Dit is het derde essay van Perry Anderson waarvan we de samenvatting door David Elstein vertaalden. Het eerste publiceerden we op 22 maart, zie De Europese ‘coup’. U vindt er ook de verwijzing naar de bronteksten en een korte voorstelling van de auteur. Het tweede, Een Unie van steeds nauwere samenwerking? volgde op 31 maart. De samenvatting van het derde essay door D. Elstein verscheen op 28 maart 2021 bij OpenDemocracy onder de titel Why the UK’s system of government is vastly superior to the European Union.

(Door Perry Anderson, samenvatting door David Elstein, oorspronkelijk verschenen bij Ander Europa foto Fronteiras do Pensamento, CC2.0/Flickr)

Perry Andersons derde essay over het Europese project, ‘The Breakaway’, schetst de geschiedenis van de betrokkenheid van het Verenigd Koninkrijk, van niet-deelnemer tot afgewezen kandidaat tot lid gedurende 47 jaar en vervolgens tot een kletterend vertrek.

Het Verenigd Koninkrijk was een ongeïnteresseerde toeschouwer toen zes Europese staten de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vormden, de voorloper van de Europese Unie in de jaren vijftig. Het was er evenmin bij betrokken toen bij het Verdrag van Rome in 1957 de Europese Economische Gemeenschap (EEG) werd opgericht, die de Gemeenschap voor Kolen en Staal verving.

Later brachten de nationale economische achteruitgang en de roerige buitenlandse ontwikkelingen, zoals de Suez-crisis en de dekolonisatie, de twee Harolds – de premiers Harold Macmillan en Harold Wilson – ertoe toch te opteren voor het lidmaatschap van de Gemeenschappelijke Markt, de Europese vrijhandelszone. De Franse president Charles de Gaulle sprak evenwel zijn veto uit over beide verzoeken. Pas toen Georges Pompidou de Gaulle opvolgde, slaagde een conservatieve eerste minister, Edward Heath, erin de impasse te doorbreken en zich in 1973 samen met Denemarken en Ierland bij de zes oprichtende lidstaten van de EEG aan te sluiten.

Een veertigtal van Heath’s eigen parlementsleden waren tegen toetreding, maar een groep van 69 pro-Europese parlementsleden van de anders zo vijandige Labourpartij was in de meerderheid, zodat Heath een meerderheid van 17 stemmen kreeg voor de goedkeuring van de wet op de Europese Gemeenschappen in 1972. Misschien weerhield de geringe marge hem ervan zijn belofte na te komen om niet tot de EEG toe te treden zonder “de volledige instemming” van het Britse volk. Hij verwierp het idee van een referendum dat in die formulering besloten lag en vermeed het onloochenbare feit te vermelden dat het Verenigd Koninkrijk een zekere mate van soevereiniteit had opgeofferd door in te stemmen met de suprematie van het Europees recht,  een voorwaarde om lid te worden van de EEG.

Het was Wilson die, terug aan de macht gekomen, “opnieuw ging onderhandelen over de door Heath bedongen voorwaarden”, en vervolgens in 1975 een referendum organiseerde. Bij een opkomst van 64% was een tweederdemeerderheid het eens met Wilsons akkoord.

De Britse tegenwerking

 Toen Margaret Thatcher de algemene verkiezingen van 1979 won, startte zij een campagne om de onevenredige bijdrage van het VK aan de EEG-begroting te verlagen, en slaagde erin tweederde terug te winnen. De Europese Akte van 1987, een ingrijpende herziening van het Verdrag van Rome, droeg haar persoonlijk stempel, nadat ze erdoor was geloodst door de door haar benoemde commissaris. De positie van het land in Europa leek zowel apart als veilig.

Maar Thatcher – die gebroken had met haar Minister van Financiën, Nigel Lawson, omwille van zijn pogingen om het pond sterling het wisselkoersmechanisme van de EEG te laten volgen – was vastbesloten zich te verzetten tegen het streven van Brussel en Frankfurt om het mechanisme op te waarderen tot een volwaardige eenheidsmunt. Dit verzet dwong tot het aftreden van haar minister van Buitenlandse Zaken, Geoffrey Howe, die op zijn beurt aan de basis lag van haar eigen vertrek uit Downing Street.

Haar voorkeurskandidaat, John Major, haalde het en onderhandelde over een Britse opt-out van de euro. Desalniettemin tekende hij, tot ontsteltenis van veel van de hem genegen Lagerhuisleden, het Verdrag van Maastricht van 1992, dat de Europese Unie creëerde. De anti-Maastricht Tories, die zagen dat de Denen het verdrag in een referendum verwierpen, riepen op om dat in eigen land ook te doen, daarin gesteund door de Liberaal-Democraten. De positie van Major werd fataal ondermijnd toen het VK werd gedwongen uit het wisselkoersmechanisme te stappen, na een run op het pond op ‘Zwarte Woensdag’ later in 1992.

Onder zware druk van Brussel hield Denemarken een tweede referendum, waarbij het eerste ongedaan werd gemaakt. Major wist het Britse parlement er uiteindelijk toch van te overtuigen Maastricht te ratificeren, maar zijn gezag over zijn eigen partij was gebroken, en het vernederende vertrek uit het wisselkoersmechanisme had het blazoen van de Tory’s  zo bezoedeld dat Tony Blair de verkiezingen van 1997 met gemak won.

De drie opvolgers van Major als leider van de Tory’s, allemaal tegenstanders van Maastricht, moesten electoraal alle drie de duimen leggen voor Blair. Blair’s meest geduchte tegenstander bleek zijn minister van Financiën Gordon Brown te zijn, wiens verbeten weerstand alle plannen van de premier om toe te treden tot de eenheidsmunt dwarsboomde.

Wat Brown niet had zien aankomen toen hij zelf premier werd in 2007, was de financiële crisis van het jaar daarop. Hij werd in 2010 van het toneel verdreven, en de eerste pro-Europese leider van de Conservatieven sinds Major – David Cameron – kwam aan het hoofd te staan van de grootste partij binnen een coalitie met de Liberaal-Democraten, de meest fervente pro-Europeanen in het Parlement.

De weg naar het referendum

 Deze overwinning werd echter overschaduwd door de Europese verkiezingen van 2009, waar de opkomende UK Independence Party (UKIP) Labour verdrong naar de tweede plaats. Onder druk van het verkiezingssucces van UKIP en van zijn eigen ontevreden parlementsleden kwam Cameron in een dynamiek terecht die hij ten onrechte dacht te kunnen beheersen.

In 2011 keurde het Parlement wetten goed waardoor een referendum vereist werd alvorens het Verenigd Koninkrijk een nieuw verdrag met de Europese Unie kon sluiten. Ondertussen ondermijnde de vastberadenheid van Angela Merkel om haar geliefd Begrotingspact erdoor te drukken – als bescherming van de eurozone tegen externe en interne druk – de positie van Cameron.

Hij sprak zijn veto uit tijdens een stemming in de Europese Raad van december 2011, waar de regeringsleiders van de Europese Unie bijeenkomen. Maar Merkel omzeilde de Raad en zorgde ervoor dat de voorstellen werden opgenomen in een multilateraal intergouvernementeel verdrag dat buiten het bereik van de EU viel. De machteloosheid en marginaliteit van het Verenigd Koninkrijk konden niet duidelijker worden aangetoond. In 2013 beloofde Cameron een in/uit-referendum als hij de volgende verkiezingen zou winnen.

De reputatie van de Lib Dems was ernstig beschadigd door beleid dat zij hadden gesteund, en ander dat ze hadden opgegeven,  om in de coalitie te blijven. De verkiezingen van 2015 waren voor hen een electoraal debacle, en Cameron kreeg een duidelijke meerderheid, niet langer gehinderd door een junior partner die zijn veto over een referendum had kunnen uitspreken. Hij koos ervoor om zijn belofte na te komen, daarin aangemoedigd door zijn succes bij het afslaan van een Schotse onafhankelijkheidspoging.

De Brexit-campagne

Cameron plande het referendum voor juni 2016, maar waar zijn eigen partij eensgezind was gebleken over de kwestie Schotland, was zij over de Europese Unie diep verdeeld. De overwinning van UKIP in de Europese verkiezingen van 2014 (op basis van evenredige vertegenwoordiging, in tegenstelling tot de normale Britse verkiezingen) had veel Tory-parlementsleden bang gemaakt voor een directe confrontatie in een Westminster-verkiezing, waar het meerderheidsstelsel (‘winner takes all’) van toepassing is. Eén Tory-parlementslid nam ontslag, vocht mee aan de daaropvolgende tussentijdse verkiezingen voor de UKIP, en won.

Tientallen Toryparlementsleden vormden een machtige en gedisciplineerde partij binnen de partij, de zgn. European Research Group (ERG, pro-Brexit). Maar haar tactisch vernuft, ontwikkeld in Westminster, zou hoogstwaarschijnlijk weinig uitgehaald hebben in een referendumcampagne. Het was eerder het besluit van een groot deel van Camerons kabinet om zich aan te sluiten bij de Leave-campagne, onder leiding van Michael Gove en Boris Johnson (die geen lid waren van de ERG), waardoor de aantrekkingskracht van Brexit zich uitbreidde tot buiten de harde kern Brexiteers, en een groot deel van de Labour-parlementsleden en -kiezers kon aantrekken.

De nieuwe leider van Labour, Jeremy Corbyn, sprak slechts lauwe steun uit voor de Europese Unie en hield zich verre van pro-EU-campagnes met Conservatieven. Het resultaat was dat, hoewel 73% van de parlementsleden van alle partijen Remain steunde en dit het officiële beleid was van alle partijen behalve UKIP, die steun niet echt tot uiting kwam. Dit in tegenstelling tot het Schotse referendum, waarbij anti-onafhankelijkheidspartijen de krachten bundelden om een ‘nee’ te promoten.

De mensen dachten daar echter anders over dan hun parlementsleden. Perry Anderson vermeldt dat “de enige sociaal-economische groep waar een meerderheid voor Remain stemde de meest welvarende laag van de bevolking was, bestaande uit leden van de categorieën A en B”. Over het geheel genomen won Leave  52%, “oplopend tot 64% in de armste categorieën van C2-DE”(*1). Kiezers onder de 24 jaar waren 73 tegen 27 voor Remain; de meesten boven de 44 kozen Leave. Met 81% van degenen die voltijds onderwijs volgen die de voorkeur geven aan Remain, “was het in Engeland geografisch gezien alleen al in universiteitssteden dat Remain ruim won”.

Waarom heeft “Leave” gewonnen?

Voor Remainers, zegt Anderson, was er een gevoel dat het verlaten van de Unie een overwinning zou zijn voor chauvinisme en reactie; en ook dat het “een bedreiging zou vormen voor de levensstandaard, die bij vertrek sterk zou dalen”; maar voor de armste kiezers “was het belangrijkste punt de controle over hun eigen lot en dat van het land, iets dat alleen kon worden veiliggesteld door uit de EU te stappen”.

Een ander motief voor steun aan Leave was een breder gevoel van herwonnen onafhankelijkheid, waarbij, aldus Anderson, “controle over immigratie en grenzen op de tweede plaats kwam”.

Anderson ontkent niet dat immigratie wel degelijk een rol speelde in de beslissingen van de Leave-stemmers. Een van de “twee cruciale erfenissen van New Labour” was de sterke toename van immigratie “als gevolg van het besluit van Blair in 2004 om zijn Oost-Europese bondgenoten te belonen voor hun trouwe rol in de oorlog in Irak” door niet te proberen het vrije verkeer te beperken (zoals Duitsland deed) toen de EU dat jaar werd uitgebreid.

“Uiteindelijk kwamen er zo’n 700.000 Polen, veel meer dan waar Blair op had gerekend. Geen enkel ander Europees land kende zo vroeg een instroom van vergelijkbare omvang en snelheid. In 2017 hadden 400.000 Roemenen en Bulgaren zich bij hen gevoegd.” De regering Cameron “kon niets doen om de toestroom te stoppen of te verzachten”.

De tweede erfenis – het falen van Blair om het te halen op Brown en toe te treden tot de euro – “was waarschijnlijk doorslaggevender”. Als een land eenmaal deel uitmaakt van de eenheidsmunt, “wint de angst voor de gevolgen van een vertrek het van al het andere als de kwestie bij verkiezingen aan de orde komt”.

In de eurozone wordt immers “het spaargeld van de mensen in euro’s aangehouden. Uit de Monetaire Unie stappen onder zulke omstandigheden zou groot waardeverlies meebrengen. Geen enkele partij met een draagvlak onder de bevolking durft zo’n vooruitzicht te riskeren.” Anderson citeert het oordeel van de politiek socioloog Claus Offe: “Hoewel het opleggen van de eenheidsmunt een enorme vergissing was voor Europa, dreigt het terugdraaien ervan nog grotere schade toe te brengen aan de gewone burger.”

De Leave-campagne slaagde omdat er geen sprake was van een vergelijkbaar gevaar. Ironisch genoeg heeft volgens Anderson geen van beide partijen in het Brexit-debat “de geringste aandacht besteed aan het voor de hand liggende feit dat (afgezien van ministaatjes als Liechtenstein, Monaco of Luxemburg) de twee rijkste landen van Europa, met de meest geavanceerde welvaartssystemen, niet tot de EU behoren: Zwitserland en Noorwegen. Beide samenlevingen hebben integratie met de Unie in volksreferenda afgewezen, wat hun bloei sindsdien niet belemmert.”

De moeilijke zwangerschap van Brexit

 Cameron trad af na het referendum. Zijn opvolgster, Theresa May, riep in 2017 verkiezingen uit om haar parlementaire positie te versterken, maar ondanks het feit dat ze het aandeel van haar partij in de stemmen met 5% verhoogde, verloor ze genoeg zetels om haar meerderheid in het Lagerhuis te verliezen, waardoor ze afhankelijk werd van de tien parlementsleden van de Democratic Unionist Party (DUP) in Noord-Ierland. De terugtrekkingsovereenkomst die zij met Brussel heeft gesloten, met inbegrip van een achtervangregeling (‘backstop’) die ervoor moet zorgen dat er geen harde grens tussen de Ierse Republiek en Noord-Ierland kan worden opgelegd, heeft de DUP volledig van zich vervreemd. Bovendien namen verschillende leden van haar kabinet ontslag, waaronder Boris Johnson.

Met haar partij zwaar verdeeld, had May geen kans om een meerderheid in het Lagerhuis te krijgen voor haar deal zonder steun van Labour. En wat Labour overkwam, was “erger dan chaos”, aldus Anderson, met veel van haar parlementsleden die een tweede referendum steunden, of een ‘People’s Vote’, zonder duidelijkheid over de vraag of dit inhield dat de eerste uitslag ongedaan werd gemaakt, of dat dit alleen maar een tweede opinie betekende. De voorstanders waren verdeeld over wat hun voorkeur had, en de People’s Vote organisatie viel uiteindelijk uit elkaar.

“Op de achtergrond,” zegt Anderson, “onder druk van de PLP (*2), de Guardian, de BBC en haar eigen jeugd, dreef de Labour-leiding af naar een veralgemeende obstructiepolitiek in het Lagerhuis.”

Nadat haar deal herhaaldelijk was afgewezen door het Lagerhuis, trad May uiteindelijk af. Haar opvolger, Johnson, ondervond zowel in de rechtbank als in het Parlement weerstand toen hij zich probeerde te ontworstelen aan de valstrik die May’s einde had betekend. Hij riep herhaaldelijk op tot een akkoord tussen de partijen over vervroegde verkiezingen om uit de impasse te geraken, maar pas toen de Lib Dems, die zelfs een tweede referendum hadden afgewezen, kozen voor verkiezingen waarin zij campagne zouden voeren voor het intrekken van de uittrede-aankondiging, werd Labour gedwongen om zich te laten kennen.

Tegen de voorspellingen in had Johnson een terugtrekkingsovereenkomst met de Europese Unie gesloten, die voorzag in een intermezzo van elf maanden waarin over een langetermijnverdrag kon worden onderhandeld. Hij beweerde dat het akkoord een oplossing bood voor de kwestie van de Ierse backstop, maar de DUP was daar niet van overtuigd. Zij verloren echter prompt hun invloed, aangezien Johnson bij de verkiezingen van december 2019 aan een flinke meerderheid geraakte, wat zijn afhankelijkheid van de DUP beëindigde.

Corbyn diende daarop zijn ontslag in en zijn opvolger, Keir Starmer, die zo lang voor een tweede referendum had gepleit, besloot nu dat Brexit een feit was en na slechts vier uur debat  loodste hij Johnson’s verdrag met de EU mee door het Lagerhuis.

Tegenstanders van  Brexit

 Anderson citeert de gangbare prognoses van een verlies van 4% aan potentiële groei van het Britse BBP bij een overeengekomen vertrek, vergeleken met 6% zonder een akkoord.  “Wat zou anders verwacht kunnen worden, gezien het verschil – de Europese Unie is meer dan zes keer zo groot als het Verenigd Koninkrijk in productie en bevolking – in de onderhandelingsmacht van de twee partijen?” Maar hij merkt op dat macro-economische voorspellingen op lange termijn zelden waterdicht zijn, en dat de EU hoe dan ook verre van een voorvechter van vrijhandel is: “Het is een mercantilistisch blok, vol subsidies (denk alleen maar aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid) en beschermingen (denk alleen maar aan diensten) van velerlei aard, bedoeld om buitenstaanders te barricaderen voor de privileges die insiders wel hebben.”

Anderson laat dan drie auteurs aan het woord over de relatie van het VK met de Europese Unie: Ferdinand Mount, Peter Oborne en Geoffrey Wheatcroft. Allen hadden banden met of sympathieën voor de Tories in het verleden, maar hekelen nu de partij en haar leiderschap, samen met Brexit (Oborne, die Leave had gestemd, zag het niet meer zitten bij de beroering van 2019).

Mount had eerder al de Unie bestempeld als “een oligarchie waarin de oligarchen geen reden zien om hun praktijken of hun ambities te wijzigen. Geen enkel vorig imperium … heeft de centralisatie zo ver doorgevoerd”. De euro was “het oligarchenproject dat een einde maakt aan alle oligarchenprojecten”. Dat is geschreven in 2012. Ook meer recentelijk, in de Brexit-context, heeft hij niet geprobeerd “de gammele en overduidelijk onvolmaakte instellingen van de EU te verdedigen”; maar hij is zo beledigd door de persoon en het beleid van Boris Johnson (“een louche, verraderlijk karakter”), dat hij niet anders kan dan het Brexiteer-sentiment veroordelen dat hem aan de macht heeft gebracht.

Oborne geeft toe dat hij geen “passie heeft voor Remain… alleen een diep knagend gevoel dat we een grote fout maken”. Ook Wheatcroft was slechts een ‘lauwe’ Remainer, die zich ervan bewust was dat de Unie te vroeg was uitgebreid en vervolgens op rampzalige wijze de euro aan Zuid-Europa had opgelegd. Hij was het niet eens met het referendum zelf, dat hij demagogisch van aard en misleidend van opzet vond; toch biedt hij geen betere oplossing voor de vraag naar democratische legitimiteit, die de Europese Unie zo duidelijk niet had ingelost.

De drie punten van kritiek, aldus Anderson, worden ondermijnd door het feit dat het Verenigd Koninkrijk zich nooit volledig heeft gecommitteerd aan het unieproject: geen enkele Remainer heeft ooit betoogd dat het Verenigd Koninkrijk had moeten toetreden tot de eurozone, of zelfs tot de Schengen-zone voor vrij verkeer.

Nooit de twee

 Volgens Anderson is de kern van de zaak dat Westminster en Brussel twee totaal verschillende soorten politieke structuren vertegenwoordigen. Wat ook de zwaktes van het Britse systeem mogen zijn – anachronistische domkoppen als politici, verkiezingen op basis van winner takes all, een ongekozen Hogerhuis, de bevordering van zakkenvullers, een parlement dat “in een oogwenk tot een stemming moet overgaan” – volgens Anderson “blijft het een feit dat Britse regeringen alleen kunnen overleven als zij een meerderheid in het Lagerhuis hebben… en als zij vallen, moeten er verkiezingen volgen om hen te vervangen.

“In de EU daarentegen worden de bewindslui door de regeringen benoemd; in de praktijk is dit een flauw afschijnsel van een bewuste democratie.” Hoe irritant ook en “hoe groot ook de tekortkomingen… Westminster is enorm superieur aan deze opgedirkte synarchie” (*3). Dat is “de eigenlijke bron van de ruzie tussen Londen en Brussel”.

Voor Andersons staat het vast:

De Europese Unie, zoals die vorm heeft gekregen, spreekt onophoudelijk over democratie en de rechtsstaat, zelfs als zij deze ontkent. Er hoeft geen kwade opzet aan te pas te komen. Wat zij is geworden, staat gegrift in de geest van degenen die zich van het project meester hebben gemaakt: een eenmaking van het continent van bovenaf, heimelijk waar mogelijk, dwingend waar nodig… Van de 27 landen die momenteel deel uitmaken van de Unie, heeft geen enkel land een ononderbroken parlementaire geschiedenis die vergelijkbaar is met die van Engeland.

De fundamentele Euroknoeiboel

 Anderson heeft een lage dunk van de “fundamenteel oligarchische” Europese heersende kaste: “de hoogste gelederen zijn al lang gecorrumpeerd door onschendbaarheid bij hun machtsuitoefening”. Hij noemt een reeks beschuldigingen en veroordelingen: van misbruik van overheidsgelden, aanranding, verduistering, plagiaat, betrokkenheid bij belastingontduiking, verzwijgen van betalingen, ontvangst van verdachte donaties en onverstandige intimiteit met grote fraudeurs. Deze “smakeloze voorvallen” mogen niet worden “gegeneraliseerd naar de hele Europese politieke klasse”; maar “waar het Europa betreft, is er zelden een tegenstelling tussen eigenbelang en oprecht idealisme”.

De onderliggende premisse van de Unie “is de passiviteit van de bevolking onder de politieke klasse en haar aanhangers”. Bovendien is “het centristische opinieblok dat gematigde conservatieven, gematigde liberalen, pragmatische sociaal-democraten en zelfvoldane Groenen omvat… veel groter dan zijn tegenstanders ter rechter- of ter linkerzijde, en blijft het overweldigend dominant in de Unie”.

Gebeurtenissen en krachten van buitenaf hebben lagen vaak aan de basis van het centraliserende karakter van de EU. Bij de pandemie is het niet anders. Nu is het ‘Next Generation EU’ pakket van 750 miljard euro “geprezen als een doorbraak door de Nederlander Luuk van Middelaar”, die stelt dat Merkel “de laatste twee taboes van het Duitse monetaire denken heeft doorbroken: collectieve schuld en regelrechte subsidies; voor deze ene keer; maar in Parijs en Berlijn weten ze dat wie deze brug een keer oversteekt, het vaker kan doen: het precedent is geschapen”.

Hoe wat Anderson deze “krachtige voorwaartse beweging” noemt zich zal ontwikkelen is niet zeker. Een federalistische superstaat lijkt onwaarschijnlijk, en een soort federale pan-Europese politieke unie gecombineerd met een gemeenschappelijk economisch en veiligheidsbeleid voor een gelijkgestemde binnenste groep lijkt nog verder weg. Het federalistische doel is “nooit bereikt; maar evenmin … is de geleidelijke vooruitgang in die richting ooit gestopt of omgebogen; is het dan geloofwaardig dat deze nu zijn grens heeft bereikt?

“Of zou het kunnen dat huidige EU-formule – verwatering van soevereiniteit zonder betekenisvolle democratie, verplichte unanimiteit zonder gelijkwaardigheid van de deelnemers, cultus van de vrije markt zonder bekommernis om de  vrije handel – voor onbepaalde tijd stand zal houden?”

Noten:

(*1) Het betreft bevolkingscategorieën die door Britse marktonderzoekers-adverteerders ingedeeld werden in 6 groepen, A, B, C1, C2 , D en E, op basis van het beroepsbezigheid en inkomen van het gezinshoofd.  [Noot van de vertaler]

(*2) PLP staat voor Parliamentary Labour Party, en duidt het geheel van de Labour-verkozenen aan in het Parlement. Alhoewel de term niet ironisch bedoeld is, klopt het dat veel van deze verkozenen zich als een aparte ‘partij’ gedragen en zich weinig gelegen laten liggen aan partijstandpunten. [Noot van de vertaler]

(*3) Synarchie betekent letterlijk ‘gemeenschappelijk bewind’, maar wordt meestal pejoratief gebruikt, vooral met de connotatie van de heerschappij van een geheime clan.  [Noot van de vertaler]