jappe1Politici en economen doen alle moeite om ons ervan te overtuigen dat de crisis voorbij is. Volgens anderen echter, zoals de filosoof Anselm Jappe, heeft het kapitalisme zijn uiterste (interne en externe) limieten bereikt, en wordt het tijd dat we zijn ineenstorting durven denken. Hieronder een vertaling van een artikel van zijn hand.


Gevonden op ovl.indymedia.

“De website van de Guardian wees er vrijdag op dat er op de building op de Time Square, in het hart van Manhattan, die op zijn gevel het bedrag van de Amerikaanse openbare schuld afficheert, geen plaats genoeg meer is om het astronomisch getal van miljarden dollars, meer bepaald 10 299 020 383, weer te geven. Een enorm getal vooral te wijten aan de financiering van het plan-Paulson en aan het onder toezicht plaatsen van de agentschappen Freddie Mac en Fannie Mae. Men moest zelfs het symbool „$‟ elimineren, dat het laatste vak van het bord innam, zodat de voorbijgangers het cijfer tot op de bodem zouden kunnen drinken .”(1) Wie herinnert het zich nu nog? De grote schrik van oktober 2008 lijkt al verder weg dan « la grande peur » van het begin van de Franse Revolutie. Nog geen jaar geleden had men nochtans de indruk dat het schip lek geslagen was en zonk als een baksteen. De indruk bestond zelfs dat iedereen, zonder dat uit te spreken, het al lang had zien aankomen. De experts stelden zich openlijk vragen over de solvabiliteit van zelfs de sterkste staten, en de dagbladen schetsten op de eerste pagina de mogelijkheid van een reeks faillissementen van de spaarbanken in Frankrijk. Familieraden kwamen bijeen om uit te maken of het noodzakelijk was om al het geld van de bank te halen en bij zich te houden; treinreizigers vroegen zich af of hun op voorhand gekocht ticket twee weken later nog zou circuleren. De Amerikaanse president George Bush richtte zich tot de natie om over de financiële crisis te praten, in gelijkaardige termen als die gebruikt na 11 september 2001, en Le Monde gaf aan zijn magazine van oktober 2008 de titel: “La fin d’un monde”. Alle commentatoren waren het er over eens dat wat zich aan het afspelen was geen gewone voorbijgaande turbulentie op de financiële markten was, maar de ergste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, of sinds 1929.

Het was opmerkelijk dat dezelfden, van de top manager tot de steuntrekker, die tot voor de crisis zo overtuigd leken dat het gewone kapitalistische leven oneindig zou blijven functioneren, zo snel konden wennen aan de idee van een fundamentele crisis. De algemene indruk dat men zich bevond aan de rand van de afgrond was des te verwonderlijker aangezien het, in het begin, ging om een financiële crisis waarvan de gewone burger pas weet kreeg via de media. Geen massale ontslagen, geen onderbrekingen in de distributie van de noodzakelijke basisgoederen, geen bankautomaten die geen biljetten meer verdeelden, geen handelaars die kredietkaarten weigerden. Nog geen “zichtbare” crisis dus. En toch, een sfeer als van het einde van een rijk. Dat is enkel te verklaren vanuit de veronderstelling dat al voor de crisis eenieder toch vaag aanvoelde, maar zonder er zich volledig rekenschap van te willen geven, op een dunne ijslaag of op een slappe koord te lopen. Toen de crisis dan uitbrak, was eigenlijk niemand meer verwonderd dan een zware roker die te horen krijgt dat hij kanker heeft. Zonder dat dit echt duidelijk werd uitgesproken, was het gevoel dat het “zo” niet langer verder kon al ruim verspreid. Maar misschien moeten we ons nog meer verwonderen over de snelheid waarmee de media de Apocalyps opzij geschoven hebben, om zich weer bezig te houden met de oesterkwekers of de fratsen van Berlusconi. Ons verwonderen over de economisten die onbeschaamd aankondigen dat het al voorbij is en dat alles weer ten beste gaat; over de spaarders die opnieuw naar de bank gaan zonder de minste vrees voor gesloten deuren te staan; over de gemiddelde burger voor wie de crisis neerkomt op een kortere vakantie dit jaar… Zelfs de experts die ons zoetsappig verklaren dat er niets gebeurd is en dat er niets ergs zal gebeuren, zouden zich ongerust moeten maken, en wantrouwig moeten staan tegenover zo’n plotse opluchting en geheugenverlies. Maar ook zij blijven zich gedragen zoals die kankerlijder die ostentatief rookt om zichzelf te bewijzen dat zijn gezondheid uitstekend is. Ook zij hebben zich al aangepast. Gedurende decennia werd een te laag economisch groeicijfer beschouwd als een nationale catastrofe – vandaag is de groei, voor de eerste keer sinds zestig jaar, echt negatief. Nu is dat plots geen probleem meer: volgend jaar zal er weer groei zijn – zo verzekeren zij ons, onverstoorbaar.

Niets nieuws onder de ozonlaag met gaten: noch de officiële wetenschap, noch het alledaagse bewustzijn kunnen zich iets anders voorstellen dan wat zij al kennen – kapitalisme dus, en nogmaals kapitalisme. Dat kan een storm doorstaan, het kan “excessen” vertonen, de komende tijden kunnen hard zijn, maar de verantwoordelijken zullen er de lessen uit trekken: de Amerikanen hebben trouwens eindelijk een voor rede vatbare president verkozen, en de noodzakelijke hervormingen zullen aangenomen worden – na de regen komt de zon! Het is nauwelijks verwonderlijk dat de aangestelde optimisten, gewoonlijk de enigen die gemachtigd worden om te spreken in de instituties en de media, bij iedere zwaluw de terugkeer van de lente aankondigen. Wat kunnen ze anders zeggen?

Maar op het hoogste punt van de crisis van 2008 voelden de media zich verplicht om nu en dan het woord te geven aan hen die er een “antikapitalistische” interpretatie aan gaven, dus aan degenen die deze crisis voorstelden als de manifestatie van een diepergaande disfunctie, en die dus niet nalieten op te roepen tot “radicale veranderingen”. Terwijl de “Nieuwe antikapitalistische partij” en haar soortgenoten uitbazuinden, uiteraard, dat er geen sprake van kan zijn dat “wij hun crisis betalen”, en hun pamfletten, overgebleven van de betogingen van tien, twintig of dertig jaar geleden, uit de kelder haalden, kregen de bekendste vertegenwoordigers van wat vandaag beschouwd wordt als een onverbiddelijke kritiek op de hedendaagse maatschappij – dat wil zeggen de Badious, Zizeks, Negri’s – het recht op wat langere tribunes in de pers dan gewoonlijk, of voelden zij in ieder geval de wind in de rug. Dit is toch ietwat verwonderlijk: de mogelijkheid van een belangrijke crisis van het kapitalisme die niet geprovoceerd wordt door het verzet van de ”uitgebuitenen” of van de “multitude”, maar door een blokkering van de machine - zonder enige verantwoordelijke dus – is niet voorzien in hun analyses. Nu, in feite hebben ook zij verklaard dat er niets aan de hand en niets te zien is; dat het een crisis is zoals een andere, die voorbij zal gaan zoals de andere voorbij zijn gegaan, want crisis is het normale fundament van het kapitalisme. Maar wat zij de crisis noemen – de ineenstorting van de beurzen, de mondiale deflatie – is in werkelijkheid niet meer dan een geheel van secundaire fenomenen. Het zijn de zichtbare manifestaties, de uitdrukking aan de oppervlakte, van de werkelijke crisis, van die echte crisis die zijzelf niet kunnen denken. De verklaarde tegenstanders van het kapitalisme – “extreem” of “radicaal” links, marxisten van verschillende gezindten, “tegenstanders van de groei”(2) of “radicale” ecologisten – blijven bijna allen hardnekkig geloven in de eeuwigheid van het kapitalisme en zijn categorieën, soms zelfs nog meer dan bepaalde apologeten ervan(3).

Deze kritiek van het kapitalisme zet zich enkel af tegen de financiële wereld, die ze als enige verantwoordelijke voor de crisis beschouwt. De “reële economie” zou gezond zijn en het zou enkel de financiële wereld zijn die, ontsnapt aan iedere controle, de mondiale economie in gevaar zou brengen. Vandaar dat de haastige, maar ook de meest verspreide verklaring iedere verantwoordelijkheid toeschrijft aan de “inhaligheid” van een handvol speculanten die met het geld van allen zouden spelen alsof ze zich in een casino bevinden. In feite schrijft deze verklaring, waarbij de geheimen van de kapitalistische economie, wanneer deze slecht begint te functioneren, teruggebracht worden tot het samenzweerderige gekonkel van slechteriken, zich in in een lange en gevaarlijke traditie. Het zou de slechtst mogelijke uitweg zijn om nog maar eens zondebokken aan te duiden, de “joodse hoge financiën” of andere, om aan de schandpaal te nagelen tegenover het “eerlijke volk” van arbeiders en spaarders. En evenmin is het ernstig een “slecht” “Angelsaksisch” kapitalisme, agressief en zonder limieten, te plaatsen tegenover een ”goed” “continentaal” kapitalisme, dat verantwoordelijker zou zijn. We hebben gezien dat het onderscheid tussen beide een kwestie van nuances is. Al diegenen die nu oproepen om de financiële markten “strikter te reguleren”, van ATTAC tot Sarkozy, zien in de waanzin van de beurzen niet meer dan een “exces”, een uitwas op een gezond lichaam.

Het “antikapitalisme” van radicaal links is slechts een “antiliberalisme”. Het enige alternatief voor het kapitalisme dat ze ooit heeft kunnen uitdenken bestond in de dictaturen met een geplande economie in het Oosten en het Zuiden van de wereld. Sinds deze bankroet zijn gegaan, van koers veranderd of compleet onverdedigbaar geworden, blijft er voor deze antikapitalisten enkel de keuze over tussen verschillende modellen van het kapitalisme: tussen liberalisme en keynesianisme, tussen het Europese model en het Angelsaksische model, tussen financieel turbokapitalisme en sociale markteconomie, tussen bejubeling van de beurzen en “creatie van arbeidsplaatsen”. Er kunnen verschillende manieren van valorisatie van waarde zijn, van kapitaalaccumulatie, van transformatie van geld in meer geld; en het is vooral de verdeling van de vruchten van deze productiewijze die kan veranderen, waarbij bepaalde sociale groepen meer bevoordeeld worden dan andere. De crisis zou zelfs nuttig zijn voor het kapitalisme, voorzien zij: de kapitalen in overschot zullen gedevalueerd worden, en we weten sinds Schumpeter dat de “creatieve destructie” de fundamentele wet is van het kapitalisme. Men kan zich onmogelijk inbeelden – als men wil vermijden te worden bestempeld als dwaze utopist, of als gelijke van Pol Pot, dat wil zeggen als aanhanger van de enige alternatieven voor het kapitalisme dat het heersende bewustzijn zich nog kan voorstellen – dat de mensheid anders kan leven dan met de valorisatie van de waarde, de accumulatie van kapitaal en de transformatie van geld in meer geld. Er kan een externe limiet zijn aan de groei van het kapitalisme, in de vorm van een uitputting van de hulpbronnen en de vernietiging van de natuurlijke fundamenten; maar als vorm van sociale reproductie zou het kapitalisme onoverkomelijk zijn. Wat Le Figaro openlijk verklaart, zeggen de neomarxisten, de bourdieusianen, de andersglobalisten en de tegenstanders van de groei [les décroissants] wat omslachtiger: de markt is een natuurgegeven voor de mensen. De antikapitalisten-antiliberalen stellen gewoon voor terug te keren naar het “sociale” kapitalisme van de jaren zestig (ten onrechte geïdealiseerd, dat spreekt voor zich), naar de volledige werkgelegenheid en de hoge lonen, naar de welvaartsstaat en de school als “sociale lift”; sommigen willen er een beetje ecologie aan toevoegen, wat vrijwilligerswerk of zelfs wat “décroissance”. In werkelijkheid moeten zij hopen dat het kapitalisme gauw herstelt en opnieuw op volle toeren begint te draaien, om hun mooie dure programma’s te kunnen realiseren.

De huidige crisis is voor hen de gedroomde gelegenheid om eindelijk een luisterend oor te vinden voor de voorstellen die zij al zolang in de mouw hebben. De crisis zal heilzaam zijn: zij zal zeker een kleine aderlating betekenen voor sommigen, maar zij zal de mensen en de instituties ertoe dwingen hun slechte gewoontes te herzien. Aldus hoopt ieder van deze welwillende critici wat koren op hun molen te storten: regulering van de financiële markten, limieten aan de premies voor de managers, afschaffing van de “fiscale paradijzen”, herverdelingsmaatregelen, en vooral een “groen kapitalisme” als motor van een nieuw accumulatieregime en schepper van banen. De zaak is beklonken: de crisis is de gelegenheid voor een verbetering van het kapitalisme, niet voor een breuk ermee.

Maar toch riskeren ze ook op dat vlak te worden ontgoocheld. In de context van de crisis doen zich geheel tegengestelde reacties voor. Zo kan men, om de crisis te boven te komen, ecologische maatregelen aanprijzen (zoals Obama of Sarkozy beloven) of, integendeel, de bestaande beschermingen zelf aanvallen in de naam van de “relance van de groei” en van de “creatie van arbeidsplaatsen” (zoals Berlusconi doet, zoals de industrie vraagt, vooral die van de bouw en de auto, en een aanzienlijk deel van het grote publiek)(4) . En wat zeggen wanneer ontslagen arbeiders, om betere ontslagvoorwaarden af te dwingen, ermee dreigen toxische producten in een rivier te lozen, zoals reeds verschillende malen is gebeurd in Frankrijk? Zullen we dan meemaken dat ecologisten slaags raken met de arbeiders? “Radicaal” links moet nu beslissen: of overgaan tot een kritiek op het kapitalisme, ook al verklaart deze zich niet meer neoliberaal, of participeren aan het beheer van een kapitalisme dat een deel van de kritieken tegen zijn “excessen” geïncorporeerd heeft.

Sommige waarnemers lijken verder te gaan, zij praten over een kapitalisme dat de wereld vernietigt en bezig is zichzelf te vernietigen. Duiden deze alarmkreten niet op een bewustwording, geconfronteerd met de rampen van het kapitalisme, zowel wanneer die “normaal” functioneert als in zijn periodes van crisis? Deze aanvallen zijn echter, in de meeste gevallen, enkel gericht tegen de recente “gedereguleerde” en “wilde” fase van het kapitalisme, de neoliberale fase, en helemaal niet tegen het kapitalistische accumulatieregime als zodanig, tegen de tautologische logica die vereist dat een euro getransformeerd wordt in twee euro en die de concrete wereld consumeert als louter materiaal voor deze uitbreiding van de waardevorm. Volgens hen zou een terugkeer naar het “verstandige” kapitalisme, want “gereguleerd” en onderworpen aan de “politiek”, logischerwijze het probleem moeten oplossen.

Is het dan zo dat het “antineoliberale” discours ontkent dat er een actuele crisis is? Neen, maar het wil slechts de symptomen van de ziekte bestrijden. Overigens, het algemene onvermogen zich voor te stellen dat de crisis op iets anders kan uitlopen dan het kapitalisme vormt nog steeds een frappant contrast met de vage, maar hardnekkige en universele, perceptie van in een permanente crisis te leven. Sinds decennia overheerst er een sfeer van pessimisme. De jongeren weten, en aanvaarden gelaten, dat zij slechter zullen leven dan hun ouders en dat de basisbehoeften – werk, onderdak – steeds moeilijker te verkrijgen en te behouden zullen zijn. De algemene indruk is dat men van een helling glijdt. De enige hoop is niet te snel af te glijden, maar niet opnieuw te kunnen opklimmen. Er is het vage gevoel dat het feest ten einde is en dat de magere jaren zullen beginnen, een gevoel dat vaak samengaat met de overtuiging dat de voorgaande generatie (die van de “babyboomers”) alles opgeschrokt heeft en haast niets heeft overgelaten voor haar kinderen. Het merendeel van de jongeren in Frankrijk, tenminste zij die een diploma in de wacht slepen, zijn er nog van overtuigd een gaatje te kunnen vinden om te overleven, op economisch vlak, maar niets meer. Men kan niet meer spreken van een crisis eigen aan specifieke sectoren ten voordele van andere die nog vooruitgang zouden maken: de ineenstorting van de beurs, in 2001, van de “nieuwe economie”, nochtans gedurende jaren voorgesteld als de nieuwe motor van het kapitalisme, toont het aan. En we zijn geen getuigen van een ontwaarding van enkele beroepen ten voordele van andere, zoals toen de hoefsmeden vervangen werden door de garagisten, en zoals de manie van de “herkwalificaties” ons nog wil doen geloven. Vandaag gaat het om een algemene devaluatie van bijna alle menselijke activiteiten, waarneembaar in de snelle en onverwachte verarming van de “middenklassen”. Als men daarbij nog het bewustzijn neemt, inmiddels goed verankerd in alle hoofden, van de huidige en toekomstige milieurampen en van de uitputting van de grondstoffen, kan men zeggen dat de overgrote meerderheid vandaag de toekomst met vrees tegemoet ziet.

Het kan vreemd lijken dat de zo verspreide impressie van een algemene verslechtering van de levensomstandigheden vaak samengaat met de overtuiging dat het kapitalisme op volle toeren draait, dat de mondialisering op zijn hoogtepunt is, dat er meer rijkdom is dan ooit. De wereld zou in crisis zijn, maar niet het kapitalisme, of, zoals Luc Boltanski en Eve Chiapello het stellen in het begin van hun boek Le Nouvel esprit du capitalisme, verschenen in 1999: het kapitalisme is in expansie, het is de sociale en economische toestand van talrijke mensen die degradeert. Op die manier wordt het kapitalisme gezien als een deel van de samenleving, afzonderlijk van en tegenover de rest, als het geheel van mensen die het geaccumuleerde geld in handen hebben, en niet als een sociale verhouding die al de leden van de huidige samenleving omvat.

Sommigen, die zichzelf verstandiger vinden, zien zelfs in het discours van de crisis een simpele uitvinding: van de industriëlen om de lonen te verlagen en de winsten te verhogen, of van de “heerschappij” zelf om de planetaire en permanente noodtoestand te justificeren. Het is waar dat de crises, zowel in het verleden als nu, vaak werden gebruikt en gebruikt worden ter legitimatie van de staat, vooral sinds deze geen “positief” project meer presenteert, maar zich beperkt tot het beheer van urgenties, waarbij hijzelf alles wat niet marcheert op de voorgrond plaatst (in tegenstelling tot de propaganda van het verleden, gewijd aan “iedereen is gelukkig dankzij de wijsheid van de regering”). Zijn taak is de randvoorwaarden te creëren voor het enige toegelaten doel, voor de enige erkende finaliteit in de hedendaagse mondiale samenleving, waar ook ter wereld (behalve in Noord-Korea, in Iran en in enkele moslimlanden): de individuen tot een maximale consumptie van koopwaren en “persoonlijke ontplooiing” in staat stellen. Moesten crises niet bestaan, de staten zouden ze uitvinden, dat is waar. Maar enkel de secundaire crises, niet die die de fundamenten in gevaar brengen. Tijdens deze crisis hadden we meer dan ooit de indruk dat de ”heersende klassen” over niet veel heersten, maar dat zij integendeel zelf gedomineerd werden door het “subject automaat” (Marx) van het kapitaal.

Nochtans werd er een heel verschillende kritiek van het hedendaagse kapitalisme dan deze die hier werden geschetst, naar voren geschoven. Zij vraagt: en wat als het financiële kapitaal [la financiarisation], ver van de reële economie geruïneerd te hebben, deze integendeel geholpen heeft om te overleven voorbij haar uiterste gebruiksdatum? Wat als zij een stervend lichaam een nieuwe adem zou hebben gegeven? Waarom is men zo zeker dat het kapitalisme zelf aan de cyclus van geboorte, groei en dood ontsnapt? Zou het niet kunnen dat er intrinsieke limieten zijn aan zijn ontwikkeling, limieten die niet alleen liggen in het bestaan van een gedeclareerde vijand (het proletariaat, de onderdrukte volkeren), en niet louter in de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen?

Tijdens de crisis was het opnieuw in de mode om Marx te citeren. Maar de Duitse denker heeft niet alleen gepraat over de klassenstrijd. Hij had eveneens de mogelijkheid voorzien dat op een dag de kapitalistische machine van zichzelf stilvalt, dat haar dynamiek uitgeput geraakt. Waarom? De kapitalistische warenproductie bevat, van in het begin, een interne contradictie, een echte tijdbom die in haar fundamenten zelf is gelegen. Men kan het kapitaal niet laten gedijen, en het dus accumuleren, zonder de exploitatie van de arbeidskracht. Maar de werker, om winst te genereren voor zijn werkgever, moet uitgerust worden met de noodzakelijke werktuigen, en vandaag met spitstechnologie. Daaruit resulteert een voortdurende wedloop – de concurrentie verplicht – in het gebruik van technologieën. De werkgever die het eerst beroep kan doen op nieuwe technologieën wint iedere keer, want zijn arbeiders produceren meer dan zij die niet over die werktuigen beschikken. Maar het systeem in zijn geheel verliest erbij, want die technologieën vervangen de menselijke arbeid. De waarde van elke afzonderlijke koopwaar bevat dus steeds kleinere delen van menselijke arbeid – die nochtans de enige bron van waarde is, en dus van winst. De ontwikkeling van de technologie vermindert de winsten in hun totaliteit. Desalniettemin kon, gedurende anderhalve eeuw, de uitbreiding van de productie van koopwaren op mondiale schaal deze tendens tot vermindering van de waarde van iedere afzonderlijke waar compenseren.

Sinds de jaren 1960 liep dit mechanisme – dat al niets anders was dan een permanente vlucht naar voren – vast. De productiviteitswinsten, mogelijk gemaakt door de micro-elektronica hebben, paradoxaal, het kapitalisme in crisis gebracht. Er waren steeds kolossalere investeringen nodig om, volgens de productiviteitsstandaarden van de wereldmarkt, de weinig overgebleven arbeiders te doen werken. De reële kapitaalsaccumulatie dreigde stil te vallen. Het is op dat moment dat het “fictieve kapitaal”, zoals Marx het noemde, een hoge vlucht nam. Het opgeven van de convertibiliteit van de dollar in goud, in 1971, heeft de laatste veiligheidsklep, de laatste verankering in de reële accumulatie, geëlimineerd. Het krediet is niets anders dan een anticipatie van verhoopte toekomstige winsten. Maar als de productie van waarde, en dus van meerwaarde, in de reële economie stagneert (wat niets te zien heeft met een stagnatie van de productie van dingen – het kapitalisme draait rond de productie van meerwaarde, en niet van producten in hun hoedanigheid van gebruikswaarden), is er alleen maar de geldhandel die aan de eigenaars van kapitaal toelaat de winsten te maken die nu onmogelijk te verkrijgen zijn in de reële economie. De opkomst van het neoliberalisme vanaf 1980 was geen vuil manoeuvre van de meest inhalige kapitalisten, geen staatsgreep opgezet met de medeplichtigheid van gedienstige politici, zoals “radicaal” links wil geloven. Het neoliberalisme was, integendeel, de enig mogelijke manier om het kapitalistische systeem, dat niemand, noch rechts noch links, serieus en in zijn fundamenten in vraag wou stellen, te verlengen. Een groot aantal ondernemingen en individuen hebben lange tijd een illusie van welvaart kunnen behouden dankzij het krediet. Nu is ook deze steunkruk gebroken. Maar de terugkeer naar het keynesianisme, zowat overal aangehaald, zal compleet onmogelijk zijn: er is niet genoeg “reëel” geld meer ter beschikking van de staten. Voor het moment hebben de “beslissingsnemers” het Mane, Thecel, Phares nog wat verdaagd door nog een nul toe te voegen achter de wonderlijke cijfers op de schermen, die met niets meer corresponderen. De leningen toegestaan om de banken te redden zijn tien maal hoger dan de putten die de markten tien jaar geleden deden beven – maar de reële productie (laten we zeggen, banaal, het BNP) is gestegen met ongeveer 20-30 %! De “economische groei” van de jaren 1980 en 1990 had geen autonome basis, maar was te wijten aan de financiële luchtbellen. En wanneer die bellen gebarsten zullen zijn, zal er geen “sanering” zijn waarna alles opnieuw zou kunnen beginnen.

Waarom is dit systeem nog niet helemaal ineengestort? Waaraan heeft het zijn voorlopige overleving te danken? In essentie aan het krediet. Tegenover de toenemende moeilijkheden, in de loop van de eeuw, om de valorisatie van de arbeidskracht te financieren, dus in vast kapitaal te investeren, was de toevlucht tot steeds massalere kredieten geen aberratie, maar onvermijdelijk. Zelfs tijdens het bewind van de neoliberale monetaristen steeg de schuldenlast sterk. Of dat krediet nu privé of publiek is, intern of extern, verandert niet veel aan de zaak. De continue en onomkeerbare evolutie van de technologie vergroot onophoudelijk de kloof tussen de rol van de arbeidskracht – die, we herhalen het, de enige bron van waarde en van meerwaarde is – en de steeds belangrijkere rol van de arbeidsinstrumenten, die betaald moeten worden met de meerwaarde verkregen door de exploitatie van de arbeidskracht. Bijgevolg kan de toevlucht tot het krediet in de loop van de jaren alleen maar toenemen en evolueren naar een punt waarop geen terugkeer mogelijk is. Het krediet, dat winst is die geconsumeerd wordt voordat zij gerealiseerd is, kan het moment waarop het kapitalisme haar systemische limieten bereikt uitstellen, maar het kan dat moment niet opheffen. Zelfs de hardnekkigste therapie moet op een dag beëindigd worden.

Het krediet verlengt niet alleen het leven van het systeem als zodanig, maar ook dat van de consumenten. We weten dat de privéschulden enorme bedragen bereikt hebben, bijvoorbeeld 15000 € voor iedere Italiaanse familie, en nog veel hoger in de Verenigde Staten. En vooral, zij stijgen snel. Men kan zich een beeld vormen van de toekomst van deze manier van leven met het voorbeeld van een land als Brazilië, waar het mogelijk is een draagbare telefoon te kopen en deze te betalen in tien termijnen, waar het onderhoud van de wagen kan geregeld worden in drie keer, en waar de benzinestations geen concurrentie voeren op basis van de benzineprijs, maar op basis van de incassering van cheques – aan 90, 180 dagen…
Sommigen slagen erin in vervoering te raken voor deze “virtualisering” van de wereld en voorspellen hem een grote toekomst. Maar enkel een volledig gepostmoderniseerd bewustzijn is in staat te geloven dat een virtualisering zonder reële bases voor altijd zou kunnen duren. Enkelen hebben het concept zelf van een “reële economie” ter discussie willen stellen en “deconstrueren”. Ongetwijfeld zou het velen goed uitkomen te bewijzen dat de fictie evenveel waard is als de realiteit, net zoals het veel meer zou overeenkomen met onze verlangens. Men moet nochtans geen grote profeet zijn om te voorspellen dat de “ontkenningen van de realiteit”, sinds dertig jaar met voldane glimlach verkondigd, niet veel toekomst meer hebben in een tijdperk van “reële” crises. Het editoriaal van het reeds geciteerde Le Monde zei met reden : “Terug naar de realiteit via het vakje ramp”.

Dit radicale standpunt over de crisis – en voor de formulering ervan zijn we nog steeds schatplichtig aan de analyses van Robert Kurz – stelt dus ten eerste dat, zelfs op het strikte economische vlak, de crisis nog maar begonnen is. Er zijn nog steeds heel veel banken en grote ondernemingen die hun rampzalige toestand verbergen door hun balansen te vervalsen, en men praat, naast andere faillissementen in aantocht, over een volgende ineenstorting van het kredietkaartensysteem in de Verenigde Staten. De astronomische sommen die door de staten in de economie worden gepompt, daarmee van de ene op de andere dag de monetaristische dogmatiek opgevend in naam waarvan men miljoenen mensen in de miserie had geduwd, en de aankondigingen van een grotere regulering, hebben niets te zien met een terugkeer naar het keynesianisme en de sociale staat van weleer. Het gaat niet om investeringen in de infrastructuren, van het type “New Deal”, noch om de creatie van koopkracht voor het volk. Deze sommen hebben eensklaps de publieke schuld van de Verenigde Staten verhoogd met 20%, maar zij hebben niet meer dan de onmiddellijke ineenstorting van het kredietsysteem kunnen vermijden. Voor een werkelijke “relance van de economie” zouden er nog veel gigantischere sommen nodig zijn, die daarenboven, in de huidige stand van zaken, enkel kunnen verkregen worden door geld te creëren bij decreet, wat alleen maar zou kunnen leiden tot een mondiale hyperinflatie. Een korte door de inflatie gevoede groei zou uitmonden in een nog grotere crisis, want men ziet nergens mogelijke nieuwe vormen van accumulatie die, na een initiële “stimulatie” door de staat, in staat zouden zijn een groei te produceren die dan op zijn eigen fundamenten zou berusten.

Maar de crisis is niet alleen economisch. Als er geen geld meer is, gaat er niets meer. In de loop van de XXste eeuw heeft het kapitalisme, om de sfeer van de valorisatie van de waarde uit te breiden, steeds grotere sectoren van het leven ingepalmd: van de opvoeding van de kinderen tot verzorging van de ouderen, van de keuken tot de cultuur, van de verwarming tot het transport. Er is een vooruitgang geweest, in naam van de “efficiëntie” of van de “vrijheid van de individuen”, losgemaakt van familiale en gemeenschapsbanden. Nu zien we daarvan de consequenties: alles stort ineen als het niet “financierbaar” is. En het is niet alleen van het geld dat alles afhankelijk is, maar erger nog: van het krediet. Wanneer de reële reproductie het ”fictieve kapitaal” achterna loopt en de bedrijven, de instituties en ganse staten enkel maar overleven dankzij hun beursnoteringen, beïnvloedt iedere financiële crisis niet alleen maar degenen die spelen op de beurs, maar ook ontelbare mensen in hun dagelijkse en intieme leven. De vele Amerikanen die pensioenen in aandelen hadden geaccepteerd en die na de crashes niets meer hebben voor hun oude dag, waren bij de eersten om te proeven van die dood op krediet. Het was maar een begin; wanneer de crisis werkelijk zal terugkaatsen op de realiteit – wanneer een brutale toename van de werkloosheid en van de precarisering vergezeld zal gaan van een sterke daling van de staatsinkomsten –, zal men zien dat volledige sectoren van het sociale leven overgelaten zullen worden aan de kunst van het overleven van dag op dag.

De verschillende crises – economisch, ecologisch, energie – zijn niet enkel “hedendaags” of “gelieerd”: zij zijn de uitdrukking van een fundamentele crisis, die van de waardevorm, van de abstracte vorm, leeg, die zich opdringt aan iedere inhoud in een maatschappij die gebaseerd is op de abstracte arbeid en zijn representatie in de waarde van een koopwaar. Het is een hele manier van leven, produceren en denken, op z’n minst tweehonderd vijftig jaar oud, die niet meer in staat lijkt het overleven van de mensheid te garanderen. Misschien zal er geen “zwarte vrijdag” zijn zoals in 1929, een “dag des Oordeels”. Maar er zijn goede redenen om te denken dat we het einde van een lange historische periode beleven(5). Het tijdperk waarin de productieactiviteit en de producten niet dienen om de behoeften te bevredigen, maar om de onophoudelijke cyclus te voeden van de arbeid die het kapitaal valoriseert en van het kapitaal dat de arbeid gebruikt. De koopwaar en de arbeid, het geld en de staatsregulatie, de concurrentie en de markt: achter de financiële crises die zich sinds meer dan twintig jaar herhalen, telkens weer erger, tekent zich de crisis van al deze categorieën af. Die, het is altijd goed het in herinnering te brengen, niet overal en altijd deel uitmaken van het menselijke bestaan. Zij hebben bezit genomen van het menselijke leven in de loop van de laatste eeuwen, en zij kunnen plaats ruimen voor iets anders: iets beter of iets nog slechter. Misschien zal er een kleine heropleving zijn gedurende de komende maanden, of zelfs gedurende enkele jaren(6). Maar het einde van de arbeid, van het verkopen, het verkocht worden en van het kopen, het einde van de markt en van de staat – allemaal categorieën die geenszins natuurlijk zijn en die op een dag zullen verdwijnen, zoals zijzelf andere vormen van sociaal leven hebben vervangen – is een proces van lange duur. De huidige crisis is daarvan niet het begin noch het einde, maar een belangrijke etappe.

Maar waarom krijgt deze kritiek, die zowat de enige is die geconfirmeerd wordt door de recente crisis, zo weinig aandacht? In essentie omdat niemand zich het einde van het kapitalisme werkelijk kan voorstellen. De idee zelf veroorzaakt een panische angst. Iedereen vindt dat hij te weinig geld heeft, maar eenieder voelt zich bedreigd in zijn bestaan, zelfs op het fysieke vlak, als het geld aanstalten maakt om te devalueren en zijn rol in het sociale leven te verliezen. In de crisis klampen mensen zich meer dan ooit vast aan de enige vormen van socialisatie die ze kennen. Er is op z’n minst over één zaak algemene overeenstemming: het verkopen, verkocht worden en kopen moet altijd voortgaan. Ziedaar, waarom het zo moeilijk is om te reageren op deze crisis of om zich te organiseren teneinde er het hoofd aan te bieden: omdat het niet zij tegen wij is. De moeilijkheid is dat men het “automaat subject” van het kapitaal zou moeten bestrijden, dat ook in ieder van ons aanwezig is, en dus een deel van onze gewoontes, smaken, luiheden, neigingen, narcismes, ijdelheden, egoïsmen… Niemand wil het monster in het gezicht kijken. Hoeveel waanideeën stelt men voor, eerder dan de arbeid en de waar, of alleen maar de auto, in vraag te stellen! “Grote wetenschappers” raaskallen over reuzensatellieten die een deel van de zonnestralen terugsturen of over apparaten die in staat zijn de oceanen weer af te koelen. Men stelt voor “groenten te produceren in serres met hydroculturen of zelfs aeroculturen” en vlees te fabriceren “direct van de stamcellen”; en de afnemende hulpbronnen, letterlijk, op de maan te gaan zoeken: “Zij bevat, onder andere, een miljoen ton helium 3, de ideale brandstof voor nucleaire fusie. Een ton helium 3 kan ongeveer 6 miljard dollar waard zijn, gezien de energie die zij kan leveren. En dat is maar een reden waarom zoveel landen zich concentreren op een terugkeer naar de maan”(7). In dezelfde geest stelt men voor om “zich aan te passen” aan de klimaatveranderingen in plaats van ze te bevechten(8). Eerder dan de “economische terreur” te verlaten, gaat men nog meer dreigen: “Meer dan ooit hebben de organisaties en de mensen die zich weten, willen en kunnen aanpassen een economische en sociale toekomst. De aanhangers van het immobilisme zouden wel eens iedere geschiktheid kunnen verliezen”(9), en dus verdwijnen van deze wereld. Malthus had het al gezegd: de honger is de beste opvoeder tot arbeid. Alles wat de valorisatie van het kapitaal niet dient is een luxe, en in tijden van crisis is luxe niet vergund. Dit alles is geen perversie, het is geheel logisch in een maatschappij die van de transformatie van geld in meer geld haar levensprincipe heeft gemaakt.

Een apocalyptisch tableau, zal men ons verwijten: het einde van het kapitalisme wordt al sinds zijn geboorte aangekondigd, bij elke moeilijkheid die het tegenkomt. Het duikt echter telkens weer op na elke crisis, zoals de feniks herrijst uit zijn as. Tegelijkertijd is het iedere keer veranderd, en het is vandaag heel verschillend van wat het was in 1800, of in 1850, of in 1930. Maken we nu geen nieuwe mutatie van dien aard mee, waar het zal veranderen om nog nadrukkelijker te blijven? Waarom zou deze crisis ernstiger zijn dan al de andere sinds 200 jaar? Zou het kapitalisme niet kunnen blijven bestaan onder atypische vormen, tussen catastrofes en oorlogen? Is de crisis niet de eeuwige vorm van zijn bestaan, ja zelfs van de historische samenlevingen in het algemeen? Een lijst opstellen van alle disfuncties van het huidige kapitalisme kan enkel – zo gaat het bezwaar verder – het bewijs leveren van zijn finale crisis, als de korte Fordistische periode van stabiliteit gezien wordt als de enige mogelijke werking van het kapitalisme, en al zijn andere bestaansvormen als afwijkingen. De burgeroorlogen in Afrika en de herfeodalisering van Rusland, het islamitisch fundamentalisme en de precarisering in Europa zouden alleen bewijzen dat het onmogelijk was om het Fordistische model, als dusdanig, uit te breiden naar de hele wereld, maar niet het failliet van het kapitalisme, dat als mondiaal systeem juist bestaat in de co-existentie van al deze vormen die elk, in zijn context, nuttig zouden zijn voor het wereldsysteem. Het kapitalisme zou ook heel verschillend kunnen marcheren dan in het Europa van de jaren zestig: dat zou enkel maar zijn flexibiliteit aantonen. De verwoestingen die het aanricht, van de atomisering van de individuen en de ontbinding van de familie tot de psychische en fysieke ziektes en de milieuvervuiling, zouden niet noodzakelijk een crisissymptoom zijn – zij zouden telkens weer nieuwe behoeften en marktsectoren creëren die de accumulatie doen voortgaan.
Maar deze tegenwerping houdt geen steek: wat zij beschrijft is de geboorte en het voortbestaan van steeds veranderende vormen van heerschappij en exploitatie, maar niet het ontstaan van nieuwe kapitalistische accumulatiemodellen. De “niet-klassieke” vormen van winstcreatie kunnen enkel functioneren als indirecte participatievormen aan de mondiale markt, dus parasiterend op de mondiale circuits van de waarde (bijvoorbeeld: door drugs duur te verkopen aan de rijke landen, dirigeren sommige landen van het “Zuiden” een deel van de “werkelijke” meerwaarde verkregen in de rijke landen naar hen). Indien de creatie van waarde in de industriële centra helemaal zou uitdoven, zou het ook gedaan zijn met de drugsbaronnen en de kinderhandelaars. Zij zouden dan ten hoogste hun onderdanen kunnen dwingen om opnieuw een landbouwsurplus, een materieel surplus, voor hun bazen te creëren. Maar zelfs de meest overtuigde verdedigers van de eeuwigheid van het kapitalisme zouden dat geen nieuw kapitalistisch accumulatiemodel durven noemen.
Algemener moet men steeds in herinnering houden dat de diensten en de reparaties geen arbeid zijn die kapitaal produceren, maar dat ze afhankelijk zijn van de productieve sectoren. Het is niet alleen de theorie van Marx die dat zegt (en nog meer op dit punt dan op andere geldt dat zij niet alleen doorgedrongen is tot bij marxisten), maar gewoon de dagdagelijkse ervaring: in tijden van recessie zijn cultuur en onderwijs, milieubehoud en gezondheid, subsidies voor verenigingen en bescherming van het patrimonium, verre van dienst te kunnen doen als “groeimotor”, de eersten om opgeofferd te worden wegens “gebrek aan financiën”.

Zeker, men kan niet abstract “bewijzen” dat wij het einde van de pluriseculaire warenmaatschappij meemaken. Maar bepaalde recente tendensen zijn wel degelijk nieuw. Een externe limiet werd bereikt, met de uitputting van de grondstoffen – en vooral van de belangrijkste en minst vervangbare grondstof: het water –, net zoals met de onomkeerbare klimaatwijzigingen, de verloren gegane natuurlijke soorten, de verdwenen landschappen. Het kapitalisme gaat ook naar een interne limiet, omdat zijn ontwikkelingsloop lineair, cumulatief en irreversibel is, en niet cyclisch en repetitief zoals andere productievormen. Het is de enige maatschappij ooit die in haar kern een dynamische contradictie bevat, en niet louter een antagonisme: de transformatie van arbeid in waarde is historisch gedoemd tot de uitputting door de technologieën die de arbeid vervangen.

De subjecten die leven in deze periode van interne en externe crisis ondergaan ook een verstoring van de psychische structuren die lange tijd gedefinieerd hebben wat de mens is. Deze nieuwe onvoorspelbare subjecten bevinden zich tezelfdertijd in de positie dat zij over ongekende destructiemogelijkheden beschikken. Ten slotte, de reductie van de creatie van waarde over de hele wereld brengt met zich mee dat er, voor de eerste keer – en dit overal – bevolkingsgroepen op overschot zijn, overtollig, die zelfs niet meer dienen om uitgebuit te worden. Vanuit het gezichtspunt van de waarde is het de mensheid die begint een overbodige luxe te zijn, een te elimineren kost, een “overschot” – en hier kunnen we spreken van een totaal nieuw feit in de geschiedenis!

Helaas brengt de “crisis” geen gegarandeerde “emancipatie” met zich mee. Er bestaan veel mensen die woedend zijn omdat zij hun geld hebben verloren, of hun huis, of hun werk. Maar die woede, in tegenstelling tot wat radicaal links steeds heeft geloofd, heeft op zich niets emancipatorisch. De actuele crisis lijkt niet gunstig voor de opkomst van emancipatorische pogingen (tenminste in een eerste fase), maar eerder voor een redde-wie-zich-redden-kan. Zij lijkt trouwens evenmin gunstig voor de grote herstelmanoeuvres van de kapitalistische orde, voor totalitarismen, voor nieuwe accumulatieregimes onder sterk gezag. Wat zich aankondigt heeft eerder de schijn een barbarij op een zacht pitje te zijn, en niet altijd zo evident. Eerder dan een grote clash, kan men zich verwachten aan een oneindig neergaande spiraal, een blijvende somberheid die de mens de tijd laat om zich eraan aan te passen. We zullen zeker een spectaculaire verspreiding zien van de kunst van het overleven en de aanpassing op duizend manieren, eerder dan een grote beweging van reflectie en solidariteit, waar allen hun persoonlijke belangen opzij zetten, de negatieve aspecten van hun socialisatie vergeten en samen een humanere samenleving opbouwen. Opdat zoiets zou gebeuren, zou er eerst een antropologische revolutie moeten plaatsgrijpen. Men kan moeilijk beweren dat de aan de gang zijnde crises en de ineenstortingen zulk een revolutie gemakkelijker maken. En zelfs als de crisis een geforceerde “décroissance” met zich mee brengt, gaat deze niet noodzakelijk in de goede richting. De crisis treft niet in de eerste plaats de, vanuit het gezichtpunt van het menselijke leven, ”nutteloze” sectoren, maar de sectoren die “nutteloos” zijn voor de accumulatie van het kapitaal. Het is niet de bewapening die men zal reduceren, maar de kosten voor de gezondheidszorg – en eens men de logica van de waarde heeft geaccepteerd, is het nogal incoherent daartegen te protesteren. Dan maar beginnen met de kleine dingen, burenhulp, lokale ruilsystemen, de moestuin, vrijwilligerswerk bij verenigingen, biologische landbouw? Dat is allemaal heel sympathiek. Maar de ineenstorting van het mondiale systeem met deze middelen willen tegengaan, is zoals de zee willen leegscheppen met een lepel.

Waar komen deze ontnuchterende beschouwingen op neer? Op zijn minst op wat helderheid. Men kan aldus voorkomen dat men de populisten gaat achterna lopen, die genoegen nemen met het fulmineren tegen de banken, de financiën, de beurzen, en tegen hen die geacht worden deze te controleren. Dat populisme eindigt gemakkelijk in de jacht op de “vijanden van het volk”, van onder (de immigranten) en van boven (de speculanten)(10) , terwijl elke kritiek op de echte bases van het kapitalisme vermeden wordt, integendeel, die verschijnen als de beschaving die moet gered worden: de arbeid, het geld, de waar, het kapitaal, de staat.

Het veroorzaakt inderdaad een duizeling om het einde van een manier van leven onder ogen te zien, een levenswijze waarin we allen tot aan de nek ondergedompeld zijn en die nu bezig is weg te zinken zonder dat iemand dat besloten heeft, ons achterlatend in een landschap van ruïnes. Al de vermeende antagonisten van vroeger, het proletariaat en het kapitaal, de arbeid en het geaccumuleerde geld, riskeren samen te verdwijnen, verstrengeld in hun doodsstrijd: het is de gemeenschappelijke basis van hun conflicten die aan het verdwijnen is.

Om uit deze toestand te geraken, is er een zo’n grote sprong in het onbekende nodig dat iedereen – en dat is heel begrijpelijk! – dit eerst weigert. Maar het feit te leven op de rand van een tijdvak is ook een buitengewone kans, ondanks alles. Dus: laat de crisis maar verergeren!(11) Het gaat er niet om “onze” economie en “onze” levenswijze te “redden”, maar om hen nog sneller over de rand te duwen, en tegelijkertijd plaats te maken voor iets beter. Nemen we het voorbeeld van de recente lange conflicten in het onderwijs en de universiteit: eerder dan zich te beklagen over de verminderde budgetten voor het onderwijs en het onderzoek, zou het niet beter zijn het feit zelf aan te klagen dat er geen onderwijs en geen onderzoek is als die niet “rendabel” zijn? Moeten we het leven opgeven omdat de accumulatie van het kapitaal niet meer functioneert?

Eindelijk, de uitgang! is de titel van een schilderij van Paul Klee. Reeds tijdens de korte crisis van oktober 2008, had men wat de indruk dat het deksel van de pan zou springen: men begon openlijk te discuteren over de wandaden en de limieten van het kapitalisme. Men kan dus vertrouwen hebben dat, ondanks alles, tijdens een ernstige lange crisis de tongen zullen loskomen, de taboes en de verboden zullen wegsmelten, talrijke mensen spontaan in vraag zullen stellen wat ze tot voordien als “natuurlijk” of “onvermijdelijk” beschouwden, en zullen beginnen de simpelste en zelden opgeworpen vragen te stellen: waarom is er een crisis als er teveel productiemiddelen zijn? Waarom sterven van wanhoop, wanneer al het noodzakelijke (en zelfs veel meer) aanwezig is? Waarom aanvaarden dat alles wat de accumulatie niet dient, stilvalt? Moeten we afzien van alles wat niet betaalbaar is? Misschien dat, ondanks alles, zoals in de sprookjes, het uitgesproken woord de betovering zal doorbreken.

Noten:

1 E. Fottorino, “Retour au réel par la case désastre”, Le Monde 11. 10. 2008

2 [nvdv] Jappe schrijft “objecteurs de croissance”, en verder ook “décroissance” en “les décroissants”, termen die in Frankrijk al min of meer zijn ingeburgerd, om de beweging tegen de economische groeigedachte, het productivisme, etc. aan te duiden. In het Nederlands zou men letterlijk kunnen vertalen: “groeiweigeraars” zou nog kunnen (naar analogie met het ook in het Nederlands ingeburgerde “dienstweigeraars”), maar “ontgroei” of “groeireductie”, ontgroeiers”, klinkt echt niet; we hebben hier en verder dan ook gekozen voor eerder omschrijvende vertalingen.

3 “De honderdvijftig sprekers (waarvan een zestigtal buitenlanders) die zijn tussengekomen de 4de, 5de en 6de juli tijdens de 9de Ontmoeting van Aix-en-Provence, georganiseerd door de Kring van economisten, hebben zich, in grote meerderheid, veel alarmerender uitgesproken. Er zijn vooreerst de verschrikkelijke cijfers van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO). Van april 2008 tot april 2009 is de werkloosheid gestegen met 40 % in de rijkste landen. Van 2007 tot 2010 zouden er zelfs 26 miljoen werklozen meer zijn, een sprong van 80 %, zonder precedent in zo’n korte tijd. “De grootste achteruitgang moet nog komen”, waarschuwde Martine Durand, verantwoordelijke voor de tewerkstelling. Maar, volgens Patrick Artus (Natixis bank), “de verloren gegane banen zijn dat onomkeerbaar”. (Frédéric Lemaître, “Et si la crise économique ne faisait que commencer?”, Le Monde, 6. 7. 2009.)

4 “Men prijst de “reconversies” (veranderen van geloof om te veranderen van activiteit) met het oog op een grotere soberheid, men klaagt het “allen met de auto” aan, de verspilling van de grondstoffen, de uitholling van het leven door vervreemdende arbeid, de vloek van de vooruitgang. Maar vanaf dat de machine blokkeert, dat de automobielsector in crisis geraakt, dat de reclame de kranten laat vallen en hun financieel evenwicht bedreigt, dat de werkloosheid steeds meer loontrekkers raakt, verandert de toon en duiken de oude zekerheden weer op”, schreef Gilbert Rist op 26. 11. 2008 op een blog dichtbij de “anti-groei ” [la décroissance].

5 Zowat de enige die in de grote media verklaarde dat het kapitalisme, na 500 jaar, aan haar laatste etappe was aanbeland en dat iets nieuw in haar plaats zou komen, was Immanuel Wallerstein (zie zijn artikel “Le capitalisme touche à sa fin” in Le Monde van 11. 10. 2008). Toch ziet hij in de huidige crisis niets anders dan het barsten van de speculatieve luchtbel, die teruggaat tot de jaren 1970; hij vergelijkt haar met andere crises in het verleden. Als hij een “fase van politieke chaos”, van “systemische crisis” en het einde van het kapitalisme in de volgende decennia voorziet, dan is dat dus als gevolg van de veranderde verhouding tussen “centrum” en “periferie”. Zijn interpretatie is dus heel verschillend dan degene die wij hier voorstellen.

6 Tijdens de laatste decennia, na elke crisis, was men getuige van een “heropleving” – vooral beursindicaties – wat leek te bewijzen dat het allemaal niet meer dan een kwestie van cycli is, van hoogten en laagten. Maar geen enkele van deze “heroplevingen” was de vrucht van een nieuwe productiewijze die massief arbeid gebruikte op een rendabele manier. Het waren niet meer dan fictieve toenames van waarde, verkregen door de koop en verkoop van effecten en soms door het investeren van dat fictief kapitaal in de consumptie of in de aankoop van diensten – wat telkens nog grotere financiële luchtbellen met nog minder fundament had gecreëerd, vooral in de vastgoedsector.

7 Bij wijze van straf, leveren we hier de naam van de auteur van deze uitlatingen uit aan het publiek: “Plus de croissance est en nous”, door Xavier Alexandre, Le Monde du 30. 11. 2008, “Chroniques d’abonnés“.

8 “S’adapter au changement climatique plutôt que de le limiter?”, Le Monde van 21. 08. 2009, over de studie die het Kopenhagen Consensus [!]Centrum heeft toevertrouwd aan de Italiaanse wetenschappelijke stichting “Enrico Mattei “, gelieerd aan het Italiaanse olieconcern ENI.

9 Zelfde straf als voor de ander: “Le prévisible déclin du salariat”, door Camille Sée, Le Monde van 09. 08. 2009, “Chronique d’abonnés”.

10 Zowel links als een deel van rechts protesteerden (althans in de Verenigde Staten) tegen de redding van de banken.

11 F. Partant, Que la crise s’aggrave, Paris, Solin, 1978.

(Oorspronkelijk titel : Crédit à mort, gepubliceerd in het tijdschrift Lignes nr.30, La crise comme méthode de gouvernement, Parijs, oktober 2009, p. 25-44; vertaling: J. Klak)

---------------------

Anselm Jappe is filosoof en geeft momenteel les aan de kunstschool van Frosinone (Italië). Hij publiceerde verschillende essays: Guy Debord, Editions Denoël, 2001 (1993); Les Aventures de la marchandise - Pour une nouvelle critique de la valeur, Éditions Denoël, 2003. Met Robert Kurz: Les Habits neufs de l'Empire - Remarques sur Negri, Hardt et Rufin, Éditions Lignes, 2003; L'avant-garde inacceptable - Réflexions sur Guy Debord, Éditions Lignes, 2004. Samen met Robert Kurz is hij ook oud-medewerker van de groep Krisis (Nuremberg, Duitsland) – auteurs van het befaamde Manifest tegen de arbeid (1999, Nederlandse vertaling: 2009).
Anselm Jappe schreef talrijke artikels in verscheidene tijdschriften en kranten waaronder Iride (Firenze), Il manifesto (Rome), L'indice (Milaan), Mania (Barcelona), Lignes (Parijs) et Exit! (Duitsland).