Bespiegelingen over de richting die de internationale globaliseringsbeweging op zou kunnen gaan. Met nadruk op de waarde van niet-hierarchische netwerken.

Er is veel veranderd in de globaliseringsbeweging sinds de bijeenkomst van de G8 in Genua in juli dit jaar. De veranderingen binnen de beweging werden echter overschaduwd door de gebeurtenissen van 11 September en het beleg van Afghanistan door de Verenigde Staten.

De alternatieve conferentie ten tijde van de bijeenkomst van de G8 heette Een Ander Wereld is Mogelijk. Deze titel symboliseerde de nieuwe fase van de ontwikkeling van de globaliseringsbeweging. Niet meer het verzet tegen elitaire instellingen als de Wereldbank en de Wereld Handels Organisatie staat centraal maar het eigen perspectief op de toekomst van een mondiale samenleving. De tegenbeweging zet de agenda en de Wereldbank kondigde aan de agenda van de straat te gaan volgen. Waar de verschillende organisaties en groepen van de beweging in het verleden elkaar met weinig moeite konden vinden in verzet, leidt het debat over de alternatieven tot felle discussies. Ook in de polder is deze discussie, met enige vertraging, gearriveerd. De meningsverschillen die tijdens de landelijke discussiedag De Wereld Is Niet Te Koop (16 Juni), onder de oppervlakte broeide, barstte de afgelopen maanden uit. In de bladen van de Socialistische Arbeiders Partij (Grenzeloos), van de Internationale Socialisten (De Socialist) en van Eurodusnie (Dusnieuws) wordt een pittige debat gevoerd waar scheldpartijen niet van de lucht zijn.

De discussie spitst zich toe op de richting en het karakter van de beweging. Op de achtergrond spelen verschillende visies op een ideale samenleving. Het debat heeft zich uitgekristalliseerd in twee posities, beiden over de rol en structuur van leiding binnen de beweging.

Er moet samengewerkt worden maar hoe dan?

Dat er met elkaar samengewerkt moeten worden, daarover zijn alle partijen het met elkaar eens. Zonder samenwerking is de beweging gefragmenteerd. Onderlinge twist ondermijnt het potentiaal van de beweging om te verbreden en zijn pretenties waar te maken. De reden voor de opwelling van discussie is grotendeels praktisch - de beweging groeit uit zijn voegen! Bij de relatief kleine groep milieuactivisten en anarchisten die jaren geleden in Geneve tegen de Wereldbank demonstreerden, voegden zich vakbonden, politieke partijen, westerse derde wereldgroepen en socialistische organisaties. Ieder met een eigen perspectief op de doelen en middelen van een beweging.

Het is niet eenvoudig om de vraag over de richting van de beweging te beantwoorden. In ieder geval moet een antwoord aan enkele voorwaarden voldoen: om effectief te zijn moet de beweging blijven groeien, brede lagen van de bevolking moeten zich dus door de beweging aangesproken voelen. Dat betekent dat de beweging subcultureel noch sektarisch kan zijn. Het karakter van de beweging moet samenwerking mogelijk maken en toegankelijk zijn om zodoende nieuwe mensen en organisaties te kunnen betrekken. Niet te vergeten, de beweging moet bijdragen aan structurele verandering van de maatschappij naar een sociale en duurzame samenleving met ontplooiingsmogelijkheid voor iedereen.

lead or not to lead, that is the question

In de discussies die tot dusver gevoerd zijn, kwamen globaal gezien twee standpunten naar boven drijven: aan de ene kant word gesteld dat de beweging een of ander vorm van centrale leiding nodig heeft. Leiding die ontstaat binnen de beweging omdat de meerderheid overtuigd wordt van een bepaald perspectief wordt gezegd. De directeur van de ontwikkelingsorganisatie Novib, Sylvia Boren, ziet ook wat in een globaal leiderschap van NGO-leiders die optreedt ten
aanzien van de Verenigde Naties en multinationals. Deze visie word vooral gepropageerd door socialistische groepen georiënteerd op Marx en Lenin, en grote NGOs.

Tegenover het idee van een centraal gecoördineerde beweging staat de visie van een netwerk van verschillende groepen en organisaties. Een gedeelde strategie wordt ontwikkeld door samen acties op touw te zetten en door te zetten. Volgens Naomi Klein, schrijver van de boek No Logo verschilt de globaliseringsbeweging van traditionele hiërarchische bewegingen want deze beweging draait om zelfbeschikking en dan moet je je niet hiërarchisch gaan organiseren en een eenheidsideologie formuleren. Vooral basisdemocratische en anarchistische groepen voelen zich aangetrokken tot deze laatste vorm van organisatie.

Wordt de beweging centraal gecoördineerd, of is het een Netwerk?

Wat zijn de voor- en nadelen van beide posities? voorstaanders van centraal leiderschap wijzen erop dat een beweging effectiever vertegenwoordigd kan worden door één samenhangend idee, verwoord door één organisatie of coalitie. Zo een organisatie/coalitie is herkenbaar voor het brede publiek. Herkenbaarheid vergemakkelijkt de mobilisatie van mensen die zich nog niet bij de globaliseringsbeweging hebben aangesloten. Eén centraal georganiseerde organisatie vormt een machtsfactor die de strijd kan aangaan met het Kapitaal of kan onderhandelen met vertegenwoordigers van overheden en anderen. Bovendien zou leiderschap meer democratisch zijn, aangezien het op een open en transparante wijzen verkozen wordt. De nadruk ligt vooral op het mobiliseren van mensen om zodoende de macht over te nemen of de beleidsproces te beïnvloeden. Het is echter de vraag of het mogelijk is om temidden van een diversiteit aan standpunten en organisaties een gedeeld perspectief te vinden een perspectief dat samenhangend is én waarin alle organisaties zich kunnen vinden. Verder, de diversiteit aan deelnemers is juist de kracht van de beweging. Het reële gevaar bestaat dat het centraal stellen van een perspectief leidt tot homogenisering van de beweging. In zo een beweging voelt alleen één bepaald deel van de bevolking zich thuis, de meerderheid wendt zich af van zo een eenduidig perspectief. De vervreemding van het brede publiek wordt verder in de hand gewerkt door het feit dat het ontwikkelen van één perspectief uit het bestaande veelvoud noodzakelijkerwijs abstract is. Het streven naar één centrale leiding
herbergt verder het gevaar van machtscentralisatie en machtsmisbruik.

Tegenover de visie van een centraal georganiseerde beweging staat een netwerk van onafhankelijke groepen en organisaties die hun activiteiten op elkaar afstemmen. Binnen zon netwerk is er plaats voor een veelheid aan stijlen en politieke perspectieven. Dit pluralistisch karakter biedt de mogelijkheid voor veel mensen om zich te herkennen in de standpunten van een organisatie. De relatieve kleinschaligheid biedt ruimte voor individuele ontplooiing en inspraak. Het netwerk van organisaties kan flexibel inspelen op maatschappelijke ntwikkelingen. Door het gebrek aan één dominante organisatie en idee wordt samenwerking makkelijker het wordt een samenwerking tussen gelijke partners, niet het ondergeschikt stellen aan de dominante partij. De nadruk ligt op het werken aan de basis van de maatschappij om concrete veranderingen door te voeren, liever dan het uitvoeren van een abstracte ideologie in de toekomst. Sommige groepen verbeteren de positie van vrouwen, ander doen dat ten opzichte van illegalen. Milieuactivisten ontwikkelen een harmonieuze relatie tussen mens en natuur en anarchisten bouwen aan niet-hiërarchische solidariteitsstructuren. Zo ontstaat gestaag een duurzame verandering die minder afhankelijk is van de wispelturigheid van (inter)nationale politieke ontwikkelingen.

Het gevaar van een decentraal georganiseerde beweging is dat deze voortdurend in de marge beweegt. Door een gebrek aan een samenhangende strategie kan een gefragmenteerde beweging moeilijk noodzakelijke grootschalige structurele veranderingen doorvoeren. Ook is het verzet van een verdeelde beweging makkelijker te pareren door de overheid en multinationals. Het gebrek aan duidelijke organisatorische structuren biedt de ruimte voor ondemocratische besluitneming of voor organisaties en individuen om de beweging achter hun eigen karretje te spannen. Aangezien er geen duidelijke rollen zijn, is er ook niemand die aangesproken kan worden op zijn of haar verantwoordelijkheden.

De keuze: een beweging van onderop

De creativiteit en dynamiek van de globaliseringsbeweging komt het beste tot zijn recht in een netwerk van toegankelijke organisaties die actief zijn op concrete, maatschappelijk relevante onderwerpen. Revolutionaire verandering krijgt een daadwerkelijke vorm in de activiteiten van basisgroepen, de groepen individuen en organisaties die de netwerken vormen. Het is dus een keuze voor een sociale beweging bestaande uit dynamisch op elkaar inspelende groepen die door hun samenwerking gezamenlijke uitgangspunten creëren. Deze basis wordt gevormd door een netwerk van organisaties die de Andere Wereld in de dagelijkse praktijk vorm geven. Biologische boeren in Frankrijk en India, arbeiders die strijden voor medebeslissingsrecht in hun bedrijven, studenten die zich verzetten tegen de commercialisering van de academie, verplegers die zich inzetten voor een gezondheidszorg die toegankelijk is voor iedereen, milieuactivisten die de belangen van zeeschildpadden verdedigen. Dit brede scala aan organisaties vergroot de aantrekkingskracht van de globaliseringsbeweging voor het brede publiek.
Het gebrek aan leiderschap en dominante ideologieën maakt gelijkwaardige samenwerking mogelijk en creëert de voorwaarden voor de uitbreiding van het netwerk. Partijen en organisaties die de beweging in een keurslijf van een klassiek hiërarchische model willen dwingen, bedreigen het voortbestaan van de beweging als een dynamische en divers geheel.

Mobilisatie in naar de Toekomst

Niettemin neemt het de kritiek op de beweging als Netwerk niet weg. Er zal in de toekomst gewerkt moeten worden aan de samenhang en transparantie van besluitneming binnen de beweging. De keuze voor een netwerk van onafhankelijke basisgroepen en de integratie van de kritiek erop hebben gevolgen voor de verdere ontwikkeling van de beweging.

Ten eerste betekent dat een zelfkritiek voor organisaties om te leiden tot interne democratisering hebben de leden wel voldoende inspraak, kunnen de leden wezenlijk invloed uitoefenen op de structuur van de organisatie en hebben ze de ruimte om binnen de organisatie eigen initiatieven op te zetten?

Als tweede punt, om de slagkracht en invloed van de beweging te vergroten is uitbreiding en samenhang noodzakelijk. De uitbreiding geschiedt aan de hand van criteria die het bestaan van een open netwerk vooronderstelt basis democratie. Dat betekent dat er prioriteiten voor deelname aan het netwerk gesteld worden:
een keuze voor democratisering en zelforganisatie. Het Platformmodel lijkt hier de meest geschikte structuur. Organisaties de bezig zijn met verschillende onderwerpen ontmoeten elkaar rond concrete punten bijv. de mobilisatie voor een top in Brussel of het opzetten van een campagne om de oprichting van lokale structuren te ondersteunen.

Door de mobilisatie rond concrete themas ontstaan verbanden die uitgebouwd en verdiept worden. De beweging wordt dus onderop gebouwd en niet van bovenop door de leiding opgelegd. De samenhang word geformuleerd aan de hand van uitgangspunten (democratie, gerechtigheid, gelijkheid, zelforganisatie ) liever dan een bovenmenselijke ideologie (het communisme) of het recht van de sterkste (bijv. de organisatie met de grootste financiële reserve). Dat zo een ontwikkeling eventueel uitloopt op een gedeelde theorie is niet uitgesloten, maar het is dan het resultaat van een beweging.

Een keuze voor een netwerkmodel heeft, ten derde, ook gevolgen voor de vorm van demonstraties: als voorbeeld kan de pinksilver mars in Praag en Genua dienen. Strategieën voor de mars worden ontwikkeld in open vergaderingen waaraan iedereen kan deelnemen. Uitgangspunt is onafhankelijke basisgroepen die ook tijdens de demonstratie voortdurend met elkaar communiceren en zo de demonstratie decentraal vorm geven.
Een vierde gevolg is dat verzet gemobiliseerd wordt op conflictpunten tussen de groeiende beweging voor een solidaire en duurzame samenleving en de vernietigende effecten van het kapitalisme. Deelname aan een demonstratie gebeurt aan de hand van concrete maatschappelijke conflicten en niet rond ideologische ijkpunten.
Ten slotte is de politieke eis van zon beweging een toenemende economische en politieke democratisering, een verdeling van middelen én macht. Democratisering betekent wezenlijke inspraak in besluitvorming, maar ook de ruimte om zelf vorm te geven aan het persoonlijke en collectieve bestaan. In zo een stellingname is geen plaats voor een nieuwe elite, van welke NGO of partij dan ook, die het
verzet wil monopoliseren. Deze stellingname is echter ook een keuze tegen het sektarisme van organisaties voor wie het eigen gelijk belangrijker is dan het daadwerkelijk beïnvloeden van de samenleving in de richting van een open en democratische maatschappij. Een open samenleving creëren we alleen door ook open te zijn om met elkaar samen te werken en ons niet blind te staren tegen ogenschijnlijk levens belangrijke standpunten..

Donald

Verschenen in Dusnieuws 33, feb/mrt 2002.

(Dit artikel was oorspronkelijk op GlobalInfo gepubliceerd door Donald.)