag tegenover het stadhuis gebracht. Volgens een toeschouwer was Marretje Arents knalrood en riep zij voortdurend om wraak. De trommelaars speelden extra luid om haar opruiende taal onverstaanbaar te maken.

In zijn kroniek geeft Braatbard een uitvoeriger versie van Marretje Arents’ laatste woorden: ‘Wraak, mijn lieve burgers, sta mij bij. Want gij laat mij nu zo schandelijk sterven, terwijl ik toch niet voor mijzelf gevochten heb. Ik heb het toch gedaan voor het gehele land, tegen de dwingelandij van de pachters, door wie wij burgers zo gekweld werden en die ons met geweld ons geld en goed afnamen voor de pacht’. Met enige moeite werd Marretje Arents vervolgens aan een katrol uit het raam van de Waag getakeld. Zij bleef schreeuwen om wraak en spartelen totdat zij het leven liet.

Na de terechtstelling van de tweede veroordeelde, bijgenaamd ‘de Burgemeester’, braken er onlusten uit op de Dam, die uitliepen op een bloedbad. Dat kwam volgens sommigen doordat het toegestroomde publiek alles goed wilde zien en mensen begonnen te dringen. Anderen vermoedden dat een groep burgers de veroordeelden wilde ontzetten, aangespoord door het wraakgeroep van ‘het limoenwijf’. Voor Marretje Arents was alle hulp te laat. Haar levenloze lichaam werd overgebracht naar het galgenveld van Volewijk (Amsterdam-Noord).

 ---------------------

 Een ooggetuigenverslag
In de Jiddische kronike van Chaim Braatbard stond geschreven:
Woedende burgers trokken naar de Keizersgracht waar de meeste belastingpachters in kapitale herenhuizen woonden.
Het ene huis na het andere werd bestormd en geplunderd.
Alles werd kort en klein geslagen. Wie trachtte zichzelf te verrijken werd met de buit en al in de gracht gegooid en verdronk.