Allerlei regeringen en internationale instellingen nemen paniekmaatregelen nu de arme bevolking van veel landen in opstand komt vanwege de gestegen prijzen voor voedsel. Maar het is ook nodig om te kijken naar de achterliggende oorzaken en daar wat aan te doen. Dit artikel is van Anuradha Mittal van het Oakland Institute (vertaling: globalinfo.nl)

De afgelopen weken hebben verschillende VN-instellingen waarschuwingen uitgevaardigd voor dreigende voedselrellen vanwege de plotselinge scherpe stijging van de prijs van rijst, maïs, tarwe en andere voedselgewassen. Marokko. Guinee, Egypte, Mexico, Haïti, Jemen, Mauritanië, Senegal, Indonesië en Uzbekistan zijn al opgeschud door massale protesten. Het Wereld Voedsel programma (WFP), dat 73 miljoen mensen in bijna 80 langen van voedsel voorziet, heeft donorregeringen opgeroepen om vóór 1 mei bij te dragen aan het ontbrekende bedrag van 500 miljoen dollar omdat anders de verplichtingen verzaakt zullen moeten worden.. Degenen die het meest geraakt worden door de ontwikkelingen, zijn de armen in ontwikkelingslanden die moeten overleven met minder dan $2 per dag.

De voedselprijzen op de wereldmarkt zijn tussen februari 2007 en (februari) 2008 met 39 procent gestegen. De reële prijs van rijst steeg in maart naar het hoogste peil sinds 19 jaar - en steeg in twee weken alleen al met vijftig procent - terwijl de reële prijs van tarwe de hoogste sinds 28 jaar is, wat een internationale crisis betekende. In beleidskringen worden verschillenden redenen genoemd voor deze crisis, waaronder de gestegen vraag in China, India en andere opkomende economieën, de gestegen prijs van brandstof en kunstmest, en klimaatverandering. World Economic Outlook (WEO), zojuist uitgebracht door het IMF, houdt biobrandstof verantwoordelijk voor bijna de helft van de stijging van consumptie van de belangrijkste voedselgewassen in 2006-07.

Regeringen vallen nu terug op wanhopige maatregelen om antwoorden te vinden op de groeiende sociale onrust die landen dreigt te destabiliseren. Pakistan voert voor het eerst in twintig jaar rantsoenkaarten in, Rusland heeft de prijzen van melk, brood, eieren en bakolie bevroren, China, India, Egypte, Vietnam en Cambodja hebben exportregels ingesteld voor belangrijke agrarische goederen.

Het is echter essentieel om te begrijpen welke achtergrond deze voedselcrisis heeft, alvorens naar snelle beleidsoplossingen te grijpen. Gedurende de laatste tientallen jaren zijn de armste landen in een neerwaartse spiraal gedwongen, die een directe bedreiging vormde voor voedselzekerheid en economische stabiliteit. Door de staat uitgevoerde instellingen zoals (*) marktraden ('marketing boards') werden afgebroken en ontwikkelingslanden gingen zich - aangemoedigd door internationale financiële instellingen en gesteund door de rijke landen - toeleggen op exportgerichte cashcrops als koffie, cacao, katoen en zelfs bloemen.

De verwijdering van tariefmuren hebben ervoor gezorgd dat Noordelijke landen de markten in de Derde Wereld konden overnemen doordat zij er zwaar gesubsidieerde goederen op dumpten terwijl de lokale voedselproduktie ondermijnd werd. Dit heeft als gevolg gehad dat ontwikkelingslanden omgeslagen zijn van netto exporteurs naar grote importeurs van voedsel. Waar ze in de jaren 1970 een handelsoverschot (in voedselgewassen) hadden van 1 miljard USD, veranderde dit in een tekort van 11 miljard in 2001. Het afbreken van marktraden die zowel producenten als consumenten beschermde tegen scherpe stijging of daling in prijs, heeft de situatie verder verslechterd.

In het kader van de huidige crisis roepen VN-instellingen nu regeringen op om hun inspanningen op het gebied van landbouw te verhogen en ze wijzen op de noodzaak van meer efficiënte markten. Maar deze maatregelen zullen nutteloos zijn als ze niet vergezeld gaan van de hoognodige structurele veranderingen die verzekeren dat mensen hun recht op voedsel hebben.

Ten eerste is het essentieel dat er veiligheidsvoorzieningen zijn en publieke distributiesystemen ingesteld worden die grootschalige honger kunnen voorkomen. De armste landen die geen middelen hebben moeten noodhulp vragen en krijgen om zulke systemen op te zetten. Donorlanden moeten met onmiddellijke ingang meer hulp geven om inspanningen van regeringen van arme landen te ondersteunen en de oproepen van de VN-instellingen te beantwoorden.

Ten tweede zijn noodinterventies vereist om de ontwikkeling van het platteland te bevorderen en landhervorming, waaronder de herverdeling van land. Ontwikkelingsbeleid zou gericht moeten zijn op de ondersteuning van de consumptie en productie van lokale gewassen die geteeld worden door kleine, duurzame boerderijen, in plaats van arme landen aan te zetten om zich te specialiseren in cash crops voor westerse markten. Van doorslaggevend belang voor de bescherming tegen dergelijke voedselcrises, is nationaal beleid op het gebied van de sturing van voorraden en prijzen, zodat de fluctuatie van voedselprijzen beperkt wordt.

De vorming van dit soort beleid hangt echter af van verschillende voorwaarden die te maken hebben met het principe van voedselsoevereiniteit dat landen in staat zou stellen om hun landbouw en hun markten te beschermen. Geen enkel geïndustrialiseerd land is in staat geweest om z'n landbouw op te bouwen zonder beschermende handelsbarrières. De huidige crisis zou een alarmkreet moeten zijn voor regeringen van ontwikkelingslanden om een vergelijkbare bescherming te garanderen voor de armste boeren en consumenten en een nieuwe boereneconomie op te bouwen die het middelpunt zou moeten voren van het ontwikkelingsmodel van het land.

==========

Toevoeging van vertaler: zie bijvoorbeeld Mozambique.