Hoe ook het concrete beleid van de EU en het IMF ten aanzien van Griekenland uit zal vallen, op één ding kan men gif innemen: het land zal gedwongen worden de weg te bewandelen die leidt naar het best haalbare resultaat voor de financiële markten. Evenzeer is met zekerheid te voorspellen dat deze lotsbestemming ook de inwoners van de rest van de EU en heel het Westen te wachten staat. Griekenland is ons voorland. Het kapitaal en zijn handlangers bij de staat rusten immers niet voordat overal via bezuinigingen op allerlei terrein en de trieste verhoging van de uitbuitingsgraad van het volk, de gehele sociale zekerheid is afgebroken ten gunste van de accumulatie van het kapitaal. Regeringen als het kabinet Rutte – en trouwens vrijwel alle regeringen in het kapitalistische Westen – ontlenen hieraan hun reden van bestaan.

 

De primaire bezorgdheid in hun beleid is het antwoord op de vraag hoe voortvarend, hard en meedogenloos er bezuinigd kan worden op weg naar de afbouw van de sociale zekerheid, en het herstel van de accumulatie. En de uitermate droevige, ook moeilijk te begrijpen en bijna masochistische houding doet zich voor, dat het juist de slachtoffers van dit beleid zijn die in hun politiek stemgedrag dat soort handlangers van het kapitaal aan politieke macht helpen.

De werkelijke, doorslaggevende oorzaak van de schuldencrisis

Geen regering in de EU, of zij heeft haar mensen voorgehouden dat Griekenland de miljardensteun uit Europa tot op de laatste cent terug zal moeten betalen. De vaak gehoorde motivering achter dit ferme en krachtige besluit is … ‘dat de Grieken lui zijn en de internationale gemeenschap bedrogen hebben… dat zo’n land dan ook gedwongen moet worden tot op de laatste cent leningen van de EU en het IMF (Internationaal Monetair Fonds) terug te betalen... zonder clementie… ze hebben niet anders verdiend…’ En dit klemt temeer omdat volgens deze zegslieden anders heel de wereldeconomie in een crisis zou geraken.

Deze analyse is even foutief als hysterisch over de top. In geen van de 34 landen van de OESO (Organisatie voor Economische en Sociale Ontwikkeling) wordt zoveel uren gewerkt als in Griekenland, en de werkelijke pensioenleeftijd is hoger dan bij menig ander EU-lidstaat. En het argument dat een Grieks bankroet een wereldwijde economische crisis zou veroorzaken, lijkt voorlopig meer een dreigement dan realiteit.

Hier ligt dus niet de oorzaak waaraan de Griekse schuldencrisis ten gronde toegeschreven moet worden. De reden waaróm moeten we zoeken in de onvermijdelijke groeidwang in het kapitalisme en de maatregelen die de Griekse overheid naar aanleiding hiervan heeft moeten nemen.

Die onvermijdelijke groeidwang betreft zowel de productieve als financiële sector: groeien of ten onder gaan, conform de ijzeren wet van het kapitalisme. Actoren in de financiële en ook in de productieve sector, staan in een verhouding van moordende concurrentie als zij hun producten, waaronder financiële, op de markt willen verkopen. En deze concurrentieslag kan alleen gewonnen worden door wie er in slaagt groter te groeien dan zijn concurrent.

Groeidwang in de productiesector als oorzaak van de schuldencrisis

Zoals gezegd staan producenten in het kapitalisme met elkaar in een verhouding van moordende concurrentie. Om in deze moordende wedijver staande te blijven en niet van de ‘vrije’ markt verdreven te worden, is het noodzakelijk te groeien en aldus groter te worden dan de concurrent. In de productieve sector van het kapitalisme streeft men die groei na door kapitaalintensieve productie: menselijke arbeid wordt zoveel mogelijk vervangen door machines, die sneller en goedkoper produceren dan de mens. Maar deze noodzaak tot aanschaf op gezette tijden van steeds nieuwere en duurdere machines, legt natuurlijk ook een grote druk op de winst. De winstvoet vertoont daardoor de neiging om te dalen, temeer omdat vanwege het banenverlies de koopkracht gebrekkig is en de onbetaalde meerarbeid/meerwaarde afneemt. Met de in het licht van de moordende concurrentie noodzakelijke kapitaalintensieve productie, doet het kapitalisme zichzelf de molensteen om de hals. Bedrijven jagen elkaar voortdurend op tot financiële ademnood. Ze zijn altijd armlastig omdat ze niet-aflatend gedwongen worden op zoek te gaan naar nóg meer kapitaal/winst om nóg meer te kunnen investeren en groeien, om zodoende staande te kunnen blijven in de concurrentie. De productieve sector van het kapitalisme levert dus een altijd durende en moeizame (en uiteindelijk hopeloze) strijd om de winst op peil te houden.

Ook de staat in de kapitalistische samenleving ontkomt er niet aan een bijdrage en ondersteuning te leveren aan die strijd van het kapitaal tegen een dalende winstvoet. Ter wille van deze geldhonger van bedrijven die binnen het staatsterritorium economisch van belang zijn, ontkomt de staat er niet aan de afroming van de bedrijvenwinst door belastingheffing, aanzienlijk te verminderen, en zo deze bedrijven te ondersteunen, ook met leningen, giften en subsidies, in de internationale concurrentiestrijd. Deze noodzaak was in het geval van Griekenland zoveel te meer dwingend, vanwege de zwakke concurrentiepositie van het Griekse bedrijfsleven ten opzichte van de rest van de EU bij het begin van het EU-lidmaatschap. Al deze tegemoetkomingen gebeuren in het kader van een neoliberaal bewind, dat verder ook omvat deregulering, dat wil zeggen afschaffing van regels die bedoeld zijn om de economie in een humaan gareel te houden, liberalisering van het economisch verkeer, en privatisering. Deze ondersteuning van het bedrijfsleven heeft natuurlijk wel haar prijs, namelijk een armlastige overheid. En hier komen we bij een van de zwaarwegende oorzaken van de schuldencrisis in Griekenland: de ondersteuning van het Griekse bedrijfsleven leverde een armlastige overheid op, die daarom voor de uitoefening van haar taken voor de samenleving noodgedwongen aangewezen was en is op het lenen van geld bij andere landen en op de kapitaalmarkt. En zoals gezegd was deze noodzaak des te groter waar de concurrentiepositie van het Griekse bedrijfsleven zwak was en is ten opzichte van de andere EU-landen.

Maar tot overmaat van ramp is er nog een andere oorzaak van de Griekse schuldencrisis aan te wijzen: groeidwang in de financiële sector van het kapitalisme.

Groeidwang in de financiële sector als oorzaak van de schuldencrisis

Ook voor de financiële sector geldt de ijzeren wet van het kapitalisme: groeien of van de markt verdwijnen. Ook de verschillende financiële markten, waaronder eveneens banken, staan met elkaar in een verhouding van moordende concurrentie bij het aanbieden van hun financiële producten op de markt. En deze concurrentieslag kan ook hier alleen gewonnen worden door wie er in slaagt groter te groeien dan zijn concurrent. Een voor de handliggend en feitelijk ook toegepast groeimiddel vonden de financiële markten in de verstrekking van onverantwoorde en dus risicovolle hypotheken en kredieten. Het zijn deze risicovolle hypotheken en kredieten die ook een zwaarwegende bijdrage hebben aan de wereldwijde schuldencrisis, ook die van Griekenland.

Die risicovolle, subprime hypotheken resulteerden in de grootste en meest ernstige financiële wereldcrisis sinds de jaren ’30 van de vorige eeuw. Het kostte de wereld, waaronder Griekenland, in totaal bijna 2000 miljard dollar om de banken uit de puree te helpen en het financiële verkeer weer enigszins op de been te brengen.

En met de kredietverlening werden eveneens door de financiële markten onverantwoorde risico’s genomen, namelijk daar waar men graag en tegen hoge rentes grote bedragen uitleende aan landen met een zwakke kredietwaardige economie, zoals Griekenland. Dat alles om maar te kunnen voldoen aan de groeidwang. Nu de terugbetaling van deze kredieten door Griekenland problematisch is en zoals verwacht kon worden een langere termijn vereisen, en er daardoor wellicht een stimulans uitgaat voor wereldwijd een tweede financiële crisis, wordt Griekenland gedwongen de gewone Griek uit te persen en het land te verkopen om de rekening te betalen. Rekeningen waar de gewone Griek part noch deel aan heeft, die tot stand gekomen zijn door een roekeloos en onverantwoord kredietbeleid van de financiële markten, en waarvan vooral de verre van integere, belastingontduikende financiële en economische Griekse elites geprofiteerd hebben.

Griekenland als voorland

Er zijn al veel analyses losgelaten op de Griekse schuldencrisis. Vrijwel zonder uitzondering als onderbouwing van een graaizuchtige houding om zo snel mogelijk en met zoveel mogelijk winst het geleende geld terug te halen. De ‘luiheid’ van de Grieken, is bijvoorbeeld zo’n analyse. Maar van een analyse die er werkelijk toe doet, zoals de onvermijdelijke groeidwang in het kapitalisme op economisch en financieel gebied, de volstrekt onverantwoordelijke manier waarop het kapitaal aan die groeidwang tegemoet komt, een overheid die voortdurend aan het kapitaal ter wille is en daarom permanent armlastig en gedwongen is obligaties uit te geven, dus leningen te sluiten en derhalve schulden te maken en die schulden te verhalen op het volk, hoor je niet of nauwelijks. Het is niet onwaarschijnlijk dat het ontbreken van zo’n analyse samenhangt met het feit dat zij duidelijk maakt dat de schuldencrisis onvermijdelijk een kapitalistisch fenomeen is, dus niet slechts een Grieks probleem is, maar alle landen van de EU, en überhaupt alle landen met een kapitalistische economie, betreft. Griekenland en zijn schuldencrisis zijn niet meer dan een voorland voor die rest. Slechts een korte blik op feitelijke gegevens is al voldoende om bevestigd te krijgen dat heel de EU en het kapitalistische Westen aan de vooravond staan van een onoplosbaar schuldenprobleem 1. Zo voldoen slechts vijf van de 27 lidstaten van de EU aan de eis in het Stabiliteitspact dat het begrotingstekort niet meer mag bedragen dan 3% van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Het begrotingstekort van de rest varieert van ongeveer 4 tot 14,3 % (Ierland). Als we kijken naar de staatsschuld als percentage van het BBP, zien we sinds 2007 een aanmerkelijke stijging. In het gemiddelde van de staatsschuld van de VS, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië, Australië, Zuid-Korea en Japan zien we de volgende verontrustende ontwikkeling: de gemiddelde staatsschuld van deze landen als percentage van het BBP was in 2007 78.2%, in 2009 bedroeg dat 98.9%, in 2010 was dat percentage 106.7%, en in 2014 zal dat zo goed als zeker ongeveer 114% bedragen. En dat terwijl de EU-lidstaten niet hoger mogen zitten dan 60%. De onvermijdelijke groeidwang in het kapitalisme leidt in alle kapitalistische landen om bovengenoemde redenen tot een toenemend begrotingstekort en een verhoging van de staatsschuld, die alleen maar op- en afgelost kunnen worden door een steeds verder gaande uitpersing van het volk. Wat we nu zien in Griekenland, staat vroeger of later alle Westerse landen te wachten. En wat zal dan tegen die tijd de analyse zijn van al degenen die nu fulmineren over de ‘luiheid’ van de Griek?

Een uitweg?

De huidige techniek en knowhow op velerlei terreinen zijn ver genoeg gevorderd, er zijn mensen in overvloed voor de benodigde arbeidskracht, en er zijn ook voldoende grondstoffen om nu en later alle bewoners van deze aarde een bestaan in redelijke welvaart en welzijn te garanderen, zonder dat daarvoor de draagkracht van de natuur hoeft te worden overschreden.

Maar de economische werkelijkheid die de mens heeft gecreëerd – de ‘vrije’ markt, het kapitalisme ofwel het neoliberalisme – laat een ander beeld zien. Deze economische realiteit brengt op gezette tijden overproductie en massawerkloosheid voort; het produceert decadente en weerzinwekkende rijkdom voor een kleine minderheid, corresponderend aan een altijd maar toenemende schrijnende armoede voor de overgrote meerderheid; het brengt altijd en onvermijdelijk te weinig geld voort voor het noodzakelijk onderhoud van de sociale zekerheid, de samenleving in het algemeen, en de natuur; het put de grondstoffen in hoog tempo uit en brengt aan de natuur, het milieu en de biosfeer – en dus ook aan de mens – ernstige, levensbedreigende schade toe.

Aan de bron van al dit onheil ligt uiteindelijk de onvermijdelijke groeidwang in het kapitalisme. Een mens- en natuurvriendelijke economie is daarom niet te verenigen met het kapitalisme. De noodzaak meldt zich dan ook voor een postkapitalistisch alternatief. En een dergelijk alternatief bestaat er. Uitgangspunt daarbij is het ervaringsgegeven dat in ieder economisch stelsel, waarin de waarde van arbeid en van goederen en diensten wordt uitgedrukt in geldwaarde, gekenmerkt wordt door groeidwang en het daarmee verbonden onheil waar het kapitalisme zo ‘rijk’ aan is. Dit onheil kan alleen vermeden en omgebogen worden naar heil en welzijn voor eenieder, in een geldloze economie. Eerder al zijn we op verschillende plaatsen daar nader op ingegaan 2. Om niet onnodig in herhaling te vallen geven we hier slechts de kern van zo’n geldloze, postkapitalistische economie weer. Een dergelijke geldloze economie rust op twee pijlers. De eerste is een productiesfeer waarin geen geld meer omgaat. Daardoor is het onmogelijk voor een kapitalist om via de investering van geld in de productie winst te behalen; de werker kan dus ook geen inkomen meer verdienen met inzet in het productieproces, net zo min als de leverancier met het aanleveren van grondstoffen aan het productieproces zijn leeftocht kan verdienen. Met andere woorden: goederen en diensten zijn dan gratis. Voor de distributie en de gelijke verdeling van die goederen krijgt eenieder de beschikking over een voor allen ongeveer gelijk periodiek budget, uitgekeerd door de overheid. En dit is de tweede pijler. De waarde van het budget en de waarde van de goederen en diensten op de markt zijn zo op elkaar afgestemd, dat een redelijk welvarend leven mogelijk is voor iedereen, zonder dat daarbij de totale consumptie natuur en milieu onherstelbaar beschadigt. Om dit te bereiken wordt de waarde van goederen en diensten niet bepaald door geld – want het postkapitalisme is een geldloze economie – maar door de hoeveelheid vervuiling die ontstaat tijdens het productieproces van die goederen en diensten. En de waarde van het budget bestaat uit een aantal ‘vervuilingseenheden’ of ‘ecologische bestedingsruimte’. De postkapitalistische mens kan door inwisseling van een bepaalde hoeveelheid vervuilingseenheden goederen en diensten verwerven, waarvan de vervuiling bij de productie correspondeert aan de ingewisselde hoeveelheid vervuilingseenheden. Bijvoorbeeld: met een biljet van vijf vervuilingseenheden kan de postkapitalistische mens goederen en/of diensten aanschaffen waarvoor bij de productie het milieu voor vijf eenheden is vervuild. De waarde van het budget wordt zodanig beperkt dat het voor iedereen een relatief welvarend leven mogelijk maakt, maar dat de hoeveelheid totale consumptie de draagkracht van natuur en milieu niet kan overschrijden.

De grote waarde van dit soort postkapitalisme, is dat het de groeidwang uitsluit en alle onvermijdelijk daarbij horend onheil, en dat de enige beperking op zoek naar een betere samenleving is gelegen in het respect voor de natuur. Voor het overige is alles mogelijk en is ook de overheid niet beperkt in haar taken! Er kan hier geen sprake meer zijn van een relatief kleine groep die zich decadent en weerzinwekkend kan en mag verrijken op kosten van mens en natuur, en van een ordening die op gezette tijden sociale en ecologische crises veroorzaakt. Problemen als nu met de schuldencrisis in Griekenland, en binnenkort met alle andere kapitalistische staten, kent het postkapitalisme niet. Wie kan hier met enig kracht van argument wat op tegen hebben? Laat het me weten.

Bij alle, het postkapitalisme tegenwerkende krachten, zijn er twee aan te wijzen die van grote invloed zijn. Ten eerste hebben we daar dié economen, die enige maatschappelijke reputatie en invloed hebben weten te verwerven. Het zijn deze deskundigen, die zonder uitzondering zijn opgeleid in en hun reputatie te danken hebben aan de burgerlijke (kapitalistische) economie. Het valt niet te verwachten dat zij hun status en reputatie in de waagschaal stellen voor de aanbeveling van het postkapitalisme, ook al zouden ze daarvan de waarde inzien.

Op de tweede plaats zien we dat alleen diegenen in de hogere regionen van de politiek (kunnen) doordringen, die ook opgeleid zijn in de burgerlijke economie, of in ieder geval onvoorwaardelijke aanhangers zijn van een neoliberaal beleid.

Deze beide tegenwerkende krachten zijn belangrijke factoren voor een kapitalisme, dat zichzelf van binnenuit steeds bevestigt en in leven houdt.

Hoe zal de geschiedenis oordelen over de tijd en de gekte, c.q. misdadigheid, waarin een kleine minderheid doelbewust werd toegestaan zich buiten alle proporties decadent en weerzinwekkend te verrijken ten koste van mens en planeet?

 Jo Versteijnen (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.)

---------------------------------------------------

1) Overzicht van begrotingstekorten Europese landen, 2010

 

2) Versteijnen, Jo., 2010, De achtergrond (en oplossing) van de crisis,

 

3)Versteijnen, J., 2011, Een sociaalecologisch, postkapitalistisch alternatief

 

*) Versteijnen Jo., Bram Snoek, Wouter Snip, 2010, Als markt en regering falen, Soest.