6 oktober 2021 – Op 8 oktober onderhandelen zo ‘n 140 landen over een wereldwijde belasting op multinationale bedrijven. Dit gebeurt binnen de schoot van de OESO, en het initiatief is bekend als BEPS (“Base Erosion and Profit Shifting”; m.a.w. het afbrokkelen van de belastingsgrondslag, en het verplaatsen van de winst naar fiscaal gunstige oorden).  Over plannen in die richting is er sinds vele jaren sprake, maar iets concreets kwam er tot dusver niet uit de bus.

 

(Door Herman Michiel, overgenomen van Ander Europa)

Toen de nieuwe Amerikaanse president Biden in april aankondigde zich hiervoor te zullen inzetten leek er een kentering op komst. Zelfs de Europese Unie – die altijd voorstellen in die richting had afgedaan als ‘buiten de competentie van de Unie’ – moest wel een standpunt proberen in te nemen. Ondertussen was binnen de G7, de club van de rijkste landen, het oorspronkelijk idee van een belasting op multinationals van minimaal 21% al afgezwakt tot 15%. Maar ook dat was voor sommige lidstaten nog te veel. Zoals bekend maakte Ierland met zijn 12,5% (en allerlei fiscale ‘deals’) zich tot de Europese uitvalsbasis van Amerikaanse internetgiganten als Google, Apple of Facebook; Dublin leek niet bereid om zijn ‘concurrentieel voordeel’ uit handen te geven. Ook Hongarije (9%) zette zich schrap. Nogal grappig is dat Paschal Donohoe, de Ierse minister van financiën, ook de voorzitter is van de eurogroep, en dus de vergaderingen leidt met zijn Europese collega’s van de eurozone waar dergelijke aangelegenheden besproken worden.

Toch zei Ierland onlangs dat het er vertrouwen in heeft de tax deal te zullen ondertekenen. Druk vanuit de EU? Wie weet, maar waarschijnlijker is dat de deal, na talloze formele en minder formele besprekingen, zo afgezwakt is en zoveel sluipwegen toelaat dat de ondertekening nog weinig om het lijf heeft. Een globaal akkoord eind oktober in de schoot van de G20 is dus niet onmogelijk, maar lijkt niet echt meer iets om naar uit te kijken.

De besprekingen draaien rond twee ‘pijlers’. Pillar Two gaat over de minimale belastingsvoet die moet toegepast worden op multinationale ondernemingen, en zoals reeds vermeld lijkt er een compromis in de maak over 15%. Daarnaast is er Pillar One, waardoor een deel van de belastingsopbrengst zou terugvloeien naar het land waar de inkomsten gegenereerd werden, en dus niet enkel ten goede zou komen aan het belastingsterritorium waar het bedrijf (of zijn postbus …) juridisch gevestigd is. Dit lijkt ook de mogelijkheid in te houden om eindelijk de internetgiganten hun deel te doen afdragen.

Dit lijkt misschien een te schuchter, maar dan toch een reëel begin van een eerlijker belastingsheffing. Maar de duivel steekt in de details, zoals Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz schreef. Er zijn allerlei beperkingen en voorwaarden waardoor een eventueel akkoord een schaamlapje dreigt te worden waarachter bedrijven, neoliberale regeringen en internationale organisaties zich kunnen verschuilen.

We vernoemen een paar van deze duivelse ‘details’ zoals ze naar voor komen uit het compromis dat in de maak is. [1]

  • Het wereldwijd gemiddelde van het officieel belastingstarief op multinationals ligt momenteel rond 25%. Het voorgestelde tarief van minimaal 15% zou dus wel eens het wereldwijde maximumtarief kunnen worden. Of zoals Thomas Piketty schreef in Le Monde (13-14 juni 2021): bedrijven zouden nog steeds hun winsten kunnen plaatsen in belastingsparadijzen, en ook al wordt er dan 15% op geheven, de oligarchen zullen nog steeds veel minder belasting betalen dan de gewone sterveling.
  • Het motto van de eerste pijler is dat winsten belast worden waar die gerealiseerd worden, dus waar de economische activiteit plaats heeft. Een goed beginsel, maar… Dit principe wordt alleen toegepast op multinationals met een omzet van minstens 20 miljard €, en minstens 10% winstmarge. Daar zouden naar schatting slechts 100 grote bedrijven voor in aanmerking komen, en alleen een gedeelte (20 à 30%) van de ‘residuele winst’ (boven de 10%) zou gaan naar de landen waar de winst werd gerealiseerd!!
  • Een bijzonder pervers gevolg van de 10%-drempel is dat bijvoorbeeld Amazon van de regel zou vrijgesteld worden. Weliswaar was er in 2020 een omzet van 386 miljard $, maar de winstmarge bedroeg ‘slechts’ 6,3%. Washington zorgt voor zijn giganten!
  • Bijna nog stuitender is dat ook extractieve bedrijven, scheepvaart en gereglementeerde financiële diensten niet onder Pillar One zouden vallen. Men kan hier de hand in zien van de lobby’s van de mijnbouw (lees: roofbouw in het Zuiden), de grote reders en natuurlijk de financiële sector, de Londense City. De verantwoording is dat banken al zeer gereglementeerd zijn (!), dat de mijnbouw niet direct op de consument gericht is en bovendien perspectieven biedt aan ontwikkelingslanden… Les excuses sont faites pour s’en servir!
  • De ‘minimale’ heffing van 15% waarvan sprake in de tweede pijler is ook alleen van toepassing op multinationals met een omzet van minstens 750 miljoen €. Het is niet duidelijk of de ‘kleintjes’ dan bijvoorbeeld aan een tarief van 10 of minder procent zullen belast worden.
  • Er blijven heel wat vragen. Zo spreekt de OESO zich uit tegen tegen ‘eenzijdige maatregelen’ van overheden. Betekent dit dat een overheid een multinationals opererend op haar grondgebied niet aan 20 of 25 % kan belasten? De vraag is ook waar geschillen kunnen beslecht worden. Er zou een globaal fiscaal Hof moeten zijn, maar ziet men hierover al ooit een akkoord ontstaan binnen de Verenigde Naties?

Wat er uiteindelijk uit de bus zou komen valt af te wachten. Maar het is zeer onwaarschijnlijk dat het beter zal zijn dan wat nu te voorzien valt. (hm)

[1] Ik maakte gebruik van de nieuwsbrief (oktober 2021) van Kairos Europe (Wallonie-Bruxelles) die gedeeltelijk aan de tax deal gewijd is, en het artikel How the US got the upper hand in the OECD tax reform proposals in Euractiv.