Elinor Ostrom (1933 – 2012) bewees dat lokale gemeenschappen in staat zijn Common Pool Resources(CPR’s) zoals meren, bossen of waterbronnen, duurzaam te beheren. De theorie dat alleen privatisering of nationalisering de Tragedy of the Commons kan oplossen werd door haar ontkracht.

(Bron)

12 November organiseerde Real World Economics Amsterdam een avond getiteld “Back to the Future: Reclaiming the Commons”. De vraag die centraal stond was of de historische traditie van het gemeenschappelijk beheer van bepaalde middelen – van waterschappen tot weidegronden – ook kan worden toegepast op onze huidige economie en op onze moderne stedelijke samenlevingen.

Als eerste spreker vatte ik het werk van Elinor Ostrom samen (zie powerpoint onderaan). Elinor Ostrom won in 2009 de Nobelprijs voor de Economie voor haar onderzoek naar gemeenschappelijke middelen oftewel Common Pool Resources (CPR’s). Haar belangrijkste bevinding was dat lokale gemeenschappen in staat zijn om gemeenschappelijke bronnen zoals meren, bossen en waterbronnen, op een duurzame manier te beheren zonder inmenging van staat of markt.

De classificatie van een Common Pool Resource (Ostrom 2010)

Deze bevinding druiste sterk in tegen de door economen decennialang geciteerde ecoloog Garret Hardin en zijn Tragedy of the Commons (1968), een theorie die stelt dat wanneer individuen rationeel in hun eigenbelang handelen zij gemeenschappelijke middelen zullen uitputten. Overexploitatie zou onvermijdelijk zijn. Het klassieke voorbeeld is dat van een gemeenschappelijke weidegrond waar herders hun koeien op laten grazen. Hoewel het in het algemeen belang is om begrazing door koeien aan banden te leggen, is het niet in het individueel belang van herders om hun eigen koeien minder te laten grazen. Ergo: overbegrazing.

De conclusie die in de economie vaak wordt getrokken is dat nationalisering of privatisering de enige oplossingen zijn om de Tragedy of the Commons te voorkomen. Een externe macht (de staat) zou nodig zijn om overexploitatie door egoïstische herders (of vissers, of waterpompers) te bedwingen, of een privatisering van het gemeenschappelijke zorgt ervoor dat er een duidelijke eigenaar is die er belang bij heeft om overexploitatie te voorkomen.

Er is echter meer dan privatisering en nationalisering ontdekte Ostrom: uit tientallen voorbeelden uit het veld blijkt dat gemeenschappen ook zonder staatsinmenging of privatisering prima in staat zijn hun CPR’s op een duurzame manier te beheren. Waar er regelmatige communicatie is tussen gebruikers en enig wederzijds vertrouwen wordt vaak door gebruikers zélf op een democratische manier een regelgeving afgesproken over het gebruik van de CPR: wie er gebruik van mag maken, wanneer, wat de grenzen zijn van de CPR en wat voor sancties worden opgelegd aan overtreders. Dit leidt tot een lokaal CPR regime dat soms decennialang, of zelfs eeuwenlang kan overleven en regelmatig wordt aangepast aan veranderende omstandigheden.

Zo wisten vissers in Turkije een roulatiesysteem op te zetten, waarbij vissers elke dag moesten opschuiven naar een volgende plek in het meer, zodat alle vissers evenveel toegang hadden tot de beste vislocaties. Zo houden over de hele wereld gemeenschappen hun bossen in stand en voorkomen dat gebruikers te veel bomen kappen. In Governing the Commons: The Evolution of Institutions for Collective Action (1990) geeft Ostrom een gedetailleerde beschrijving van allerlei CPR’s en de gigantische variatie van regels die gemeenschappen hebben opgesteld om overexploitatie te voorkomen.

Wat ze ook ontdekte was een creatieve verscheidenheid aan eigendomsrechten. De meeste economen beschrijven eigendomsrechten slechts als het recht om iets te verkopen aan een koper en zullen dus bij CPR regimes vaak concluderen dat er geen duidelijke eigendomsrechten zijn. Integendeel. Ostrom ontdekte een vijftal duidelijke eigendomsrechten in CPR regimes: het recht op (1) betreding van de CPR, (2) exploitatie van de CPR, (3) management van de CPR, oftewel het recht om mee te beslissen over het beheer van de gemeenschappelijke bron, (4) uitsluiting, oftewel het recht om mee te beslissing over wie de eerste drie rechten bezit en (5) overdracht, het recht om deze eerste vier rechten over te dragen aan derden.

Ostroms onderzoeksresultaten lijken te zeggen dat lokaal zelfbeheer vaak beter werkt dan centrale overheidsregulatie of privatisering. Is het lokaal zelfbeheer van CPR’s dan altijd beter dan nationalisering of privatisering? Volgens Ostrom is dat een te sterke conclusie (“there is no panacea!”), want er zijn genoeg voorbeelden van gemeenschappen die faalden hun CPR’s op een duurzame manier te beheren. Maar een privatisering is vaak ondenkbaar, want hoe privatiseer je een meer of een bos? En een blinde regulatie door de overheid werkt vaak averechts, legt Ostrom in Governing the Commons uit.

Toen Nepal in de jaren zeventig haar bossen nationaliseerde ontstond er juist meer overexploitatie dan voorheen. De uitleg was dat de lokale bevolking het gevoel van controle over ‘hun’ bossen had verloren dankzij de nationalisatie en overheidscontrole sterk wantrouwde. Hun eigen lokale CPR regels werden niet erkend en zodoende verloren ze het motief om hun bos duurzaam te beheren. Een aantal jaren later kwam de Nepalese regering tot inkeer en draaide de nationalisatie terug met succesvolle gevolgen, aldus Ostrom.

Waar veel CPR’s succesvol beheerd worden is waar de centrale overheid een gezonde tolerantie heeft voor de lokale regels die gebruikers zelf hebben opgesteld. De overheid blijkt volgens Ostrom ook een ondersteunende functie te kunnen spelen, door bijvoorbeeld informatievoorziening en communicatiestructuren te ondersteunen. Of door lokale regels te erkennen als volwaardige wetten zodat een beroep kan worden gedaan op het formele rechtsstelsel wanneer het informele sanctiesysteem faalt.

De belangrijkste boodschap van Ostrom is dat er meer is dan privatisering en nationalisering en meer dan staat en markt. Maar Ostroms onderzoek gaat voornamelijk over bossen, meren en waterbronnen. Een moeilijkere vraag (een vraag die 12 november onbeantwoord bleef) is of de traditie van gemeenschappelijk zelfbestuur van CPR’s ook toegepast kan worden in onze moderne, kapitalistische, industriële, verstedelijkte samenlevingen.

Kunnen winkels, productieplekken en woningen ook ooit beheerd worden met regels die we in CPR regimes vinden? Kan de rijke variatie van eigendomsrechten die we rond CPR’s vinden ook toegepast worden in moderne steden? Oftewel: is er meer dan staat en markt mogelijk voor onze huidige economieën? Die vraag kan waarschijnlijk beter gesteld worden aan de coöperatieven van Buenos Aires in Argentinië, de volkscomités van Caracas in Venezuela, de grote coöperatie-federatie Mondragon in Baskenland, of aan Marinaleda, een utopisch experiment in Andalusia.

Meer: