De groei creëert geen rijkdom, maar armoede. Het kapitalisme werpt ons van de ene crisis in de andere en stelt slechts evenveel ellende in het vooruitzicht als dat het miserie achter zich laat. Volgens de filosoof Gérard Briche is “de arbeid vervangen door de productie van reële rijkdom – dit perspectief is dus geen utopie, […] de enige wenselijke uitweg uit de crisis” … Nog een tekst in de serie “Voorbij het kapitalisme, voorbij de arbeid…”

 

(oorspronkelijk verschenen op http://ovl.indymedia.org/)

Het officiële discours over de crisis verschijnt op twee complementaire en schijnbaar contradictorische manieren. Aan de ene kant praat men meer en meer over het “einde van de crisis”, over het “hernemen van de groei”, met als bewijs dat de beursnoteringen weer de hoogte ingaan, en aan de andere kant erkent men het uitblijven van jobcreatie, van een stagnatie van de werkloosheid. Het gevolg is een gematigd optimisme, en een oproep tot geduld aan de loontrekkers (“de creatie van werkgelegenheid zal wel gebeuren – op een later tijdstip”).

Dit alles is vals, en heel sluw, want onderdeel van de propaganda en van de simpele onwetendheid over het mechanisme van de crisis. Trouwens, de politieke en economische leiders zijn in hetzelfde bedje ziek, en de zogenaamde “experts” houden hetzelfde leugenachtige of onwetende discours. Tot op het punt zelfs dat we haast alles wat er gezegd wordt over het onderwerp van nul en generlei waarde kunnen beschouwen: onnodig om de “verklaringen” proberen te “begrijpen”, die niets meer zijn dan praatjes om het verplichte optimisme te rechtvaardigen over de “gezondheid” van ons economisch systeem.

De waarheid is dat de crisis, ver van op haar einde te lopen, verergert, en dat de maatregelen voor een “economische relance”, ver van een uitweg te bieden, haar slechts verscherpen. De reden is dat ons systeem lijdt aan een ziekte waarvoor er geen remedie bestaat, omdat het gebaseerd is op de groei van de productie, en dat de groei geen rijkdom produceert: zij produceert armoede.

Deze uitspraak lijkt absurd. Zij spreekt de schijnbare evidentie tegen dat de groei van de productie rijkdom produceert; evidentie die quasi unaniem gedeeld wordt door de “experts”, wat overigens hun vermeende expertise onmiddellijk diskwalificeert. Nochtans toont een kritische analyse van wat de arbeid is in ons economisch systeem dat hij slechts armoede creëert, en dat iedere heropleving van de arbeid in de huidige omstandigheden een crisisfactor is.

Wat creëert de arbeid? Hij creëert rijkdom, zeker, maar hij creëert rijkdom op een contradictorische manier. Aan de ene kant is er reële rijkdom, of materiële rijkdom (nuttige producten), en aan de andere kant is er waarde (kapitaliseerbaar). Door de twee soorten van rijkdom gelijk te stellen, veroordeelt men zichzelf om niets te begrijpen, noch van de waarheid van de economie, noch van de crisis – en dat is waarom de meerderheid van de zogenaamde “experts” niets begrijpen, noch van het ene, noch van het andere.

Nochtans is de waarde het tegengestelde van de reële rijkdom, en de groei van de waarde gebeurt ten koste van de reële rijkdom, met als gevolg dat de groei van de waarde in feite groei van de armoede is. Dat vraagt om enige uitleg.

Wat men de arbeid noemt vertoont twee contradictorische aspecten : enerzijds is er een “concreet” aspect, dat zich in de gefabriceerde producten manifesteert, en anderzijds is er een “abstract” aspect, de waarde van die producten, dat zich manifesteert in de geldsom die deze producten representeren (en die zichtbaar is in de koop en de verkoop). Kortom, alle arbeid is in ons economisch systeem tegelijkertijd “concreet” en “abstract”, wat ook de natuur van die arbeid is : er is evenveel abstracte arbeid in de fabricatie van een tafel dan in het ontwerpen van een computerprogramma.

Toch is het, in ons economisch systeem, de abstracte dimensie van de gefabriceerd producten die de belangrijkste is. In feite, wat belangrijk is, is dat er waarde in de producten is, dat wil zeggen dat men ze kan ruilen tegen een som geld die men weer kan investeren (en we weten dat de industrie de voorkeur geeft aan producten met een zogenaamde “grote toegevoegde waarde”).

Het logisch gevolg hiervan is dat de concrete dimensie van de producten niet ten dienste staat van de praktische gebruikswaarde die zij kunnen hebben voor de mensen, maar dat zij de rol van simpele drager van hun waarde in de ruil heeft, die men zo hoog mogelijk probeert te maken.

Niettemin moet de koper in staat zijn om het product te kopen, zoniet wordt de waarde niet gerealiseerd (in zijn monetaire vorm) en blokkeert het proces. Het is dus nodig dat de prijs van het product slechts de kost van zijn “concrete” realiteit in een zo laag mogelijke proportie representeert. Dit doet men door het betaalde deel van de menselijke arbeidskracht (het loon) maximaal te verlagen, net zoals de productiekosten (grondstoffen, …). Met als gevolg dat de producten steeds armer zijn…, maar steeds meer waarde realiseren – in theorie (dat wil zeggen: als ze verkocht worden).

Deze groei van de armoede, die het andere gezicht is van de groei van de waarde – en niet haar tegendeel – , is onvermijdelijk in ons economisch systeem gebaseerd op de handelswaarde, en ten prooi aan de concurrentie. Hij is eveneens de indicatie dat dit systeem zijn ondergang tegemoet gaat naarmate het zich ontwikkelt. Dit wordt samengevat in de heel bekende formule: “het kapitalisme produceert zijn eigen doodgravers”, formule die men goed moet begrijpen, en niet enkel herhalen.

Hiervoor moeten we terugkeren naar de manier waarop de arbeid rijkdom produceert. In het productieproces vertoont de aangeworven (en met een loon betaalde) arbeidskracht het kenmerk dat hij meer rijkdom produceert dan de waarde uitgedrukt in het loon waartegen men hem koopt. Dit is het “geheim” van de warenproductie, zorgvuldig verborgen door de valse formule die zegt dat het een arbeid is die door het loon gekocht wordt. En hier ligt de oorsprong van deze waarde, die in de verkoop van de koopwaar zichtbaar wordt, en die duidelijk hoger is dan de waarde van het loon tegen dewelke de arbeidskracht, deze heel specifieke koopwaar, verkocht werd door de proletariër.

De druk van de internationale concurrentie en, sinds bijna een halve eeuw, de uitzonderlijke productiviteit opgewekt door de wetenschappelijke en technologische revolutie van de micro-elektronica, heeft de contradictie die aan de basis ligt van het kapitalistische economische systeem en die de waarheid van haar aangekondigde dood is, tot het uiterste gebracht. Deze contradictie is de volgende: enerzijds is de arbeidskracht een noodzakelijk element van het productieproces, en anderzijds komt die arbeidskracht in steeds kleinere proporties aan bod in het productieproces (en dit is nog meer waar voor het betaalde deel van de arbeid).

Inderdaad, op het globale maatschappelijke niveau, spelen wetenschap en techniek een steeds grotere rol, tot op het punt dat wat kortzichtige analisten het einde van de arbeidskracht als noodzakelijk element aankondigen, en de komst van een “cognitief kapitalisme” waar de enige productieve kracht de wetenschap zou zijn.

Wat is hier nu van aan? Zeker, op het globale sociale niveau komen wetenschap en techniek steeds meer tussen als “productieve krachten”, en de “onmiddellijke arbeid” in steeds kleinere proporties. Dit vertaalt zich, op het vlak van de arbeiders, enerzijds in een permanente stijgende arbeidsproductiviteit (en dus tegen een steeds lager betaald deel), en anderzijds in een groeiende uitsluiting uit het productieproces van arbeiders die steeds minder noodzakelijk zijn voor de productie van waarde. Want het is wel degelijk de geproduceerde (en kapitaliseerbare) waarde die belangrijk is, en niet de reëel geproduceerde rijkdom, die nagenoeg onbelangrijk is in het kapitalistische economische systeem (het nut van de koopwaar interesseert het kapitalisme niet).

Deze productiviteit, en het overbodige karakter van de arbeid, zijn trouwens het teken dat in een systeem dat niet streeft naar de productie van waarde, maar naar de productie van reële rijkdom (goederen en diensten die geproduceerd worden voor hun praktische bruikbaarheid), men onmiddellijk voorbij de arbeid zou kunnen gaan. Dat wil zeggen: de arbeid vervangen door de productie van reële rijkdom – dit perspectief is dus geen utopie, het is zelfs de enige wenselijke uitweg uit de crisis…

Maar dit zou een radicale breuk vereisen met de visie van de productieve activiteit. Terwijl de visie die vandaag door alle economisten gedeeld wordt, van rechts tot links, deze is dat men moet produceren om te verkopen en verkopen om te produceren: het bewijst dat ze zich situeren op het niveau van de waarde, en niet op het niveau van de reële rijkdom. En deze visie leidt tot de idee dat de crisis maar overwonnen kan worden door nog meer te verkopen, om nog meer te produceren, om nog meer te creëren! Natuurlijk, het gaat om het produceren van waarde, realiseerbaar en kapitaliseerbaar. De paradox is dat men, in deze wanhopige acceleratie van de handel en van de productiviteit gericht op winst, ook de val van het aandeel van de arbeidskracht in het productieproces versnelt, dat wil zeggen van het onmisbare element voor de productie van waarde. En als de waarde van dat element naar nul tendeert, dan eindigt het totaal, hoe groot de vermenigvuldigingscoëfficiënt (de productiviteit) ook moge zijn, vroeg ook laat ook met nul.

Dat is vandaag de situatie. Het is crisis omdat de waarde tegenwoordig fictief is. In feite verhult het idiote of hypocriete discours dat een “financieel kapitalisme” tegenover een “gezond kapitalisme” stelt het feit dat het het kapitalistische systeem in zijn geheel is dat in het ijle trapt. We zijn inmiddels wel voorbij het tijdperk dat men de illusie kon geven, of waar men kon geloven dat, mits regulering, het een gezond en rechtvaardig systeem zou zijn. De kloof tussen reële rijkdom en waarde wordt alsmaar dieper en de financialisering van het kapitalistische systeem, geaccentueerd door de mondialisering, is er de onvermijdelijke consequentie van. Want met de mondialisering, is het de gehele wereld die zich vandaag in de dolle koers van de veralgemeende accumulatie van het kapitaal heeft gestort, accumulatie die iedere dag moeilijker wordt, en die de levens van mensen en van de natuurlijke hulpbronnen vernietigt.

In feite: door de hoeveelheid van de waren te vergroten tegen de prijs van de uitsluiting van de arbeiders, dat wil zeggen door de arbeid uit te stoten van de producenten die ook consumenten zijn, plundert men de hulpbronnen door steeds meer kopwaren te produceren, terwijl men tegelijkertijd de mogelijkheid om ze te verkopen “vernietigt”. Deze crisis is de crisis van een structureel dodelijk systeem, van een waanzinnige machine, waarbij het bovendien nutteloos is om de bestuurders te beschuldigen, want zij zijn zelf de dienaars van een automatisch mechanisme.

Men moet het beste hopen, maar het is duidelijk dat we nog maar aan het begin staan van een nog grotere crisis, zonder precedenten, wat men ook zegt, en die zou kunnen uitlopen op de totale ineenstorting van het systeem in een barbarij waarvan men hier en daar op de planeet het aangezicht al kan zien.

Tenzij de verslechtering als effect heeft dat aangetoond wordt dat de zogenaamde remedies illusoir zijn. En dat het onmogelijke eindelijk als enige realistische oplossing verschijnt: de arbeid als schepper van waarde afschaffen en de tafel van de categorieën omgooien om een systeem op te zetten waar de activiteiten reële rijkdommen produceren. In die zin, zou men bijna gaan hopen dat de crisis erger wordt.

______

(Oorspronkelijke titel :« Pourquoi la crise s'aggrave : la croissance ne crée pas de la richesse mais de la pauvreté », november 2009, gepubliceerd op verschillende sites op het internet.) Gérard Briche is professor in de esthetiek aan de Universiteit van Lille