In 2010 en 2013 bezocht Markus Kröger, hoogleraar aan de universiteit van Helsinki, India om onderzoek te doen naar lokaal verzet tegen ijzerertsmijnen. Hij had lange, intensieve gesprekken met zo’n tweehonderd ervaren leiders van massaorganisaties, activisten, wetenschappers, advocaten, journalisten, politici en ambtenaren. Tot zijn verrassing en grote vreugde ontdekte hij dat het verzet tegen alle verwachtingen in erg succesvol was.

(Door Jan Paul Smit, overgenomen van Doorbraak waar het in twee delen verscheen)

Het zag kans de gigantische nationale productie te halveren! In 2019 keerde Kröger terug naar India om te zien of de successen blijvend waren. Dat bleek inderdaad het geval. Hoe waren lokale organisaties samen met een aantal toegewijde activisten in staat geweest zulke prachtige resultaten af te dwingen? Daar schreef Kröger het inspirerende boek “Iron Will” over. Kröger denkt dat de golf van verbluffend effectief mijnbouwverzet in een groot aantal landen in het zuiden van de wereld een prima en snelwerkend middel tegen de klimaatcatastrofe is die ons allen boven het hoofd hangt. Deel 1 van een tweeluik.

Oost-India: het taaie verzet in Odisha

In het Keonjhar district van de Oost-Indiase deelstaat Odisha wisten Adivasi’s (leden van inheemse volken) verschillende geplande mijnen te voorkomen. De belangrijkste reden om in verzet te komen was dat zij met eigen ogen de verschrikkelijke gevolgen van mijnbouw gezien hadden in andere dorpen. Als een mijnbouwbedrijf een nieuwe mijn wil beginnen, komen medewerkers gewoonlijk uitleggen dat het dorp elektriciteit krijgt, een kliniek, nieuwe huizen, waterleiding, kleren, eten. “En alles gratis. Jullie kunnen bij ons een baan krijgen en goed verdienen. Laat ons die mijn maar aanleggen.”

Maar de praktijk is dat Adivasi’s hun akkers kwijt raken en dat hun water verpest wordt. En dat ze, als ze al werk krijgen bij de mijn, er weinig verdienen. Door de enorme vervuiling van de mijnbouw zit er na een tijdje voor hen niets anders op dan ergens anders een nieuw bestaan op te gaan bouwen. Tienduizenden Adivasi’s zijn zo verdwenen. Niemand weet waar ze gebleven zijn. Ze zijn alles kwijt geraakt. Hun dorpsgemeenschap, hun gewoonten, hun goden. Alles. Daarom besloten verschillende dorpen vanaf het begin af aan geen medewerkers van mijnbouwbedrijven toe te laten. Met name vrouwen waren strijdlustig. Ze hielden auto’s van mijnbouwonderzoekers aan en dreigden hun voertuigen te vernielen als ze niet gauw rechtsomkeert maakten.

Op een keer kwamen er weer eens geologen van een mijnbouwbedrijf naar Keonjhar om te zoeken naar ijzererts. Opnieuw kregen zij te horen dat ze niet welkom waren en blokkeerden Adivasi’s de weg. De onderzoekers dienden toen een klacht in bij de politie tegen tachtig dorpelingen. Na een paar dagen kwam de politie die tachtig arresteren. Maar de Adivasi’s zeiden tegen de politie: “Waarom alleen die tachtig? Neem ons allemaal maar mee. Wij zijn van zes dorpen en we gaan allemaal wel mee. Geen probleem. We zijn net één grote familie.” Toen droop de politie af; zes hele dorpen arresteren ging ze te ver.

De Adivasi’s weigerden ook stelselmatig gesprekken over de voordelen van mijnbouw voor hun dorp en accepteerden geen giften. Toen het beruchte mijnbouwbedrijf Vedanta een keer een auto met dokters stuurden voor gratis medische hulp, namen de Adivasi’s de artsen gevangen en lieten hen pas gaan nadat het bedrijf beloofd had zich niet meer in hun gebied te wagen. Toen hetzelfde bedrijf een keer duizend schooltassen aan dorpskinderen uitgedeeld had, verzamelden de boze bewoners ze alle duizend en verbrandden die demonstratief voor het districtskantoor van de overheid.

Ook organiseerden Adivasi’s, samen met ngo-medewerkers die in hun gebied actief waren, jarenlang veel demonstraties van duizenden mensen in Bhubaneswar, de hoofdstad van de deelstaat. Zij hadden spandoeken met leuzen als “Stop mijnbouw! Stop ijzererts!, Het bos is ons leven – we kunnen niet leven zonder ons bos. We voelen ons daar als een vis in het water. Niemand kan ons scheiden van ons bos!” Zo maakten ze duidelijk hoe verknocht ze waren aan hun eigen leefwijze, hun eigen cultuur. Ze onderstreepten dit nog eens door hun eigen traditionele muziek te spelen met drums en speciale blaasinstrumenten.

Maar het belangrijkste was wel dat de Adivasi’s in de praktijk in staat bleken de medewerkers van de mijnbouwbedrijven de toegang tot hun gebied te ontzeggen. Anders zouden deze weliswaar veelvuldige, grote, energieke demonstraties toch weinig effect hebben gehad.

De Adivasi’s van Keonjhar kregen hulp van een paar lokale ngo’s. Die organiseerden bijvoorbeeld bijeenkomsten in de stad voor actieve Adivasi’s uit verschillende dorpen, waar zij hun ervaringen konden uitwisselen en samen konden nadenken over de volgende stap die zij gingen zetten. Soms adviseerden de ngo’s de Adivasi’s over bepaalde procedures waar ze niet mee bekend waren of brachten hen in contact met juristen of journalisten uit de hoofdstad. Zij waakten er echter voor de Adivasi’s het initiatief uit handen te nemen.

In 2008 had de overheid genoeg van alle tegenwerking en besloot zij het verzet met grof geweld te breken. De politie arresteerde vijftien mensen, waaronder twee dorpshoofden en drie medewerkers van een lokale ngo, omdat ze maoïst zouden zijn. In India betekent dit dat je met geweld de staat omver wilt werpen. Daar kan je makkelijk levenslang voor krijgen. De arrestanten werden naar onbekende gevangenissen gebracht, waar ze, zoals later bleek, zwaar mishandeld werden.

Eén collega van de ngo-medewerkers was ontsnapt aan arrestatie en was meteen naar het districtskantoor gegaan om verhaal te halen. Toen hij echter ontdekte dat hij ook gezocht werd als maoïst, vluchtte hij naar Bhubaneswar. Daar zocht hij direct een stel mensen voor een onderzoekscommissie bij elkaar, waaronder een lid van het gerechtshof, een paar ngo-deskundigen en een stel ervaren journalisten. Samen gingen die naar Keonjhar en wilden de districtsbestuurder en het hoofd van de politie aan de tand voelen. Maar die weigerden. Gelukkig waren er heel wat ambtenaren die wel hun zegje wilden doen en die verklaarden dat het helemaal niet om maoïsten ging, maar om mensen die opkwamen voor de rechten van de Adivasi’s.

Het verslag van de onderzoekscommissie kreeg veel aandacht in de media. Het was duidelijk dat de politie haar boekje ver te buiten was gegaan. Maar ondertussen zaten de vijftien nog steeds gevangen. De ngo-medewerker die had kunnen vluchten, zocht nu contact met Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties. Dat leidde er toe dat de gevangenen eindelijk in 2012 vrij kwamen. Langzaam maar zeker pakten de activisten de draad van het verzet weer op.

Het verzet in Keonjhar besloot zich niet te concentreren op juridische procedures om mijnbouw tegen te gaan. De deelstaat-rechtbanken staan altijd aan de kant van de mijnbouwbedrijven. Dus dat heeft geen zin. Ook wendden de activisten zich niet tot officiële instanties zoals bijvoorbeeld de milieudienst, omdat de overheid in dit gebied door en door corrupt is. Zelfs als ambtenaren op een dorpsvergadering komen om officieel toestemming te vragen voor een nieuwe mijn, verschijnen zij met veel gewapende militairen, om de Adivasi’s te intimideren.

Wel maakten de activisten veel gebruik van WOB-procedures. Dat ging niet soepeltjes: bij iedere instantie die informatie had over mijnbouwprojecten moesten zij verschillende aanvraagronden doorlopen, maar uiteindelijk kregen zij dan toch de gegevens die zij nodig hadden. Zo kwam het verzet er achter waar nieuwe mijnen gepland waren. Dan konden activisten de dorpen in dat gebied alvast op de hoogte stellen, zodat iedereen waakzaam was. Ook legden zij de Adivasi’s uit wat hun rechten waren. Dat bleek heel waardevol te zijn.

Verder besloot het verzet in Keonjhar actief gebruik te maken van het stemrecht. Tot dan toe bezocht een politicus in de verkiezingstijd verschillende dorpen en trakteerde de bewoners dan op een lekkere maaltijd met veel sterke drank. Als tegenprestatie stemden de Adivasi’s dan op hem. Maar vanaf nu kregen politici alleen maar toestemming het gebied waar het verzet actief was te betreden als ze van tevoren een verklaring ondertekenden dat ze geen toestemming zouden geven voor mijnbouw. De dorpsbewoners besloten ook alleen op politici te stemmen die zich duidelijk uitgesproken hadden tegen mijnbouw. Het gevolg was dat er veel politici gekozen werden die tegen mijnbouw waren.

Toen er niettemin toch een mijn gebouwd werd, zochten Adivasi’s de partijvoorzitter op en zeiden hem dat hij met hen mee moest gaan om het mijnbouwbedrijf te zeggen dat het moest stoppen. De voorzitter deed dat, want hij had net als alle andere politici de verklaring ondertekend en was bang bij de volgende verkiezing niet herkozen te worden. Dit systeem werkte prima. Ook omdat er nu bijna geen politici meer van buitenaf gekozen werden, maar praktisch alleen Adivasi’s.

West-India: het wonder van Goa

In 2013 bezocht Kröger opnieuw een afgelegen gebied in Goa, een kleine deelstaat in West-India, nadat hij daar al eerder was geweest in 2010. Hij had het merkwaardige gevoel alsof er iets niet klopte, alsof er iets ontbrak. Tot hij zich opeens realiseerde dat dit de verschrikkelijk vervuilde lucht was. Nu kon hij hier opeens frisse lucht inademen. Het was alsof er een wonder gebeurd was. In de verte zag hij nog de bruine plekken waar de mijnbouwarbeiders bezig geweest waren, maar het eeuwige gebrom van zware machines had plaats gemaakt voor gezang van vogels en gekwetter van apen.

Het verzet in Goa tegen de mijnbouwexplosie in de jaren 2005-2015 begon met een aantal dappere stadsactivisten die zich openlijk uitspraken tegen mijnbouw. Dat was best riskant, want de mijnbouwmaffia is tot alles in staat. Maar het gaf anderen moed. De volgende stap was felle protestacties waarbij de politie inhakte op demonstranten en velen van hen arresteerde. Heel wat activisten haakten toen teleurgesteld af, maar zo’n honderd bleven doorgaan, vastbesloten het gevecht met de mijnbouwbedrijven voort te zetten en te winnen.

Het verzet was losjes georganiseerd. In 2007-2008 was de Goa Federation of Mine Affected People opgericht, waar ongeveer drie jaar lang zo’n 25 activisten geregeld samen kwamen voor uitwisseling van informatie en strategiediscussies. Maar verder schreef de een gedichten, liep de ander alle instanties af om te achterhalen welke mijnbouwvergunningen nu door wie aan wie gegeven waren, schakelde een volgende de Nationale Commissie voor de Mensenrechten in, bereidde een ander met behulp van een juridische ngo een rechtszaak voor bij het Oppergerechtshof in New Delhi en probeerde weer een ander lokale en nationale kranten te interesseren.

Adivasi’s uit bestaande mijnbouwgebieden claimden de rechten die ze officieel hebben en organiseerden zowat dagelijks lokaal kleine blokkades, die breed uitgemeten werden in de eigen verzetsmedia. Andere activisten legden internationale contacten om de acties wereldwijd in de aandacht te krijgen en een aparte groep maakte de documentaire “Goa, Goa, Gone”. Er was zelfs iemand die bussen vol toeristen uit verschillende Indiase steden naar de mijnbouwgebieden bracht om hen de milieuvervuiling aan den lijve te laten voelen.

Kortom, een waterval van grotere en kleinere acties en initiatieven. En dat alles zonder manifest, strenge leiding of dichtgetimmerde strategie. Het belangrijkste was misschien wel dat alles tegelijkertijd gebeurde, zodat de informatie die de een verzameld had een ander kon gebruiken in een rechtszaak, een derde in zijn dagelijkse blog kon verwerken en weer anderen in een straatprotest.

Wat al die verschillende activistengroepjes en initiatieven al die jaren in contact hield met elkaar en met het grote publiek, was Goa-net, een emaillijst met 60.000 abonnees. Was er bijvoorbeeld een opstand in een dorp, dan sloeg dat al gauw over naar andere, omdat mensen ervan op de hoogte kwamen via Goa-net. Verder luchten activisten op openbare bijeenkomsten hun hart over de “aanslag op Goa” van het “mijnbouw-terrorisme”, kozen twee of drie lokale kranten de kant van het verzet en stelden een paar belangrijke nationale dagbladen het conflict in heel India aan de orde.

Wel waren er spanningen tussen arme dorpsbewoners die te lijden hadden van de mijnbouwbedrijven en rijke brahmanen uit de stad. Een gedeelte van deze gemeenschap had zich aangesloten bij het verzet en daarvoor een eigen organisatie opgericht. Maar dat bleek in de praktijk toch goed te werken. Want nu hoefden de armen niet bang te zijn dat de brahmanen de richting van het verzet zouden gaan bepalen en konden de laatsten hun eigen achterban informeren en daar sympathie verwerven voor de acties. Wat het verzet sterker maakte.

En dan, in 2012, gebeurt het wonder. Het Oppergerechtshof in New Delhi bepaalt totaal onverwachts dat alle illegale mijnen in heel India moeten stoppen. Dat wil zeggen mijnbouw zonder de juiste vergunningen, wat de meerderheid van de mijnen betreft. In datzelfde jaar stelde een officiële onderzoekscommissie vast dat illegale mijnbouw in Goa in de periode 2006-2010 350 miljard roepies (= 6,32 miljard dollar) verdiend had en dit bedrag aan de Indiase overheid moest afdragen. Vervolgens besloot het Oppergerechtshof in 2018 op verzoek van een milieuorganisatie uit Goa dat alle 88 officiële mijnbouwvergunningen in Goa ingetrokken moesten worden.

In 2019 was er nog maar één mijn in bedrijf in Goa, wat bewijst dat de machtige mijnbouwbedrijven niet in staat waren de beslissingen van het Oppergerechtshof terug te draaien. Een ongelooflijk resultaat van het jarenlange vasthoudende, energieke verzet, nog wel in een tijd dat de mijnbouwmaffia greep had op de deelstaatregering, de nationale regering in India onvoorwaardelijk aan de kant van de mijnbouwbedrijven stond en de ijzerertsprijs torenhoog was.

Oost-India: gewapend verzet in Chhattisgarh

Over het algemeen treedt het mijnbouwverzet in India geweldloos op, hoe grof de politie ook tekeer gaat. Maar soms gaat de overheid zo intimiderend en bruut te werk, houdt zij zich zo doof voor de redelijke argumenten, wensen en angsten van de bevolking en negeert zij haar rechten zo ernstig dat er voor de mensen niets anders overblijft dan zich óf neer te leggen bij hun nederlaag en alle ellende over zich heen te laten komen óf de wapens op te nemen. Geen wonder dat er heel wat kiezen voor het laatste, ook al omdat er in India een traditie van gewapend verzet is. Al sinds de onafhankelijkheid in 1947 hebben veel Indiërs gewapenderhand gevochten tegen maatschappelijk onrecht.

De Oost-Indiase deelstaat Chhattisgarh is zo’n gebied waar de inheemse bevolking zich met de wapens in de hand verdedigt tegen onteigening van hun grond door mijnbouwbedrijven. Hier zijn de maoïsten actief, ook wel naxalieten genoemd. Hun naam verwijst naar een opstand van kleine boeren in het dorpje Naxalbari in West-Bengalen in 1967, waarna naxalisme zich verspreidde onder Adivasi-gemeenschappen in Centraal- en Oost-India.

In de tachtiger jaren werden de naxalieten sterker en in 2004 verenigde een groot aantal linkse groepen zich in de CPI-ML, de Communistische Partij van India (Marxistisch-Leninistisch), in de wandelgangen “maoïsten” genoemd. Het is de enige van de meer dan zeventig communistische partijen die India rijk is, die gewapend verzet als enige mogelijkheid ziet om het geweld tegen Adivasi’s te keren. Ruim 10 procent van India’s grondgebied is (gedeeltelijk) in handen van de maoïsten. In 2009 verklaarde de Indiase overheid de CPI-ML tot “terroristische organisatie”. In 2012 begon de regering een grootscheepse gewapende actie tegen de naxalieten onder de naam “Greenhunt”, waarbij zij zo’n 100.000 paramilitairen inzette. De bedoeling was om het maoïsme, de “grootse interne bedreiging” van de Indiase staat, met wortel en tak uit te roeien. Maar dat is niet gelukt.

In 2005 nam de vraag naar ijzererts enorm toe en steeg zodoende de prijs daarvan. Mijnbouwbedrijven wilden niets liever dan zo gauw mogelijk nieuwe mijnen openen in het ijzerertsrijke Chhattisgarh. De plaatselijke bevolking vormde daarbij een obstakel, want praktisch alle gebieden met veel ijzererts zijn van de Adivasi’s. Deze voelden er niets voor hun akkers, bossen en rivieren te laten vervuilen.

Mijnbouwbedrijven geholpen door de overheid namen daarom hun toevlucht tot intimidatie en geweld. Zo kwamen er bijvoorbeeld een paar duizend politieagenten naar het dorpje Dhurli in de Bastar-regio in het zuiden van de deelstaat, aan de vooravond van de dorpsvergadering die toestemming moest geven voor mijnbouw. De agenten dreigden de bewoners dat zij maar beter vóór moesten stemmen. Slechts vier van hen durfden tegen te stemmen. Midden in de nacht werden zij gearresteerd en afgevoerd.

Nog erger werd de situatie in Bastar door het brute optreden van Salwa Judum, een paramilitaire organisatie opgericht door een lid van het deelstaatparlement met goede contacten met het mijnbouwbedrijfsleven. Deze militie maakte meer dan 600 dorpen met de grond gelijk en verdreef zo’n half miljoen Adivasi’s omdat deze in een gebied woonden waar ijzerertsmijnen moesten komen.

De bedoeling van al dit geweld was om de Adivasi’s duidelijk te maken dat ze zich maar beter neer konden leggen bij mijnbouwplannen. Maar het effect was het tegenovergestelde: het verzet nam juist toe. In feite organiseerden staat en mijnbouwbedrijven kunstmatig een burgeroorlogsituatie die hen de mogelijkheid bood iedere mijnbouwtegenstander uit te maken voor maoïst of terrorist en vervolgens te arresteren en extreem lang op te sluiten of zelfs te doden “in een vuurgevecht”, in plaats van de wet te respecteren die voorschrijft dat mijnbouw alleen toegestaan is als de betreffende Adivasi’s toestemming gegeven hebben.

In de stad Bhilai, in het westen van Chhattisgarh, staat de grote staalfabriek Bhilai Steel Plant (BSP). Die wilde haar productie graag verdubbelen en daarvoor een nieuwe ijzerertsmijn aanleggen in Rowghat, in de Bastar-regio. De maoïsten zijn sterk in dit gebied en de Adivasi’s waren erg gekant tegen deze mijn en de spoorlijn van de mijn naar de fabriek. Ook de maoïsten waren faliekant tegen de projecten. Een woordvoerder van hen verklaarde in 2011: “De bergen in Rowghat zijn erg belangrijk voor de ecologie van het gebied en voor de Maria-volken die daar wonen.” Bovendien “hebben de Adivasi’s geen voordeel van de mijnen”. De BSP liet weten dat zij de kosten van een politiebataljon (800 à 1000 mensen) op zich zou nemen om de aan te leggen mijn te beschermen.

Ondertussen zijn de Rowghat-mijn en bijbehorende spoorlijn van de baan door de dreiging van gewapend ingrijpen van de maoïsten.

Behalve gewapend verzet van de maoïsten was er ook geweldloos verzet. Zo hielden Adivasi’s uit het Rowghat gebied in 2013 een aantal kleinere demonstraties van zo’n tweeduizend mensen en ook een hele grote. Ook zijn er op zijn minst tien ngo’s actief in Chhattisgarh om de Adivasi’s voor te lichten over hun rechten. Toch zijn vriend en vijand het erover eens dat het gewapende verzet de doorslag heeft gegeven het Rowghat-project te stoppen.

Maar niet alleen de geplande mijn in Rowghat is geblokkeerd. Praktisch alle nieuwe mijnbouwprojecten in India (uitgezonderd die in de Indiase deelstaten ten oosten van Bangladesh) zijn vanaf 2005 heftig bestreden en gestopt. Hetzij door geweldloos verzet en als dat niet mogelijk bleek, dan meestal door gewapend ingrijpen van maoïsten. Ook werden er een aantal bestaande mijnen gesloten of anders zijn hun uitbreidingsplannen effectief gedwarsboomd.

Zuidoost-Brazilië: David en Goliath in Minas Gerais

Kröger heeft niet alleen verschillende gebieden in India bezocht, waar hij met tal van activisten sprak. Hij heeft ook verzet tegen mijnbouw in Brazilië bestudeerd, met name in de zuidoostelijke deelstaat Minas Gerais. Als er één deelstaat in Brazilië pro-mijnbouw was, dan was het deze wel. De naam alleen al spreekt boekdelen. “Minas Gerais” betekent namelijk “Algemene Mijnen” en de bewoners noemen zich “mineiros”, “mijnwerkers”. Toch is de stemming in de deelstaat omgeslagen.

Minas Gerais is de belangrijkste producent ter wereld van ijzer, goud, zink en niobium en de op een na belangrijkste van aluminium. De hoofdstad Belo Horizonte is een van de grootste steden van Brazilië, in de stadsregio wonen bijna 6 miljoen mensen. Het gebied rondom de hoofdstad is rijk aan ijzererts en de Braziliaanse multinational Vale had in 2009 haar oog op dit gebied laten vallen om in het Gandarela-gebergte een nieuwe grote mijn te openen: het Apollo-project.

Vale is het grootste Latijns-Amerikaanse concern. Het produceert wereldwijd het meeste ijzererts en nikkel en maakt ook staal, koper, kobalt en nog veel meer. Het heeft een eigen handelsvloot, een serie havens en eigen spoorlijnen om al haar grondstoffen en producten te vervoeren. Met het Apollo-project zou Vale over een miljard ton extra aan ijzererts kunnen beschikken.

Nu is ieder geval van mijnbouwverzet verschillend, omdat de lokale omstandigheden telkens weer anders zijn. Maar over het algemeen is een massabeweging onmisbaar om een machtig mijnbouwbedrijf dat goede contacten heeft met de overheid te blokkeren. Het Apollo-verzet is echter de uitzondering die de regel bevestigt.

Het begon allemaal met wat mensen uit de dorpjes die bedreigd werden, een paar natuurbeschermers die de vernietiging van de bossen wilden voorkomen en een stel deskundigen, zoals Paulo Baptista, landschapsfotograaf en hoogleraar kunst aan de Federale Universiteit van Minas Gerais. Zij luidden de noodklok: dat Vale geen respect had voor het laatste grote waterreservoir dat Belo Horizonto voor 60 procent van drinkwater voorzag. Dat het geen oog had voor het laatste ongerepte natuurgebied in de buurt van de hoofdstad van Minas Gerais. Dat het in feite ging om het overleven van de miljoenenregio Belo Horizonte. Kortom, dat verdere uitbreiding van mijnbouw in dit gebied onverantwoord was.

Deze boodschap sloeg aan bij de redelijk grote groep kritische intellectuelen en ambtenaren van de grote stad. Het verzet in de heuvels had de hoofdstad bereikt! Er ontstond zelfs een kleine beweging: de Movimento pela Preservação da Serra do Gandarela (Beweging voor het Behoud van het Gandarela-gebergte), met op het eind ongeveer duizend leden en een Facebook-pagina.

Het verzet bouwde een goed contact op met het ministerie van Justitie en met het Instituto Chico Mendes de Conservação da Biodiversidade (Chico Mendes Instituut voor het Behoud van de Biodiversiteit) van het milieuministerie. Dit instituut ontwierp in 2010 een plan om van het grootste gedeelte van het Gandarela- gebergte een nationaal park te maken en er op die manier mijnbouw te verhinderen en het kostbare water voor Belo Horizonte te beschermen. Vale zou dan genoegen moeten nemen met een veel kleiner mijnbouwgebied dan zij wenste.

Ondertussen groeide het verzet en was mijnbouwgigant Vale super ontevreden, omdat zij de gevraagde vergunning nog steeds niet binnen had. Het stadsbestuur wist werkelijk niet hoe zij de kool en de geit kon sparen en schoof de beslissing door naar de Braziliaanse president Dilma Roussef. Die probeerde in 2014 een salomonsoordeel te vellen door 31.000 hectare van het Gandarela-gebergte te bestemmen tot nationaal park en 900 à 2.000 hectare aan Vale ter beschikking te stellen voor mijnbouw. Het verzet was daar helemaal niet blij mee, omdat zij vreesde dat het water en de bossen toch vervuild zouden raken. Ook Vale was niet tevreden. Die besloot haar aandacht nu volledig te richten op een ijzerertsgebied in Carajás, Noord-Brazilië. Daar was het verzet in Minas Gerais, zoals te begrijpen valt, niet rouwig om.

In november 2015 kreeg het toch al zwaar gehavende mijnbouwimago in Minas Gerais een extra knauw, toen een dam van een residubekken van Vale in deze deelstaat doorbrak en een giftige modderstroom een reeks dorpen overspoelde met 19 dodelijke slachtoffers tot gevolg. Maar wat de deur definitief dicht deed, was een vergelijkbare, maar nog veel grotere ramp in 2019. Opnieuw brak een dam van een bezinkvijver van Vale in Minas Gerais door. Dit keer vielen er 270 doden. De overheid trok toen de vergunningen van Vale voor dammen bij residubekkens in en de waarde van de aandelen van het monsterbedrijf daalde met bijna 25 procent. De “mineiros” van Minas Gerais hebben hun sympathie voor mijnbouw verloren.

Noord-Brazilië: beweging van landloze boeren bestrijdt mijnbouwgigant in het Carajás-gebergte

Voor het vijfde en laatste gebied waar we het mijnbouwverzet gaan bekijken, richten we onze aandacht op een afgelegen gebied in de Noord-Braziliaanse deelstaat Pará in het Carajás-gebergte. Hier voert de bevolking al decennia strijd tegen mijnbouwreus Vale. De belangrijkste tegenspeler van Vale is de Movimento dos Trabalhadores Rurais Sem Terra (MST, Landloze Arbeiders Beweging). De MST is een grote organisatie, opgericht in 1984, met ongeveer anderhalf miljoen leden verspreid over lokale groepen in bijna alle deelstaten van Brazilië. Zij houdt zich intensief bezig met armoede op het platteland en is vooral bekend van landbezettingen door groepen werkloze landarbeiders. Op deze manier dwingen deze groepen de overheid om een stuk land van grootgrondbezitters dat niet in gebruik is aan hen te geven, zodat zij er een boerengemeenschap kunnen opbouwen.

In 1985 begon Vale met de Carajás-mijn. Dat is de grootste ijzerertsmijn in de wereld en beschikt mondiaal ook nog eens over de grootste ijzerertsvoorraad. Al tientallen jaren neemt de MST het voortouw bij acties tegen deze mijn. Bijvoorbeeld rond de bijbehorende spoorlijn, eucalyptusplantages, gietijzerfabrieken en houtskoolovens. De eerste conflicten dateren uit 1992, toen twee à drieduizend mensen onder aanvoering van de MST een stuk bos in het Carajás Nationaal Park twee dagen lang bezet hielden. Het terrein behoort tot een groot gebied waar Vale mijnbouw mag plegen. Dankzij deze en andere soortgelijke acties onttrok de overheid een groot gedeelte van het gebied, grenzend aan de mijn, aan Vale. Naar aanleiding van de geslaagde bezettingsactie vestigde een MST-groep hier het boerendorp Palmares, in de gemeente Parauebebas.

In 2007 organiseerde de MST samen met kleinschalige mijnbouwers en inheemse gemeenschappen in deze gemeente een grote actie van vijfduizend mensen die 26 dagen duurde. De actievoerders bezetten de Vale-spoorlijn die het mijnbouwbedrijf gebruikte voor de export van ijzererts. De Vale-vakbond ondersteunde de actie en eiste dat het bedrijf, dat in 1997 geprivatiseerd werd, opnieuw genationaliseerd zou worden. Volgens Vale leverde de bezetting haar een verliespost van twintig miljoen dollar op. Ook na 2007 organiseerde de MST in samenwerking met andere organisaties verschillende Vale-campagnes en bezettingsacties van bedrijfsterreinen in een serie deelstaten. Ook voerde zij actie in Rio de Janeiro, waar het hoofdkantoor van het bedrijf staat. Hoewel de acties goed verlopen waren, hebben ze niet geleid tot sluiting van de Carajás-mijn.

Dat wil niet zeggen dat de acties geen resultaat hadden. Zo stopte Vale de productie van houtskool, was zij gedwongen haar uitbreidingen te vertragen en kreeg een gedeelte van het gebied dat de overheid haar toegewezen had een andere bestemming. Daarnaast heeft de deelstaatregering de winstbelasting verhoogd, om met dat geld de bevolking te helpen bij de problemen die zij ondervindt door de mijnbouw. En rechters bepaalden dat Vale heel veel ontdoken belasting alsnog diende te betalen.

Alles bij elkaar heeft het verzet niet alleen de winsten van het bedrijf serieus aangetast, maar ook haar reputatie. Er is nu een kritisch bewustzijn gegroeid onder de bevolking, die niet langer meer gelooft dat verzet tegen mijnbouw achterhaald is en dat mijnbouwbedrijven de grote weldoeners van de samenleving zijn, de brengers van ontwikkeling en welvaart.

Maar waarom lukte het in India wél een groot aantal mijnen te sluiten en in Minas Gerais om een nieuwe mijn te blokkeren – en lukt het niet de Carajás-mijn te stoppen?

Ten eerste: omdat de Carajás mijn in een afgelegen gebied ligt. Voor de bevolking daar is het veel moeilijker een strijd aan te gaan met een machtig mijnbouwbedrijf, dan in een gebied dat vlakbij een grote stad ligt, zoals in ons tweede voorbeeld de nieuwe mijn vlakbij de grote stad Goa en in ons vierde voorbeeld het mijnbouwproject Apollo in de buurt van de deelstaathoofdstad Belo Horizonte. Dat komt omdat er in een grote stad veel middenklassers zijn die wellicht kritisch staan tegenover mijnbouw, goede contacten hebben met deskundige wetenschappers, de media, gespecialiseerde juristen of politieke partijen en met staatsinstellingen zoals een milieudienst of het Openbaar Ministerie. De weinige middenklassers in een verre uithoek waar een mijnbouwconcern actief is, zijn daar meestal óf in dienst van het bedrijf óf er direct afhankelijk van.

Zo had bijvoorbeeld het verzet tegen het mijnbouwproject vlakbij Belo Horizonte prima contacten met de Officier van Justitie in die stad, terwijl zijn collega’s in het Carajás-gebergte de MST-activisten vervolgden vanwege het blokkeren van de Vale-spoorlijn. Officieren van Justitie in Brazilië hebben het in het algemeen niet zo op heftige acties van linkse arbeiders. Zij hebben meer begrip voor rapporten en procedures van ngo’s, vakbonden en kerken. Om het verzet krachtiger te maken kan de MST in een achteraf gebied dus nauwelijks betrokken middenklassers inschakelen. Zij zoekt daarom contact met andere arbeidersorganisaties, zoals de mijnbouwvakbond. Ook bouwt zij aan een nationaal en zelfs internationaal anti-mijnbouwnetwerk.

Ten tweede: omdat de MST, de belangrijkste drijvende kracht achter het verzet, een brede organisatie is. In onze eerste vier voorbeelden hadden we te maken met verzetsgroepen die maar één doel voor ogen hadden: één bepaald mijnbouwproject blokkeren. De MST is echter een grote organisatie die zich bezig houdt met allerhande problemen waarmee de arme plattelandsbevolking te maken heeft. Mijnbouw is daar een van. Een behoorlijk inkomen en goede voorzieningen voor arbeiders in afgelegen gebieden zijn andere aandachtspunten voor de MST. De organisatie heeft een bredere blik en dat gaat ten koste van bepaalde, specifieke actiedoelen.

Ook heeft de MST een iets betere verstandhouding gekregen met Vale. Het bedrijf gaat de confrontatie met de MST uit de weg, omdat zij niet opnieuw een blokkade van haar spoorlijn wil riskeren. De MST kan nu wat makkelijker voorzieningen, zoals bijvoorbeeld de aanleg van een lokale weg, loskrijgen bij de overheid. Zij kaart de kwestie aan bij Vale, die er vervolgens via haar goede contacten met het lokale gezag voor zorgt dat de gevraagde voorziening er komt. Zo dwaalt de MST wat af van haar scherpe anti-mijnbouwstandpunt, hoewel zij tegelijkertijd ook beseft dat zij bij Vale “alleen door te vechten resultaten” kan bereiken. Daar komt bij dat de lokale MST een ander standpunt heeft dan de nationale. Op lokaal niveau is het voor de MST belangrijk wat binnen te halen voor de plaatselijke arme bevolking, terwijl het landelijk bestuur op de lijn zit dat mijnbouw gestopt moet worden vanwege de enorme vervuiling die hij met zich mee brengt. Dit alles betekent echter niet dat het verzet in afgelegen gebieden geen schijn van kans maakt, zie bijvoorbeeld de succesvolle campagne in Keonjhar (ons eerste voorbeeld).

Tenslotte

Als Kröger al die vele, vele gesprekken met activisten in India en Brazilië en de hele stapel boeken die hij gelezen heeft over het thema mijnbouwverzet nog eens overdenkt, dringen zich een paar conclusies op.

Ten eerste: een combinatie van vijf strategieën is de beste garantie voor succesvol verzet:

  • 1. Een massabeweging opbouwen door bijvoorbeeld massademonstraties, massabijeenkomsten, een drukbezochte Facebookpagina of een mailinglist met veel abonnees.
  • 2. Bestaande ‘waarheden’ aanvallen en vervangen door een andere kijk op het leven, met bijvoorbeeld gedichten, liederen, muurschilderingen, documentaires en in toespraken en artikelen, waarbij mijnbouw niet langer staat voor ontwikkeling en welvaart, maar voor vervuiling van de lucht, het water, de akkers en de natuur. Waarbij een bepaalde berg niet zomaar een voorraad erts is die veel geld kan opbrengen, maar voor de Adivasi’s die er wonen een god is, waarvan de waarde niet in geld is uit te drukken. En waarbij de wereld niet een bergplaats is van natuurschatten die ontdekt en geëxploiteerd moeten worden, maar een levensweb van planten, dieren en mensen.
  • 3. Protestacties organiseren, zoals het blokkeren van wegen of spoorbanen, het bezetten van pleinen of het omsingelen van bedrijven.
  • 4. Netwerken opbouwen of je bij bestaande netwerken aansluiten.
  • 5. Gebruik maken van de overheid door bijvoorbeeld een goed contact op te bouwen met bepaalde overheidsinstellingen, zoals bijvoorbeeld het ministerie van Milieu of Plattelandszaken, of een milieudienst. Of door bij verkiezingen kandidaten te steunen die uitdrukkelijk aan de kant van het verzet staan en die later ook te houden aan hun beloften. Of door juridische procedures beginnen.

Maar pas op, doe dit laatste alleen als er al een sterke massabeweging is, anders kan een negatieve uitspraak van een rechtbank makkelijk tegen je werken. Voor een succesvolle procedure heb je overigens de hulp nodig van een gespecialiseerde ngo.

Ten tweede: wat je zeker niet moet doen is je laten inpakken door een overheidsdienst of een mijnbouwbedrijf. Voor een verzetsbeweging is autonomie het allerbelangrijkste. Laat je niet verleiden tot ‘verzoening’ of ”een goed gesprek”, waar mijnbouwmedewerkers excuses aanbieden, beterschap beloven en vage beloften doen. En waar critici het zwijgen wordt opgelegd. Accepteer ook geen cadeautjes, zoals gratis aandelen.

Ten derde: bedrijven en overheid in India en Brazilië treden schrikbarend gewelddadig op tegen mijnbouwverzet. Met name in de afgelegen gebieden. Beide landen behoren tot de gevaarlijkste ter wereld voor activisten. Mishandeling en moord zijn er aan de orde van de dag om het verzet te breken en mijnbouwprojecten alsnog door te zetten. Het is volkomen begrijpelijk dat activisten in een dergelijke situatie naar de wapens grijpen, om op deze manier toch nog wat van het leven, de cultuur en de bossen van de bevolking te redden.

Het is een enorme prestatie dat de MST, die vaak actief is in afgelegen gebieden, zich niet heeft laten verleiden tot gewapend verzet. Hoewel ze daar heel goed toe in staat zou zijn. Zij kiest er uitdrukkelijk voor om te werken aan een politieke verschuiving door langdurig, uitgebreid, vasthoudend verzet. Ze verdraagt daarvoor al het geweld dat overheid en bedrijven op haar uitoefenen. Weliswaar is gewapend verzet in staat om mijnbouwprojecten te blokkeren, maar de prijs die activisten en de rest van de bevolking daarvoor betalen is erg hoog: langdurig leven in een gemilitariseerde omgeving. Bovendien is nationale en internationale solidariteit in zo’n situatie erg moeilijk op te bouwen.

Ten vierde: in discussies over de klimaatcrisis gaat het vaak over de noodzaak om het gebruik van fossiele brandstoffen fors te beperken, omdat deze een bron van de beruchte broeikasgassen zijn die de opwarming van de aarde veroorzaken. Over mijnbouw wordt niet vaak gesproken, maar deze veroorzaakt ook enorme hoeveelheden van deze gevaarlijke gassen. Nu kan je wel bij consumenten aandringen minder te kopen om zo het gebruik van grondstoffen te verminderen. Maar in de praktijk is het effect van dergelijke campagnes gering. De productie aan de bron beperken werkt sneller en is effectiever.

Het is al bijna een cliché geworden om te zeggen dat we niet veel tijd meer hebben om de ergste klimaatrampen te voorkomen, maar het is helaas wel waar. Mijnbouwverzet blijkt een snel, concreet, uitvoerbaar en doeltreffend middel tegen opwarming van de aarde te zijn. Bovendien zal in 2030 de helft van de wereldbevolking kampen met watertekort. Mijnbouw gebruikt en vervuilt gigantisch veel water. Ook vanuit dat oogpunt is mijnbouwverzet pure noodzaak.

Ondersteun het mijnbouwverzet!

Veel en sterk mijnbouwverzet is geen toekomstdroom, geen vrome wens. Het vindt nu al plaats. Het is niet het zoveelste advies aan de klimaatbewuste consument, niet het zoveelste pleidooi voor een “veelbelovende” technische oplossing, niet het zoveelste miljardenplan van de overheid, niet de zoveelste oproep aan politici om nu eindelijk eens werkelijk de uitstoot van broeikasgassen drastisch te verminderen, maar het is een sociale beweging in tal van landen, vooral in het zuiden van de wereld, die nu al in de praktijk grote resultaten boekt. Het enige dat we hoeven te doen is deze beweging te ondersteunen waar we maar kunnen.

Jan Paul Smit

Dit artikel is bijna volledig gebaseerd op het boekIron Will: Global Extractivism and Mining Resistance in Brazil and India” van Markus Kröger uit 2020, dat je hier gratis kan downloaden.

Praktische informatie over het organiseren van (mijnbouw)blokkades vind je in het Doorbraak-artikel “Hoe kan de klimaatbeweging winnen?” en op de uitgebreide website “The Commons Social Change Library”.