Met haar radicale landbouwhervorming wil de regering van India terug naar het winstmodel van de Britse koloniale periode. Ze weigert te buigen voor de grootste protestbeweging ooit ter wereld. De regering wil de poorten openen voor export van eigen basisvoeding én import van dure voedingsproducten ten bate van de agro-industrie, een maatschappelijk vernietigend recept richting hongersnood, of hoe de geschiedenis zich gruwelijk dreigt te herhalen. Dit terwijl het wel degelijk anders kan.

(Door Justin Podur, Globetrotter, vertaling door Dewereldmorgen, foto: De politie werpt blokkades op met grond en bulldozers. Foto: Randeep Maddoke/Public Domain)

De rechtse regering van India zet al haar moderne repressiemiddelen in tegen een historisch boerenprotest. Er staat veel op het spel. Voor de Indiase bevolking is het hun landbouwsysteem dat op losse schroeven komt te staan. Voor de boeren dreigt de ondergang, een miljoenenfailliet. Voor de regering van Narendra Modi en de elite die hem steunt, is dit een cruciaal moment: zij schatten dat, als ze de economische politiek van ruraal India kunnen omvormen en de boeren tot afhankelijkheid dwingen, hun politieke macht voor decennia verzekerd is.

De boeren protesteren omdat de drie landbouwwetsvoorstellen die in september 2020 door de centrale (nationale) regering werden aangenomen, in Punjab en Haryana, de deelstaten die de graanschuur van India genoemd worden, het opkoopsysteem van de overheid voor landbouwproducten zullen ontmantelen (dit systeem garandeerde minimumprijzen voor de boeren, zie verder nvdr.).

Als argument ter verdediging beweert de regering-Modi in één adem dat deze nieuwe wetten voor een geweldige modernisering zullen zorgen én dat er tegelijk niets zal veranderen. De miljardairs die ervan zullen profiteren (Mukesh Ambani met zijn ‘Reliance Industries’ en Gautam Adani met zijn ‘Adani Group’) hebben ontkend dat een overname van het pas geprivatiseerde overheidsbedrijf (voor de opkoop van landbouwproducten) hen zou interesseren.

Zij zijn echter de wolven die zich als schaapherder voorstellen. Volgens Lucas Chancel en Thomas Piketty van het World Inequality Lab aan de Parijse Ecole d’Economie bezitten de rijkste 1 procent in het huidige ‘miljardairsbewind’ een vergelijkbaar deel van het nationale inkomen als indertijd de rijkste 1 procent onder het Britse koloniale regime.

Dit ‘miljardairsbewind’ staat klaar om India terug te draaien van een hongerlijdend land (op de Wereldhongerindex-2020 met 107 landen staat India op de 94ste plaats) naar een hongersnoodland.

Landbouwcrisis met wortels in het Brits kolonialisme

De wortels van India’s landbouwcrisis gaan veel verder terug dan deze drie nieuwe wetten. Het zaadje van de huidige landbouwcrisis werd reeds geplant in de bodem van het Britse kolonialisme.

In 1986 typeerde historicus H.H. Khondker prekoloniaal India als een morele economie, een ‘sociale ordening die een minimale levensstandaard voor iedereen verzekerde’. In zijn boek Late Victorian Holocausts: El Niño Famines and the Making of the Third World schrijft Mike Davis dat “het India van de Mogols[1] tot in de jaren 1770 praktisch geen hongersnood kende”.

Er zijn bovendien veel aanwijzingen dat in het pre-Britse India, voor de totstandkoming van een op het spoorwegennet gebaseerde nationale graanmarkt, de voedselvoorraden op dorpsniveau groter waren, dat geërfde welvaart meer algemeen verbreid was en de graanprijzen bij overproductie beter werden afgeschermd tegen speculatie.

Het Mogolbewind “beschouwde de bescherming van de boeren als een noodzakelijke verplichting’ en steunde daarvoor op ‘een kwartet van beleidskeuzes – embargo’s op de uitvoer van voedsel, prijsreguleringen om speculatie te verhinderen, belastingvermindering en gratis voedselbedeling zonder dat daar gedwongen arbeid tegenover stond – maatregelen die een gruwel waren in de ogen van de latere Britse utilitaristen”.

De Maratha’s[2], ook een belangrijke macht in het India van voor de Britse periode, verplichtten de lokale elites om tijdens hongersnoden de hongerigen te voeden. Vol afschuw noemden de Britten dit “aan honderden rijke mannen opgedrongen liefdadigheid”.

In Punjab, de deelstaat waar nu de meeste demonstrerende boeren vandaan komen, waren de Sikhs[3] lang aan de macht. Hun leiders voerden zelfs landhervormingen door, terwijl ze oorlog voerden tegen de Mogols en de Britten.

Toen trok de Britse Oost-Indische Compagnie de belastinginning naar zich toe in Bengalen[4] en al snel spreidde het Britse imperium zijn tentakels uit over het hele subcontinent.

De Britten voerden het kastensysteem in

In een artikel in Outlook Magazine vatte historicus Navyug Gill het Britse systeem zo samen in Outlook Magazine:

“De Britten introduceerden ‘het privé-eigendom op kaste gebaseerd, het vastknopen van een belasting aan betalingen in baar geld en het inpassen van de landbouw in een alomvattend circuit van produceren en consumeren. (…) De reële oogsten kwamen niet langer overeen met de belastingtarieven en schommelingen in de goederenprijzen veroorzaakten dramatische verschuivingen van een bescheiden welvaart naar algemene verarming. Een recordoogst kon ten gevolge van oncontroleerbare machten in verafgelegen delen van het imperium waardeloos worden, maar de belastingen moesten niettemin worden betaald. De pest voor een verarmde boer was dat hij net zo hard was overgeleverd aan de staat als aan de seizoenen.”

Op de vercommercialisering van het voedsel volgde de hongersnood

Davis geeft in zijn boek een idee van de echte omvang van de hongersnoden in India onder de Britse heerschappij: “Hoewel de Britten volhielden dat zij India hadden gered van “eeuwige honger”, waren verscheidene districtsambtenaren verontwaardigd toen Indiase nationalisten citeerden uit een studie van 1878 in het prestigieuze Journal of the Statistical Society, waarin de 31 zware hongersnoden tijdens 120 jaar Britse heerschappij werden afgezet tegen de slechts 17 geregistreerde hongersnoden in de twee millennia daarvoor.”

De Britten legden nieuwe vernederingen op: “Hun eis dat de armen moesten wérken voor voedselhulp, een praktijk die in 1866 in Bengalen was ingevoerd onder invloed van de Victoriaanse armenwet, stond in schril contrast met de Bengaalse stelling dat voedsel moest worden gegeven zonder morren, zoals een vader eten geeft aan zijn kinderen.”

Zoals H.H. Khondker opmerkte, maakte Brits auteur W.H. Moreland in zijn boek From Akbar to Aurangzeb (1923) een onderscheid tussen ‘werkhongersnoden’ onder Brits imperialisme en prekoloniale ‘voedselhongersnoden’. In de periode voor het imperialisme verhongerden mensen door effectief voedseltekort. Onder het imperialisme verhongerden mensen omdat ze arm waren, geen werk hadden en dus niet gevoed mochten worden volgens de Victoriaanse zeden die dicteerden dat je niets voor niets kon krijgen.

In zijn boek Merchants of Grain: The Power and Profits of the Five Giant Companies at the Center of the World’s Food Supply (1979), citeerde Dan Morgan een artikel in The Economist van 1883:

“Een goede tarweoogst is nog even noodzakelijk als vroeger om onze dicht opeengepakte (Britse) bevolking te voeden. Maar het is de al bruin geworden oogst onder de verschroeiende zon van Canada en de westelijke staten, de al rijpe tarwe in India en Californië, niet alleen het gewas van de oostelijke graafschappen of van Lincolnshire, die zal worden opgeëist om de hongerige monden van Londen en Lancashire[5] te voeden.”

Massale hongersterfte is de prijs die werd betaald om het Britse imperium toe te laten een werkelijk wereldomvattende, gemilitariseerde graaneconomie op te bouwen, die landbouw in alle hoeken van de wereld ten dienste stelde van de plannen van het imperium en waardoor voedsel zelf een wapen kon worden. Voedselonzekerheid in de kolonies was de prijs voor voedselzekerheid in de metropool (Londen en Engeland, nvdr.).

De Duitse toneelauteur Bertolt Brecht schreef ooit: “Hongersnoden komen niet zomaar voor, ze worden georganiseerd door de graanhandel.’

Er wordt vaak een vergelijking gemaakt tussen de ervaringen met ontwikkeling in China en in India. Dit kan ook hier nuttig zijn.

Prekoloniaal China was nog beter georganiseerd dan het India van de Mogols. Voor de Opiumoorlog van 1839[6] beschikte China onder de Qing-dynastie[7] “over zowel de technologie als de politieke wil om enorme voorraden graan te verplaatsen tussen regio’s en dus op een meer grootschalige manier honger te bestrijden dan enig ander staatsbestel in de wereldgeschiedenis”, schreef Davis in Late Victorian Holocausts.

In zowel India als China heeft de imperialistische periode – de vercommercialisering van graan – tientallen miljoenen tot de hongerdood veroordeeld

In China bracht het imperialisme ook hongersnoden teweeg, de ergste in 1876. Ten gevolge van de vele Opiumoorlogen, die het Chinese bestuur verplichtten tot enorme herstelbetalingen aan indringers en plunderaars, stortte het traditionele voedselzekerheidssysteem in elkaar. De staat “kon alleen nog maar onsystematisch financiële hulp bieden, vermeerderd met private giften en vernederende liefdadigheid uit het buitenland”, schreef Davis.

Voedselzekerheid in onafhankelijk India en China

Na de onafhankelijkheid probeerden het soevereine India en China allebei hun land terug richting voedselzekerheid te sturen, in beide gevallen aanvankelijk met desastreuze gevolgen. China beleefde na de onafhankelijkheid, van 1959 tot 1961, een zware hongersnood, erger nog dan de hongersnoden onder het imperialisme.

Het land corrigeerde vervolgens zijn beleid en kon stilaan de honger wegwerken en in 2018 eveneens de armoede uitroeien, volgens de Chinese schrijver Qin Ling en Robert Laurence Kuhn in zijn documentaire Voices from the Frontline: China’s War on Poverty, die door de PBS[8] werd uitgezonden tot ze in mei 2020 werd verwijderd.

Voices from the Frontline: China’s War on Poverty (1:00:47):

In tegenstelling tot China kende India sinds de onafhankelijkheid geen hongersnoden, maar moest het wel met permanente chronische honger leven. De beroemdste vergelijking tussen de twee landen vinden we bij economisten Jean Drèze en Amartya Sen in hun boek Hunger and Public Action (1991):

“Als we het Indiase sterftecijfer van 12 per duizend vergelijken met het Chinese van 7 per duizend en dat verschil toepassen op de Indiase bevolking van 781 miljoen in 1986 komen we op een oversterfte van ongeveer 3,9 miljoen per jaar in India. Dat aanhoudend hogere sterftecijfer betekent dat zowat iedere acht jaar in India meer mensen sterven dan er in China tijdens de gigantische hongersnood van 1958-1961 gestorven zijn. India slaagt erin iedere acht jaar zijn kast met meer lijken te vullen dan China tijdens de jaren van zijn schande.”

Het rapport 2019-2020 over de Indiase volksgezondheid laat zien dat in Gujarat, thuisstaat van premier Narendra Modi, die soms wordt geprezen als economisch model, 39 procent van alle kinderen onder de vijf jaar een groeistoornis heeft ten gevolge van ondervoeding.

Staat per staat bulkt het rapport van gelijkaardige prestaties van de huidige Indiase regering. Ongeveer een kwart van alle mensen ter wereld die honger lijden leven in India, waar 195 miljoen mensen ondervoed zijn. In India sterven elke dag duizenden mensen, per jaar misschien een miljoen, aan ondervoeding, in hoofdzaak kinderen.

De meerderheid van de bevolking van India leeft in armoede.

India’s gebrekkige landbouwsysteem

In zijn artikel over de oorsprong van de protestbewegingen tegen deze nieuwe landbouwwetten schetste Navyug Gill de beperkingen van India’s landbouwsysteem van na de onafhankelijkheid. “Wat vanaf de jaren 1950 werd opgezet, was een systeem van voorschriften, quota en regels dat slechts bedoeld was om de ergste koloniale verwoestingen te verzachten. Het doel was om in hoofdzaak tegemoet te komen aan de toenemende behoeften van een door hongersnood geteisterd land en tegelijk iets van stabiliteit te bieden aan grote en kleine grondbezitters. Met andere woorden, de spanning tussen nationale voedselvoorziening, kapitalistische imperatieven en boerenwelzijn werd gewijzigd en bijgestuurd, maar niet overstegen.”

Laten we deze maatregelen van dichterbij bekijken aan de hand van een aantal interviews die verschillende media hadden met landbouwonderzoeker Devinder Sharma.

Interview met landouwonderzoeker Devinder Sharma (38:40):

Vanaf de onafhankelijkheid in 1947 tot in het midden van de jaren 1960 was India afhankelijk van voedselhulp uit het PL-480-programma van de VS. In de jaren 1960 werden de Agricultural Produce Market Committees opgericht (APMC’s – comités voor de vermarkting van landbouwproducten) met de intentie India van die voedselafhankelijkheid van Amerika te bevrijden.

Dit systeem werd opgezet in combinatie met de door de VS gesponsorde ‘groene revolutie’, die de landbouwopbrengsten trachtte te verhogen met behulp van kapitaalintensieve en hoogtechnologische technieken. Zonder een dergelijk systeem was het gevaar reëel dat rijkere oogsten rechtstreeks aanleiding zouden geven tot het instorten van de landbouwprijzen, de financiële ondergang van de boeren en een rampencyclus zoals onder het Britse rijk.

Er werden twee beschermingsmaatregelen in stelling gebracht. De eerste betrof het inrichten van overheidsmarkten, de zogeheten mandi’s, waar de regering het graan van de boeren zou kopen tegen een gewaarborgde prijs (de latere minimum support price [minimale steunprijs] of msp) wanneer de privésector daar niet in slaagde.

Ten tweede zou de regering, via de Food Corporation of India (voedselorganisatie van India) of FCI, bij recordoogsten de productieoverschotten ‘opvegen’ en dat graan middels het openbare distributiestelsel overbrengen naar streken met graantekorten.

Dat systeem werkte: de groene revolutie realiseerde inderdaad hogere opbrengsten. De mandi’s brachten genoeg belastinggeld op om niet alleen de marktinfrastructuur te financieren maar ook een wegennetwerk tussen de dorpen en hier en daar een fonds voor plattelandsontwikkeling. De afhankelijkheid van PL-480-graan werd gebroken en er waren geen hongersnoden meer.

Het systeem had echter zijn tekortkomingen. In de eerste plaats was, zoals milieuactiviste Vandana Shiva aantoonde, de groene revolutie op lange termijn niet houdbaar vanwege zijn milieueffecten. Dit gebrek aan ecologische duurzaamheid ging bovendien gepaard met financiële instabiliteit: de groene revolutie, een uit de VS geïmporteerd model, belastte de boeren met onmogelijk hoge schulden.

Er waren ook beperkingen, onder meer een leemte in de afname, legt Sharma uit. Hoewel voor 23 verschillende landbouwproducten een msp (minimum support price) werd afgekondigd, neemt de overheid er in realiteit maar twee af: tarwe en rijst, en daarenboven: zonder een reële afname door de overheid heeft het louter aankondigen van een msp geen zin.

Beperkingen op het vlak van infrastructuur verminderen eveneens de efficiëntie van het systeem, gaat Sharma verder. Het was de bedoeling dat alle boeren een mandi ter beschikking zouden hebben op minder dan 5 km afstand, wat betekende dat er 42.000 mandi’s ingericht moesten worden. Na vijftig jaar zijn er echter nog altijd maar 7.000 mandi’s.

Het gevolg van deze beperkingen is dat slechts 6 procent van de boeren echt toegang heeft tot de msp, terwijl de overige 94 procent afhankelijk zijn van de markt, volgens Sharma in zijn interview met Newsworthy (zie YouTube hieronder).

Tweede interview met Devinder Sharma (32:32):

 Voorstanders van de regering grijpen het feit dat zo weinig boeren de msp verkrijgen aan om te stellen dat de landbouwwetten een efficiënte markt van haar laatste ketens bevrijden. Maar, vraagt Sharma – met de cijfers van het Nationaal Bureau voor criminaliteitsdossiers bij de hand – als het marktsysteem zo gunstig is voor de boeren van India, waarom hebben dan sinds 1995 364.000 van hen zelfmoord gepleegd? Waarom willen boeren een verzekerde – en hogere – msp? De analogie met de arbeidsmarkt is duidelijk: als de arbeidsmarkt zo goed zou zijn als voorstanders van de vrije markt beweren, dan was er toch geen minimumloon nodig, en al helemaal geen werkloosheidsuitkering?

De privé-opkopers die het beheer van de overheid willen overnemen hebben beloofd dat de boeren van hen hogere prijzen zullen krijgen dan de msp. Devinder Sharma vraagt in zijn interview waarom ze dan wel iets tegen een msp zouden hebben, als ze van plan zouden zijn toch meer te betalen.

Hij wijst er op dat de deelstaat Bihar, die zich in 2006 van het stelsel van APMC’s afscheurde, nu moet aanzien hoe zijn boeren hun tarwe en rijst met vrachtwagens naar (de buurstaten) Punjab en Haryana vervoeren om ze daar te verkopen tegen de (nu bedreigde) minimumprijs die deze staten waarborgen.

De APMC’s worden ervan beschuldigd tussenmakelaars voor de regering te zijn, merkt Sharma op. De grootste fortuinen in de wereld worden nu al vergaard door makelaars “in dure maatpakken”, van Walmart tot Amazon, die erop uit zijn “de traditionele regeringsmakelaars te vervangen”.

India’s superrijken Mukesh Ambani en Gautam Adani zijn de belichaming van de monopoliemakelaar met invloedrijke relaties Amerikaanse stijl. Als deze landbouwwetten niet worden ingetrokken, valt de nieuwe geprivatiseerde graanhandel hen in de schoot.

Jaren geleden schreef de Canadese landbouweconomist Ian McCreary een studie over het Indiase systeem van voedselvoorziening. Tijdens ons gesprek van 6 februari 2021 zei McCreary dat hij, na de cijfers van drie decennia te hebben uitgeplozen, vaststelde dat het Indiase systeem ‘redelijk goed slaagt in zijn doelstelling’ om voor prijsstabiliteit en voedselzekerheid te zorgen.

De overheid nam de financiële risico’s – en dat waren er meerdere – voor haar rekening. Enerzijds poogde India, wanneer lage prijzen op de wereldmarkt samenvielen met een recordoogst in eigen land, graan op te slaan (wat duur is in India) of moest het exporteren met verlies. Anderzijds was importeren tijdens een jaar waarin de prijzen hoog lagen vaak erg kostbaar.

Geen van deze problemen zal echter worden opgelost door te privatiseren, legde McCreary uit: “Als de overheid de graanopslag wilde uitbesteden, was dat al mogelijk geweest binnen de bestaande structuren van het huidige systeem.” En zelfs na privatisering, als de prijzen zo de pan uit zouden swingen dat miljoenen mensen het zich niet meer kunnen veroorloven eten te kopen, zal het nog steeds de verantwoordelijkheid van de overheid zijn om hen te voeden.

McCreary was tot de conclusie gekomen dat een uitbreiding van de overheidsafname tegen de gegarandeerde msp van peulvruchten uit drogere en minder productieve regio’s zowel de boeren ten goede zou komen als zij die via het openbare distributiesysteem voedsel ontvangen.

Naast zijn bezorgdheid voor de boeren maakte McCreary zich ook grote zorgen over de gevolgen van deze nieuwe landbouwwetten voor de voedselzekerheid. “Als de wereldvoedselprijzen omhoog gestuwd worden, zullen arme consumenten erg kwetsbaar zijn”.

De regering weegt deze gevolgen af tegen de winstopportuniteiten voor Reliance en Adani op een nieuwe markt (de bedrijven van India’s superrijken Mukesh Ambani en Gautam Adani, nvdr.). McCreary zei ook nog: “Wanneer je overstapt van een situatie waarin de markt wordt gecontroleerd en de prijzen binnen een vastgestelde marge liggen naar een waarin de markt vrij is, kunnen spelers die arbitrair (naar eigen goeddunken, niet volgens voedselnoodzaak van de bevolking, nvdr.) kopen en verkopen veel geld maken.’

Privatisering van de graanopkoop in Canada

De heersers van India kijken naar het Westen om zich te laten inspireren, maar westerse landbouw zou eigenlijk voor niemand een inspiratie mogen zijn. De angstaanjagende gevolgen van de geprivatiseerde industriële landbouw dringen nauwelijks door tot wie alleen de productiviteit ziet van de westerse landbouw en niet de prijs die mens en milieu ervoor betalen.

Neem het voorbeeld van Canada. De privatisering van de gouvernementele graanopkoop die Narendra Modi vandaag in India doorvoert, is vergelijkbaar met de privatisering van de Canadian Wheat Board (Canadese tarweraad) of CWB in 2012 onder rechts voormalig premier Stephen Harper.

De in 1935 opgerichte CWB was een door de boeren beheerd en gefinancierd marketingbureau dat werkte volgens het principe van de ‘unieke balie’: kopers moesten kopen van de CWB en konden niet rechtstreeks met de boeren een prijs onderhandelen. Dit bracht meer op voor de boeren.

Terry Boehm, gewezen voorzitter van de National Farmers Union (NFU, nationale boerenbond) of NFU, schat dat vóór de privatisering “de vermarkting door de CWB en verkoop via de unieke balie de boeren jaarlijks honderden miljoenen dollars meer opbracht dan wat ze in een vrijemarktsysteem zouden hebben verdiend”.

Net als het Indiase systeem werd de CWB, met wat halfslachtig gemompel over ‘grotere economische opportuniteiten’ voor de boeren, geprivatiseerd door middel van een haastig en misleidend opgesteld stuk wetgeving, in dit geval genaamd: de Marketing Freedom for Grain Farmers Act (‘de wet op vrij vermarkten voor graanboeren’).

De verkozen CWB-raad werd ontbonden, de activa overgedragen aan de nieuwe eigenaars, met een joint venture onder de naam G3 Global Grain Group. Binnen twee jaar na de privatisering van de CWB hadden enkele van die graanbedrijven hun winst reeds met miljarden vermeerderd.

Net als de Indiase APMC was ook de Canadese CWB niet perfect. Er waren zonder twijfel boeren die dachten dat ze beter af zouden zijn op eigen houtje, terwijl anderen zich beklaagden over een gebrek aan transparantie. Die boeren, zegt Boehm, “werken nu onder een systeem gedomineerd door multinationale graanbedrijven die zo goed als niets vrijgeven”.

Ed Sagan, een ander lid van de boerenvakbond NFU, besloot na een snelle berekening dat de gemiddelde boer waarschijnlijk de helft van zijn inkomen kwijt is sinds de CWB werd ontmanteld. Dit cijfer wordt bevestigd door een lange reeks jaarrapporten van het Canadese bureau voor de statistiek. Een lijst die de vakbond samenstelde geeft veel van de sombere nieuwe realiteiten weer.

Ondertussen eisen de VS, Canada en de EU dat India minder voor de lokale markt gaat produceren en een grotere afzetmarkt wordt voor zwaar gesubsidieerd graan uit de metropool (de westerse landen, nvdr.). Econoom Prabhat Patnaik meldde dat “het al langer een eis van de VS en de EU is om te stoppen met de productie van granen voor eigen voeding en integendeel voedingsgranen in te voeren uit de imperialistische landen”.

Oplossingen zoeken buiten het Westen

Canada en de Verenigde Staten zijn geenszins voorbeeldlanden voor de landbouw. In de VS dalen de landbouwinkomsten voortdurend en nemen de zelfmoorden onder landbouwers voortdurend toe. In heel Europa en Noord-Amerika wordt de landbouw zwaar gesubsidieerd. Een gemiddelde boerderij in de VS ontvangt jaarlijks tienduizenden subsidies (geschat op gemiddeld 61.286 dollar per boer tegen 282 dollar per Indiase boer). Zelfmoorden kennen de Indiase boeren al, maar subsidies zullen ze nooit krijgen en hun beschikbare landoppervlakte is per boer nog geen fractie van wat Noord-Amerikaanse en Europese boeren hebben.

Het ontwikkelingsadvies dat IMF en Wereldbank de voorbije decennia aan de ontwikkelingslanden gaven, was om hun platteland te ontvolken en de mensen naar de steden te brengen. De mensen zijn naar de steden getrokken. Ze leven daar op het randje van overleving. Toen COVID-19 toesloeg zagen ze dat overleven niet langer lukte en kwam de grootste migratie van stad terug naar het platteland uit de geschiedenis op gang.

Toch leeft nog steeds meer dan de helft van de Indiase bevolking van de landbouw, terwijl de openbare investeringen in de landbouw slechts 0,4 procent van het bbp bedragen. (In het YouTube-interview met Enquiry maakt Sharma de vergelijking met de 6 procent van het bbp die jaarlijks naar fiscale voordelen voor bedrijven gaat, een cijfer dat met de recente belastingverlagingen voor bedrijven alleen maar is gestegen.)

Wat kan er dan wel worden gedaan?

China heeft onlangs de plattelandsarmoede overwonnen, maar er is weinig in de recente ervaring van China – met zijn toegewijde regerings- en partijkaders die individuele plattelandsfamilies helpen met inkomensgenererende en inkomensaanvullende activiteiten – dat India kan nabootsen of evenaren.

Er is echter geen enkele reden waarom India niet zijn eigen manier zou kunnen vinden om armoede te verbannen. Er kan veel gedaan worden, te beginnen met Sharma’s suggesties: de gewaarborgde minimumprijs (msp) uitbreiden naar meer landbouwproducten, die prijzen verhogen en het aantal mandi’s vermeerderen om de doelstelling van één per vijf kilometer te bereiken.

De deelstaat Kerala heeft zijn minimumprijs voor groenten bepaald op 20 procent boven de productiekost … en de prijzen eindigen daar hoger dan aangekondigd. In premier Modi’s eigen staat Gujarat doet de coöperatie Amul van zuivelboeren het bijzonder goed.

Dit coöperatiemodel zou met succes kunnen worden uitgebreid, zodat boeren beter in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Met alles wat nationale commissies, boerenbewegingen, economisten en beleidsanalisten al hebben gedaan “kan het echt niet moeilijk zijn”, vindt Navyug Gill “om alternatieve oplossingen te vinden”.

Zoals zo vaak in onze neokoloniale wereld is het zaak ons te ontdoen van de koloniale bagage. Eenmaal dat gebeurd is, zijn er oplossingen in overvloed.

(*) Het artikel India’s Right-Wing Government is So Hungry for Profit It Will Risk a Famine for the Country werd gepubliceerd door Globetrotter en vertaald door Hilde Baccarne. Justin Podur geeft les aan de faculteit Environmental and Urban Change van York University in Toronto. Je vindt hem op zijn website podur.org en op Twitter //www.dewereldmorgen.be/artikel/2021/04/13/rechtse-regering-india-is-zo-winstgeil-dat-ze-bereid-is-hongersnood-te-riskeren/@justinpodur" rel="noreferrer noopener">@justinpodur.

Notes:

[1] Het Mogolrijk (1526-1720) (ook bekend als Moghul, Mughal Empire) niet verwarren met het Mongoolse Rijk.

[2] Het Maratha Imperium (1674-1818).

[3] Het Sikh Imperium (1799-1849).

[4] Het Bengaalse Sultanaat (14de tot 16de eeuw) omvatte het huidige Bangladesh en een aantal omringende delen van India.

[5] Lincolnshire en Lancashire zijn regio’s in Engeland (het historische Engeland, niet Groot-Brittannië).

[6] De Opiumoorlogen (1839-1842) (1856-1860) tussen het Chinese Keizerrijk tegen Groot-Brittannië en Frankrijk  werd officieel gevoerd in naam van de vrijhandel tegen het Chinese protectionisme. In werkelijkheid ging het over de vrije toegang van de verslavende opium tot de Chinese bevolking. Groot-Brittannië en Frankrijk hadden het geld uit de drugshandel nodig voor de financiering van hun kolonisatieproject. Hongkong werd in het verdrag na de Chinese nederlaag afgedwongen als Britse ‘vrijhaven’.

[7] De Qing-dynastie (1644-1912) werd opgevolgd door de Republiek, die in 1949 werd omvergeworpen door de Chinese Revolutie, waarna de overblijvende Republikeinse troepen naar het Chinese eiland Taiwan vluchtten, dat tot vandaag een afvallige provincie is.

[8] Public Broadcasting System (PBS) is de openbare omroep in de VS. Het is een kleine, zwaar ondergefinancierde zender.