De ongeremde zucht naar meerwaarde vormt de strop om de hals van het politieke, economische systeem dat het kapitalisme vormt. Die zucht is in alle geledingen van de samenleving doorgedrongen en heeft de vorm gekregen van een ongebreideld consumentisme. Het zijn immers de geproduceerde ‘waren’ die de meerwaarde in zich hebben opgenomen. Door die waren te consumeren, gaat de meerwaarde over in geld dat het mensen mogelijk maakt weer te kunnen consumeren.

(Door Sjarrel Massop, oorspronkelijk verschenen bij solidariteit)

Uiteraard is er niets tegen consumeren, we moeten eten, hebben huisvesting nodig en kleden ons. Het zijn noodzakelijkheden. Daarbij horen ook scholing, vermaak, ontspanning, plezier en een goede gezondheidszorg die ons, niemand uitgesloten, een prettig leven kunnen bieden. Daarvoor is productie nodig: voedsel verbouwen, kleren maken, boeken schrijven, bier brouwen, ziekenhuizen bemensen met bekwaam personeel, enzovoort. Over die productie ging het eerder in deze serie, deze keer aandacht voor de reproductie.

Reproductie

Wil een kapitalist kunnen produceren, zijn grondstoffen, productiemiddelen en arbeidsvermogen nodig die gekocht en betaald worden. Dat kan de kapitalist doen door het geproduceerde te verkopen, er van uitgaande dat dit voor een goede prijs gebeurt. Dat is reproduceren. Het komt er op neer het kapitaal (constant en variabel) te kopen en zorgen dat het productieproces zich kan herhalen: reproductie.

Om dit proces gemakkelijk te laten lopen, is het geld bedacht. Een equivalent voor (gelijk aan) de waarde van de waren, al of niet geproduceerd. De rol van het geld is de waren te laten circuleren: via constant kapitaal (c: productiemiddelen en grondstoffen), variabel kapitaal (v: levende arbeid) en surpluswaarde (s). Dit is uit te drukken in: c + v + s.
Stel het constante kapitaal (c) kost 50 eenheden, de loonkosten (v) 30 eenheden bedragen (v) en dat de winst 25 procent is. Die winst – 25 procent van 80 (c+v) – bestaat dus uit 20 eenheden. Het totaal benodigde kapitaal is dan 100, het startkapitaal dat de kapitalist nodig heeft. Worden de producten voor 100 eenheden verkocht, dan kan het proces doorgaan en is er een winst gemaakt van 20 eenheden. Die 100 komen terug bij de kapitalist en vormen het kapitaal voor een volgende cyclus. Dat proces van terugvloeien, noemt Marx de reflux, het kapitaal stroomt terug in de vorm van geld.

Afdelingen

Deze toelichting op het proces van de reproductie vereist nog een tweetal aanvullingen.

a) Marx beperkt de kapitalistische economie tot twee afdelingen. De productie van consumptiegoederen: afdeling 1, de productie van productiemiddelen: afdeling 2. Beide brengen surpluswaarde voort. Andere afdelingen die Marx uiteraard onderkent, doen dat niet, bijvoorbeeld de staat, de handel en de dienstverlening; zij profiteren feitelijk van de surpluswaarde die in afdeling 1 en 2 wordt gerealiseerd.

b) Eerder in deze serie is besproken dat de surpluswaarde (s) enkel en alleen tot stand komt door het gebruik (de exploitatie) van het variabele kapitaal, oftewel de uitbuiting van de levende arbeid. Geïllustreerd in het voorbeeld hiervoor: de arbeid produceert een waarde van 50 eenheden, de kapitalist betaalt aan 'loon' slechts 30 eenheden uit en incasseert er dus 20. Als de kapitalist zijn gehele productie verkoopt, en er zijn geen prijsschommelingen, dan is de winst gelijk aan de meerwaarde die gevormd is.

Het proces van productie en reproductie herhaalt zich dus voortdurend, Marx noemt dit dan ook de circulatie van het kapitaal en wijdt daaraan deel II van het Kapitaal. Tegenwoordig in het Nederlands te lezen bij het Nederlandstalig Marxistisch Internet-Archief.

Accumulatie

Joegoslavische postzegel met Karl Marx Van de 20 eenheden winst, de surpluswaarde, moet nog heel wat af. De kapitalist consumeert er zelf van, moet eten en drinken, gaat op vakantie, betaalt de gewenste (maat)kleding, lost de hypotheek af, enzovoort. Daarnaast worden de pensioenpremies afgedragen en de diensten betaald die andere bedrijven leveren: de detailhandelaar, de expediteur, de reclamefirma, de arbodienst, enzovoort. Voor alle duidelijkheid, de kruidenier bijvoorbeeld maakt zelf geen winst, maar wordt door de kapitalist betaald uit de surpluswaarde die de arbeid heeft voortgebracht. Door de jaren heen is er een grote dans ontstaan rond de in de productie geproduceerde meerwaarde. Niettemin resteert voor de kapitalist nog wel 'iets'. Wat er na de aftrek nog overblijft in geldvorm is feitelijk de accumulatie van het kapitaal.

De kapitalist kan daarmee twee dingen doen. Allereerst op de bank zetten (Marx noemt dit schatvorming) en vervolgens een rente ontvangen, want die bank doet er vast wat mee. Dit geaccumuleerde deel is niet expliciet nodig voor de continuïteit van het productieproces; het geldkapitaal hoeft niet direct omgezet te worden in producerend kapitaal. Dat kan wel en dat is de tweede mogelijkheid. De ontwikkeling van het systeem kweekt de nodige aasgieren die zich een deel van de geproduceerde meerwaarde willen toe eigenen. De kapitalist kan het dus investeren in het eigen productieproces. Stel dat hij na aftrek nog een surplus over heeft van 10 eenheden. Hij kan dan extra machines kopen en extra arbeid. Zijn startkapitaal voor een volgende cyclus bedraagt 55 eenheden, bij een variabel kapitaal (v) van 35 . Stel de winst blijft 25 procent en komt vervolgens uit op (55+35)/4 en dat zijn 22,5 eenheden).

Beperkingen

De kapitalistische praktijk is echter anders. Wel toont dit de noodzaak voor de individuele kapitalist aan om zijn surpluswaarde te investeren om een blijvend rendement te behalen uit zijn bedrijfsvoering. En daar komen accumulatie en groei bij elkaar. Om zijn surpluswaarde blijvend vast te houden moet de kapitalist groeien, zijn productie uitbreiden. En wat voor de individuele kapitalist geldt, betreft ook het gehele systeem. Economische groei heet dat dan, het uitgangspunt van het systeem dat kapitalisme heet. Meer productie impliceert ook meer consumptie, impliceert ook meer energie, meer grondstoffen, meer benodigde arbeid, en dit is een proces dat op onze aarde een natuurlijke begrenzing kent.

Voor de individuele kapitalist is er een uitweg, namelijk zijn surplus inzetten om de arbeidsproductiviteit te vergroten. Het rendement van de arbeid wordt dan groter. De kapitalist kan met minder arbeid, de loonkosten gaan daarmee omlaag, hetzelfde productie niveau halen. Minder arbeid levert meer te verkopen producten die ook nog eens goedkoper worden, omdat de loonkosten van de kapitalist omlaag gaan. Maar consequent geredeneerd, dus vasthouden aan het uitgangspunt dat slechts de arbeid surplus oplevert, zal de surpluswaarde niet stijgen. En daarmee loopt het kapitalisme tegen zijn beperkingen aan.
Dat er nog vluchtwegen zijn, in eerste instantie door Rosa Luxemburg verwoord, zal het volgende deel in deze serie laten zien.

---------------

Noot: Karl Marx, Friedrich Engels Gesamtausgabe (Mega), Karl Marx Ökonomische Manuskripte 1863-1867, pp. 1701–1760, Berlin, Akademie Verlag, 2011.
Deel II van het Kapitaal, door Engels uitgegeven in 1885, gaat in zijn geheel over de circulatie van het kapitaal, de accumulatie en de reproductie. Engels verwijst in zijn inleiding naar de manuscripten van 1861–1863 die daarom hier als uitgangspunt zijn genomen.